Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/313
313 Kenmerken fishing expedition
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS451071:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
Een parallel kan worden getrokken met art. 843a Rv, waarin de eisen van een “rechtmatig belang” en “bepaalde bescheiden” moeten voorkomen dat wordt gevist naar informatie (PG Herziening Rv 2002, p. 553; Kamerstukken II 2011-12, 33 079, nr. 3, p. 6 (MvT)). De inhoud van schriftelijke bewijsmiddelen moet in beginsel bekend zijn aan een partij. De bescheiden moeten concreet worden aangeduid, maar niet nodig is dat ieder stuk nauwkeurig wordt omschreven. Volgens Sijmonsma 2010, p. 142 gaat het erom “dat in het licht van de vordering voldoende duidelijk is om welke bescheiden het gaat en om welke reden zij van belang zijn en dat de plicht om inzage te geven niet verder strekt dan noodzakelijk is.”
De discussie over een fishing expedition doet zich doorgaans voor als nog geen hoofdzaak aanhangig is. Ten eerste omdat het primaire doel van de verzoeker op fishing expedition niet is om een concrete hoofdzaak te beginnen en ten tweede omdat in de hoofdzaak een concrete vordering (met soms ook concreet bewijsaanbod) is ingesteld. Zie voor een geval waarin geen fishing expedition werd aangenomen tijdens een aanhangige hoofdzaak: Rb. Haarlem 21 januari 2009, ECLI:NL:RBHAA:2009:BI2287. Volgens de rechtbank was het verzoek tot het doen houden van een voorlopig getuigenverhoor voldoende ingekaderd met het overleggen van de op 6 januari 2009 uitgebrachte dagvaarding in de hoofdzaak, waarin ook was aangegeven welke getuige over welke stellingen kon worden gehoord. Zie voor een geval waarin wel een fishing expedition werd aangenomen tijdens een aanhangige hoofdzaak: Hof ’s-Gravenhage 28 september 2006, ECLI:NL:GHSGR:2006:BA0222, IER 2007, 7, omdat de stellingen in de bodemprocedure berustten op speculaties en met het voorlopig getuigenverhoor werd geprobeerd alsnog feiten te vernemen ter onderbouwing van de stellingen in de bodemprocedure.
Uit de in nr. 310 gegeven omschrijvingen kunnen twee kenmerken van een fishing expedition worden gedestilleerd.1 Ten eerste ontbreekt een directe connectie tussen de gevraagde informatie en een concrete vordering en ten tweede wordt informatie gezocht die nog niet bekend is bij degene die de informatie zoekt. Als (a) geen rechtstreeks verband bestaat tussen de feiten waarover de getuigen in een voorlopig getuigenverhoor moeten worden gehoord en de concrete vordering van de verzoeker in de hoofdzaak2 (nr. 314-315) en (b) de verzoeker probeert onbekende feiten op te sporen, dan is sprake van een fishing expedition (nr. 316). Het voorlopig getuigenverhoor wordt dan een gelegenheid waarbij de verzoeker met oneigenlijke bedoelingen op goed geluk allerlei informatie van de getuigen verzamelt, in de hoop dat hij informatie aantreft die relevant is voor een procedure die hij op het moment van het voorlopig getuigenverhoor nog niet overweegt of voldoende kan omlijnen. De rechter toetst deze twee kenmerken integraal (nr. 317).