Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen
Einde inhoudsopgave
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/5.3.5.1:5.3.5.1 Doel van de bepaling
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/5.3.5.1
5.3.5.1 Doel van de bepaling
Documentgegevens:
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk, datum 01-09-2013
- Datum
01-09-2013
- Auteur
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk
- JCDI
JCDI:ADS346726:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.a. MvT, Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 3, blz. 4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het doel van de faciliteit is in paragraaf 5.3.2 al aan de orde gekomen. De schenken erfbelasting kan tot liquiditeitsproblemen leiden als de middelen daarvoor aan de onderneming moeten worden onttrokken. Dit kan de continuïteit van de onderneming schaden. De regering wenst met de bedrijfsopvolgingsfaciliteit te bereiken dat de economische bedrijvigheid onbelemmerd kan worden voortgezet.1 De bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de schenk- en erfbelasting bestaat voor het grootste gedeelte uit voorwaardelijke vrijstellingsfaciliteiten. Dit betreft het verschil tussen de liquidatiewaarde en de lagere waarde going concern. Daarnaast is de waarde van de verkrijging, onder voorwaarden, tot een bedrag van € 1.028.132 aan ondernemingsvermogen geheel vrijgesteld. Daarboven geldt een vrijstelling van 83%. Voor het resterende bedrag (17% van het ondernemingsvermogen) wordt rentedragend uitstel van betaling verleend. Niet kan worden ontkend dat met een vrijstellingsfaciliteit de liquiditeitsproblemen als gevolg van de belastingheffing worden weggenomen. In die zin is de conclusie dat de faciliteit doeltreffend is. Dit geldt eveneens voor het gedeelte waarvoor uitstel van betaling wordt gekregen. Ook met een invorderingsfaciliteit wordt het liquiditeitsprobleem (tijdelijk) opgelost.
De regering wenst de facilitering te beperken tot reële bedrijfsoverdrachten. In art. 35b, vijfde lid, SW 1956 wordt het volgende onder een bedrijfsopvolging verstaan: ‘een verkrijging van ondernemingsvermogen als bedoeld in artikel 35c, van een erflater of schenker die voldoet aan de bezitstermijn als bedoeld in artikel 35d, mits de verkrijger gedurende vijf jaren voldoet aan het voortzettingsvereiste, bedoeld in artikel 35e.’ In de paragrafen 5.3.5.2-5.3.5.6 wordt onderzocht of de in art. 35c SW 1956 opgenomen eisen ten aanzien van het kwalificeren als ondernemingsvermogen doeltreffend zijn. Indien de voorwaarden overeenkomen met de bepalingen uit art. 4.17a en 4.17c Wet IB 2001 wordt volstaan met een samenvatting van hetgeen aldaar is geschreven. Ook komen de bezitstermijn (art. 35d SW 1956) en het voortzettingsvereiste (art. 35e SW 1956) aan de orde (paragraaf 5.3.5.7). Deze bepalingen kennen we niet uit de in de Wet IB 2001 opgenomen doorschuifbepalingen. Tot slot worden de invorderingsfaciliteiten uit art. 25, twaalfde en dertiende lid, SW 1956 getoetst (paragraaf 5.3.5.8).