Einde inhoudsopgave
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/11.4.5
11.4.5 Duur van het houden van beschermingsprefs
mr. R.A.F. Timmermans, datum 01-10-2017
- Datum
01-10-2017
- Auteur
mr. R.A.F. Timmermans
- JCDI
JCDI:ADS344607:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Een amendement van de VVD om de termijn te verkorten tot zes maanden sneuvelde in de Tweede Kamer; Kamerstukken II 2005/2006, 30 419, nr. 10. Dat amendement paste in het licht van de maxidoorbraakregeling en de NCGC van de commissie Tabaksblat die ook een termijn van zes maanden kenden; zie hierover paragraaf 2.4.4 onder c.
Zie paragraaf 12.6.3 onder a.
Zie De Brauw, GS Toezicht Financiële Markten 2009, art. 5:71 Wft, aant. 6.3.3.
Dortmond, Handboek Openbaar Bod 2008, p. 623. Zie over de vraag of een optie meerdere malen kan worden uitgeoefend paragraaf 5.4.3.
Anders Doorman, Handboek Openbaar Bod 2008, p. 509, die art. 5:71 lid 1c Wft als een codificatie van de RNA-norm beschouwt. Zie paragraaf 9.5.5.
Vgl. Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/635, die menen dat slechts in uitzonderlijke gevallen bescherming voor onbepaalde tijd mag worden voortgezet, waarbij als voorbeelden worden genoemd het door de overnemer blijven weigeren en het ernstig schaden van de belangen van de onderneming en de daarbij betrokkenen door de overname.
In deze zin De Brauw, Nederland, het Delaware van Europa? 2016, p. 84-87, die meent dat bescherming die automatisch zou eindigen niet past in het Nederlandse stakeholders model.
De wetgever heeft gemeend dat de vrijstelling van een stichting continuïteit niet oneindig mag zijn. Daarom geldt er een maximumduur waaronder de stichting overwegende zeggenschap kan hebben zonder een openbaar bod hoeven uit te brengen. Deze termijn bedraagt twee jaar.1 De termijn geldt zowel voor situaties waarin sprake is van een volledig bod, als voor een partieel of tender bod. De wetgever gaat ervan uit dat de aandelen binnen twee jaar na de aankondiging met inachtneming van de van toepassing zijnde wettelijke vereisten door de vennootschap worden ingekocht of ingetrokken.2 Worden de aandelen langer dan twee jaar aangehouden, dan is de stichting gehouden om een bod uit te brengen tenzij het belang wordt teruggebracht tot onder de biedplichtgrens. Gezien de twee maanden wachttermijn onder de kapitaalverminderingsprocedure brengt dit met zich mee dat op tijd met de intrekking aangevangen moet worden.3
Indien een aangekondigd vijandig bod niet slaagt en in de tussentijd een tweede vijandig bod wordt aangekondigd, blijft de oude tweejaarstermijn doorlopen. Omdat er reeds een openbaar bod is aangekondigd, is voldaan aan het vereiste van het neemmoment, ook al heeft de stichting de beschermingsprefs genomen voordat het tweede openbaar bod werd uitgebracht.4 Omdat de oorspronkelijke termijn reeds is aangevangen, zullen de beschermingsprefs niet voor de volle twee jaar na dat tweede bod kunnen blijven uitstaan. Wenst de stichting optimaal gebruik te maken van de tweejaarstermijn na aankondiging van het tweede openbaar bod, dan zullen de beschermingsprefs die met het oog op het eerste bod zijn uitgegeven moeten worden ingetrokken en nieuwe beschermingsprefs aan de stichting moeten worden uitgegeven.5
Ik merk op dat de tweejaarstermijn in strijd is met de RNA-beschikking, waarin de Hoge Raad oordeelde dat het voor onbepaalde tijd handhaven van een beschermingsmaatregel in het algemeen niet gerechtvaardigd zal zijn.6 Naar mijn idee kunnen er omstandigheden zijn die de uitgifte van beschermingsprefs voor een langere periode dan twee jaar rechtvaardigen.7 Een harde termijn valt mijns inziens niet te geven, omdat een en ander zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Dat pleit ervoor om de tweejaarstermijn af te schaffen.8 Desalniettemin meen ik dat de tweejaarstermijn in de praktijk niet tot grote problemen zal leiden. Het voorgaande laat onverlet dat de stichting in een openbaar bod situatie er in ieder geval voor moeten zorgen dat zij na twee jaar niet meer over overwegende zeggenschap beschikt.