Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/3.2.2
3.2.2 Aansluiting bij internationale regelingen
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS436765:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, Brussel 27 september 1968, Trb. 1969, 101, zoals nadien gewijzigd door diverse Toetredingsverdragen (hierna: EEX-Verdrag).
Verordening (EG) Nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEG 2001, L 12/1 (hierna: EEX-Verordening of EEX-Vo).
Italië lijkt hierin het meest vergaand te zijn. Art. 3 lid 2 van de Italiaanse IPR-Wet bepaalt namelijk dat de rechtsmacht van Italiaanse gerechten volgens de afdelingen 2, 3 en 4 van Titel II van het EEX-Verdrag wordt vastgesteld ook indien de verweerder geen woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsstaat.
Verordening (EG) Nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) Nr. 1347/2000, PbEU2003, L 338/1 (hierna: Verordening Brussel IIbis of Vo-BIIbis).
Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 25 en p. 35 (MvT). Kritiek bij H. van Houtte, 'Enkele kritische kanttekeningen bij de regeling van rechtsmacht zoals opgenomen in het Voorontwerp tot aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering', /V/PR-Speciale aflevering 1994, p. 76. Volgens Van Houtte probeert de wetgever een sluitende regeling van de commune rechtsmacht in het leven te roepen, 'terwijl er tevens talrijke achterpoortjes naar rechtsmacht worden opengelaten.'
Wet van 8 september 2005 tot aanpassing van enkele onderdelen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met het nieuwe procesrecht, Stb. 2005, 455, in werking getreden op 15 oktober 2005 krachtens KB van 29 september 2005, Stb. 2005, 484.
Zie ook Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 4, p. 12 (Verslag) en nr. 5, p. 18 (Nota n.a.v. het verslag).
In dezelfde zin P. Vlas, 'De regeling van de rechtsmacht in het Voorontwerp van wet tot aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering', N/PR-Speciale aflevering 1994, p. 67; P. Vlas & F. Ibili, WPNR (2003) 6527, p. 314. Zie voor het 'oud' procesrecht ook HR 19 maart 2004, RvdW 2004, 51, Philips/Postech (r.o. 3.4.3).
Hierover: M.V. Polak, 'Oppassen — Inpassen — Aanpassen. Taken en bevoegdheden van wetgever en rechter bij de receptie van internationaal en communautair IPR in de Nederlandse rechtsorde', in: Internationaal, communautair en nationaal IPR (Mededelingen van de Nederlandse Vereniging voor Internationaal Recht, 125), Den Haag: T.M.C. Asser Press 2002, p. 114-116. Volgens Polak lijkt prejudiciële vraagstelling over art. 4 lid 1 Rv wel mogelijk.
Bij het opstellen van de commune rechtsmachtregeling in art. 1-14 Rv heeft de Nederlandse wetgever zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij belangrijke internationale bevoegdheidsregelingen. In het bijzonder hebben het EEX-Verdrag1 en de EEXVerordening (Brussel I)2 een belangrijk uitstralingseffect gehad. Bepaalde onderdelen van art. 6 Rv zijn nagenoeg letterlijk ontleend aan het EEX-Verdrag en de EEXVerordening. Nederland staat wat dat betreft overigens niet alleen. Ook andere lidstaten van de Europese Unie, zoals bijvoorbeeld Italië, Oostenrijk, Portugal en Spanje, hebben bij het opstellen van hun interne bevoegdheidswetgeving dienstig gebruik gemaakt van Europese instrumenten.3 In één geval gaat de aansluiting bij internationale regelingen door de Nederlandse wetgever zelfs zo ver dat art. 4 lid 1 Rv voorschrijft dat indien de Verordening Brussel Bbis4 niet van toepassing is, de rechtsmacht van de Nederlandse echtscheidingsrechter toch bepaald moet worden volgens art. 3, 4 en 5 van deze verordening. Terwijl getracht is om zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij internationale regelingen, geeft de wetgever toe dat het Nederlandse commune recht in het algemeen iets ruimer is uitgevallen: 'De nationale wetgever moet in dit opzicht niet te zuinig zijn: wanneer de verdragen [en EG-verordeningen, Fl] niet van toepassing zijn, dan moet in Nederland in beginsel een titel kunnen worden verkregen.'5
Betekent het uitstralingseffect van verdragen en EG-verordeningen op het Nederlandse recht, dat de Nederlandse wetgever art. 1-14 Rv ook in de toekomst zoveel mogelijk parallel zal laten lopen aan internationale ontwikkelingen? Daar lijkt het wel op. Gewezen kan worden op de afstemming van bepaalde onderdelen in art. 6 Rv aan de wijzigingen in de EEX-Verordening ten opzichte van het EEX-Verdrag. Zo zijn art. 6 sub a, d en e en art. 8 lid 3 Rv, aanvankelijk geënt op bepalingen uit het EEX-Verdrag, op een later tijdstip in overeenstemming gebracht met het bepaalde in art. 5 sub 1, 15 lid 1 sub c, 5 sub 3 resp. art. 23 EEX-Vo.6 Dit uitstralingseffect heeft gevolgen voor de uitleg van bepalingen uit het commune recht die zijn ontleend aan verdragen en EG-verordeningen. Bij de uitleg van art. 4 lid 1 Rv en bepaalde onderdelen van art. 6 Rv kan de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ EG) over de Verordening Brussel Ilbis, het EEXVerdrag en de EEX-Verordening als bron van inspiratie dienen. De vraag rijst of de Nederlandse rechter de rechtspraak van het HvJ EG hierbij blindelings moet volgen, zelfs indien daarover ongenoegen bestaat.7 Ter wille van de eenvoud en praktische hanteerbaarheid doet de Nederlandse rechter er goed aan bij de uitleg van art. 4 en art. 6 Rv zoveel mogelijk de jurisprudentie van het HvJ EG te volgen, maar moet hij daarbij mijns inziens wel de ruimte hebben om, indien en voorzover nodig, een afwijkende uitleg te geven.8 Vanzelfsprekend kunnen over de uitleg van bevoegdheidsbepalingen uit het Nederlandse commune recht geen prejudiciële vragen worden voorgelegd aan het HvJ EG.9