Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.B.2.c
c. Drie-in-twee-uit!
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS478597:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Aldus D.W. Bruil, A. Verduijn, ‘Herverkaveling en kavelruil: katalysatoren voor de inrichting van het landelijk gebied’, p. 61. Zie in dit verband tevens de ruilschema’s, opgenomen aan het slot van dit onderzoek.
ABRS 15 juni 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT7404. Zie in dit verband onderdeel G.6.b. van het vorige hoofdstuk.
Zie voor de fiscale implicaties van deze ‘koerswijziging’ nader grenspost 2, hfdst. 11, onderdeel G4.c.
Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nr. 6, p. 2. Zie tevens B.F. Preller, ‘Ontwikkelingen in rechtspraak en wetgeving rond kavelruil’, p. 16.
Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nr. 7, p. 2. Zie tevens Handelingen II 2005/2006, nr. 101, p. 6249 (Ie kolom).
Vgl. in dit kader tevens de discussie over het woord ‘mede’ uit art. 120 Uw, waarover onderdeel G.6. b van het vorige hoofdstuk. Zie in dit verband tevens de ruilschema’s, opgenomen aan het slot van dit onderzoek.
Stb 2009, 397, p. 7.
Zie D.W. Bruil, A. Verduijn, ‘Herverkaveling en kavelruil: katalysatoren voor de inrichting van het landelijk gebied’, p. 61. Bruil en Verduijn zijn overigens de enige auteurs die aandacht besteden aan deze problematiek. Nergens in de (overige) literatuur, parlementaire geschiedenis en rechtspraak worden overwegingen ten aanzien van deze kwestie aangetroffen.
Zie tevens B.F. Preller, ‘De Wet inrichting landelijk gebied en kavelruil’, in: JBN 2007/10, die eveneens pleit voor verduidelijking van de toetredersregeling. Zoals hiervoor uit onderdeel b bleek, is door de wetgever niet ingegaan op een verzoek van de zijde van de KNB tot verduidelijking van de (reikwijdte van) de toetredersregeling.
In het vervolg van artikel 85 lid 2 is de regel ‘drie-in-twee-uit’ wettelijk verankerd: bij een kavelruil tussen drie partijen is het voldoende dat slechts twee van de drie inbrengers ook onroerende zaken toegedeeld krijgen uit de kavelruil.1 Dit is een verschil met het Landinrichtingswet-tijdperk sinds de uitspraak ‘Kavelruil Grootewaard’:2 uit deze uitspraak bleek, zoals reeds beschreven, dat de Landinrichtingswet verlangde dat er minimaal drie partijen deelnamen die alle drie grond inbrachten én terugkregen.’Drie-in-drie-uit’ was derhalve norm. Een minimum van twee ruilende partijen was vanaf 15 juni 2005 niet langer voldoende.
In de tekst van artikel 85 lid 2 WILG heeft de wetgever, vanaf de woorden ‘met dien verstande’, de gevolgen van de Kavelruil Grootewaard-uitspraak van 15 juni 2005 gerepareerd.’Drie-in-twee-uit’ luidt derhalve het devies onder WILG, net als onder de Landinrichtingswet tot 15 juni 2005 het geval was.3
In de Nota naar aanleiding van het verslag wordt, na vermelding van vorenbedoelde uitspraak en de gevolgen daarvan voor de praktijk, onder meer het volgende gesteld:
“Nu de Afdeling bestuursrechtspraak een dergelijke aanpak niet in overeenstemming heeft geacht met de Landinrichtingswet, en artikel 85 van het wetsvoorstel in wezen rechtstreeks aan de desbetreffende teksten van de Landinrichtingswet is ontleend, acht de regering het bij nader inzien gewenst om in artikel 85 van het wetsvoorstel expliciet op te nemen dat ook de overeenkomst waarbij de door partijen bijeengebrachte massa zodanig onder hen wordt verkaveld en verdeeld dat een van hen slechts een geldsom wordt toegedeeld, binnen het kavelruilbegrip valt. Hiertoe zal samen met de onderhavige nota naar aanleiding van het verslag een nota van wijziging bij Uw Kamer worden ingediend, ‘4
Uiteindelijk is bij Nota van Wijziging de geciteerde passage aan artikel 85 lid 2 WILG toegevoegd.5
De geest van de Instructie Kavelruil, die mogelijk nog rondwaarde, kan dus weer terug in de fles. Discussies à la ‘Kavelruil Grootewaard’ en onduidelijkheden als gevolg van de beoordeling van ruilschema’s, lijken sinds 1 januari 2007 dus definitief tot het verleden te behoren.’Ruim baan voor de kavelruil’ lijkt dan ook de boodschap aan de praktijk.
Overigens blinkt dit tweede gedeelte van artikel 85 lid 2 niet uit in (grammaticale) helderheid. Vooral de exacte betekenis van de woorden ‘met dien verstande’ is op het eerste gezicht niet duidelijk: is hier bedoeld een uitzondering op lid 1 te geven (alleen als er niet meer dan drie partijen zijn, hoeven zij niet alle drie ruiler te zijn), of is het bedoeld als uitbreiding van lid 1 (het is toch niet nodig dat de drie inbrengers ook alle drie toebedeeld krijgen uit kavelruil)?6 De minister is zich niet bewust van de mogelijke verwarring en stelt dat de in de WILG opgenomen criteria voor kavelruil (drie of meer partijen, samenvoeging, massa, verkaveling, enzovoorts) ‘voldoende onderscheidend’ zijn.7
Net als Bruil en Verduijn8 ben ik van mening dat lid 2 moet worden gezien als een uitbreiding van lid 1 en niet als een uitzondering. Een andere uitleg van de wettekst zouden de toepassingsmogelijkheden van de kavelruil onnodig beperken, hetgeen naar mijn mening niet strookt met het doel van de kavelruil, te weten het op basis van vrijwilligheid, snel en gemakkelijk tot een betere verkaveling van (landbouw)gronden kunnen komen. Nergens in de parlementaire geschiedenis is bovendien een aanwijzing te vinden, die duidt op een dergelijke (onnodig) beperkende werking van de ‘drie-in-twee-uit’ regeling, door deze regeling enkel toepasbaar te achten in de situatie dat er niet meer dan drie partijen aan de kavelruil deelnemen. De regeling dient derhalve te gelden ongeacht het aantal bij de kavelruil betrokken partijen (uiteraard mits aan het minimumaantal van drie partijen voldaan is). Het zou de voorkeur hebben verdiend indien de exacte strekking en reikwijdte van de toetredersregeling door de wetgever zou zijn verduidelijkt binnen de contouren van het op artikel 88 WILG gebaseerde Besluit inrichting landelijk gebied, hierna in onderdeel E nader te bespreken.9
Al met al kan worden gezegd dat de toetredersregeling uit artikel 85 lid 2 weliswaar wat ongelukkig geformuleerd is, maar dat de onderliggende bedoeling van de regeling, bij gebrek aan aanwijzingen die in een andere richting wijzen, duidelijk is: zodra er twee ruilers zijn, kunnen er in beginsel een onbeperkt aantal toetreders aan de kavelruil worden toegevoegd.