Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/5.3.2
5.3.2 Kuijpers/Valkenswaard en daarna
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685367:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
In de jurisprudentie is het arrest echter vaak ontvangen als een wijziging ten opzichte van eerdere jurisprudentie. Zie bijv. HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800, NJ 2008/553, AB 2008/529, waar na het eerste tussenarrest van het hof Kuijpers/Valkenswaard werd gewezen: in eerste instantie had het hof geoordeeld dat de mededelingen over het kunnen verrichten van activiteiten in combinatie met een uitkering niet onder de totstandkoming van het besluit vielen maar na het arrest Kuijpers/Valkenswaard heeft het in zijn eindarrest anders geoordeeld. In Kuijpers/Valkenswaard verwijst de Hoge Raad in rov. 3.4 echter naar de arresten uit de Bolsius-lijn: hij ziet dit arrest (ook) niet als een afwijking maar juist als een bevestiging van eerdere rechtspraak. Schlössels ziet Kuijpers/Valkenswaard als een nuancering van eerdere rechtspraak in zijn annotatie JB 2005/275 bij het arrest.
HR 9 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7774, NJ 2006/93, AB 2006/286 (Kuijpers/Valkenswaard), rov. 3.4. Zie voor een overzicht van toepassing van het samenhangcriterium Van der Grinten 2008 en Van Triet 2018.
A-G Spier onder 6.16.2 van zijn conclusie: dat inlichtingen los van het besluit zijn gegeven is niet beslissend. “Zelfs als daarvan sprake is, zal dat de burger niet kunnen baten wanneer hem, al met al, een voldoende effectieve bestuursrechtelijke rechtsbescherming wordt geboden.” Vgl. bijv. Rb. Den Haag 20 juni 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:7804, rov. 4.12, waarin de rechtbank overweegt dat gelet op het feit dat de mededelingen ‘rechtstreeks betrekking hebben op’ de belastingplicht, geen ruimte meer bestaat voor de civiele rechter om een oordeel over de juistheid van die mededelingen te geven.
Rov. 4.4.1 arrest van het hof. “Derhalve dient dit besluit volgens vaste rechtspraak (HR 16 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9347, NJ 1986, 723 (Heesch/Van de Akker) ook wat betreft de wijze van totstandkoming, dus eveneens wat betreft de tijdens de voorbereiding van het besluit door het bestuursorgaan verstrekte inlichtingen, als rechtmatig te worden aangemerkt.” Onder 6.12.1 door A-G Spier behandeld in zijn conclusie.
Over die zaak overweegt het hof in rov. 4.6.1-4.6.2 dat indien de definitieve beschikking afwijkt van de in de voorbereidingsprocedure door de gemeente verstrekte informatie, de gemeente in dat geval voor de geleden schade aansprakelijk is. Omdat dat niet het geval was voor Kuijpers, geldt voor hem (wel) de hoofdregel uit Heesch/Van de Akker dat het besluit ook wat betreft de wijze van totstandkoming, dus eveneens ten aanzien van de tijdens de voorbereiding van het besluit door het bestuursorgaan verstrekte inlichtingen, als rechtmatig dient te worden aangemerkt.
Zoals het hof heeft overwogen in rov. 4.4.2: “In de zaken Van Benten-De Staat en De Staat-Bolsius ging het in beide gevallen om door het bestuursorgaan verstrekte informatie die juist afweek van de later verleende vergunning en alwaar het feit dat onjuiste informatie was verstrekt aan het bestuursorgaan kon worden toegerekend.” Mok merkt in zijn annotatie NJ 2006/93 nog op dat de door Kuijpers geleden schade voor hem niet duidelijk is: de ammoniakrechten zijn niet waardeloos geworden zodat de schade niet het aankoopbedrag van die rechten zou moeten zijn.
HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4526 (Lith). Het cassatieberoep is verworpen met toepassing van art. 81 RO. Vgl. ook Hof Amsterdam 18 december 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY7111.
In zijn conclusie voor het arrest, ECLI:NL:PHR:2005:AU4526, merkt A-G Keus onder de inhoudsindicatie de verwantschap met Kuijpers/Valkenswaard eveneens op.
“[Eiseres] had immers een vergunning kunnen aanvragen zonder van de toepasselijkheid van de IAV en - in het verlengde daarvan - het ARP uit te gaan. Een dergelijke vergunning zou haar door de gemeente zijn geweigerd, tegen welke weigering [eiseres] bezwaar had kunnen maken en - indien nodig - beroep had kunnen instellen. Omdat de onjuiste uitleg van de Interimwet ammoniak en veehouderij pas achteraf is gebleken, heeft de overheid eiseres niet bewust op het verkeerde been gezet.” Zie A-G Keus, ECLI:NL:PHR:2005:AU4526, onder 1.13.
Rov. 4.7 arrest van het hof, benoemd onder 2.3 van de conclusie. Daar komt bij (onder 2.6 van de conclusie) dat de gemeente bij de voorbereiding geen eisen heeft gesteld die niet hun weerslag in de vergunning hebben gevonden. Dat duidt op de samenhang uit Kuijpers/Valkenswaard, aldus A-G Keus. De omslachtigheid van de door het hof voorgestane weg doet daaraan niet af (onder 2.9 conclusie). Onder 2.11 bestrijdt hij tot slot de opvatting van het middel dat ‘in de benadering van het hof formele rechtskracht van het uiteindelijke besluit verdere discussie over de rechtmatigheid van alle voorbereidingshandelingen zou uitsluiten’.
HR 11 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1649, NJ 2008/519, AB 2008/170 (Zandwinning Maasbommel).
In het cassatieberoep is zonder succes geklaagd over het oordeel van het hof dat geen sprake was van binding in de vorm van een bindende toezegging of een overeenkomst met de zandproducenten.
Dit gebrek aan bindingswil is het verschil met de in de volgende paragrafen te behandelen toezeggingen en bevoegdhedenovereenkomsten. Zodra sprake is van een rechtshandeling, heeft dat civielrechtelijke gevolgen die losstaan van een eventueel met de rechtshandeling samenhangend rechtmatig besluit.
Rov. 3.6.3. Zie ook rov. 3.6.1: “Het wekken van gerechtvaardigde verwachtingen, voorzover betrekking hebbend op het door bestemmingswijziging aanbaggerbaar maken van de locatie F3bMaasbommel, hangt zo zeer samen met de inhoud van het desbetreffende (van rechtswege tot stand gekomen) goedkeuringsbesluit dat dit ten opzichte daarvan een onzelfstandig karakter draagt. Indien [eiseres] c.s. wel zienswijzen tegen het concept-bestemmingsplan zouden hebben ingediend, waren zij ontvankelijk geweest in het door hen in te stellen beroep tegen de goedkeuring van rechtswege van dat plan. In die procedure hadden zij zich kunnen beroepen op de door de Provincie jegens hen gewekte verwachtingen dat Gedeputeerde Staten aan het ontwerp goedkeuring zouden onthouden.” In het algemeen wordt in rov. 3.6.1 nog opgemerkt dat de producenten professionele partijen zijn die hun eigen belangen moeten bewaken en bovendien voorzien waren van juridische bijstand.
Zo heeft het niet uitvoeren van een distributieplanologisch onderzoek (DPO) een onzelfstandig karakter ten opzichte van het besluit – een gewijzigd bestemmingsplan – omdat dit bij het aanvechten van het besluit aan de orde kan worden gesteld: HR 9 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6031 (Benzinestation Oirschot). A-G Keus heeft onder 2.3 van zijn conclusie ook aandacht voor het feit dat het ontbreken van een DPO in een bestuursrechtelijke procedure aan de orde gesteld had kunnen worden.
Rb. ’s-Gravenhage 14 januari 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BH3118; Hof ’s-Gravenhage 5 oktober 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BN9777; HR 20 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV5552, AB 2012/215 (Fabricom/Staat I); Hof Amsterdam 2 april 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:1062 en HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3073, NJ 2014/509 (Staat/Fabricom II).
Rb. ’s-Gravenhage 14 januari 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BH3118, rov. 4.1. De vraag naar rechtsmacht was dan ook ‘niet in geschil’. Zie ook de conclusie van A-G Keus bij het eerste arrest van de Hoge Raad onder 3.5: “Wat overigens zij van het causaal verband tussen de onjuiste, door de Staat gedane mededelingen en de door Fabricom vanwege het mislopen van de subsidie geleden schade, aan dat verband doet niet zonder meer af dat formele rechtskracht toekomt aan het (ook volgens Fabricom juiste) afwijzingsbesluit.”
Hetgeen Fabricom ook altijd heeft gedaan. In de schriftelijke toelichting van Fabricom in de eerste cassatieprocedure bij de Hoge Raad wordt de beslissing op bezwaar ‘niet meer dan het officiële einde van een bij voorbaat kansloze procedure’ genoemd.
HR 20 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV5552, AB 2012/215 (Fabricom/Staat I), rov. 3.5.
Hof Amsterdam 2 april 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:1062, rov. 3.6.
HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3073NJ 2014/509 (Staat/Fabricom II).
In 2005 formuleerde de Hoge Raad verdere criteria om van een besluit losstaande vermeend onrechtmatige handelingen met succes voor de civiele rechter te brengen. Dit deed de Hoge Raad in het in de inleiding van dit hoofdstuk al genoemde arrest Kuijpers/Valkenswaard.1 Kuijpers had informatie van de gemeente verkregen over de noodzaak tot aankoop van ammoniakrechten. Hij heeft de inlichting – het hebben van ammoniakrechten is een voorwaarde voor het krijgen van een vergunning – opgevolgd door ammoniakrechten te kopen en heeft vervolgens een (niet aangevochten) revisievergunning verkregen. Later bleek uit Afdelingsjurisprudentie dat de aankoopeis niet door de overheid gesteld had mogen worden. Kuijpers gaat naar de burgerlijke rechter, terwijl het besluit tot verlening van de revisievergunning formele rechtskracht had gekregen. Over de mogelijkheid van civiele overheidsaansprakelijkheid in geval van rechtmatige besluitvorming volgende op onjuiste inlichtingen overweegt de Hoge Raad:
“Het – om diverse redenen onontbeerlijke – beginsel van de formele rechtskracht zou onaanvaardbaar worden uitgehold als inlichtingen die door een overheidsorgaan aan een burger worden gegeven met het oog op een door dat overheidsorgaan te nemen besluit, steeds of in de regel aan de formele rechtskracht van dat later gevolgde besluit onttrokken zouden worden geacht. Daarom heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 2 februari 1990, nr. 13763, NJ 1993, 635 en 7 oktober 1994, nr. 15436, NJ 1997, 174, geoordeeld dat een overheidsorgaan slechts aansprakelijk kan zijn op grond van onjuiste of onvolledige inlichtingen die aan een burger zijn gegeven, vooruitlopend op een beschikking die inmiddels formele rechtskracht heeft gekregen, indien het geven van die inlichtingen onafhankelijk van de inhoud van de desbetreffende beschikking onrechtmatig is. Inlichtingen die zozeer samenhangen met het beoogde besluit, dat zij ten opzichte daarvan een onzelfstandig karakter dragen, hoezeer ook onjuist, worden in beginsel echter ‘‘gedekt’’ door de formele rechtskracht van dat besluit.”2
Het hof heeft de vordering van Kuijpers – gelet op de samenhang tussen de inlichting en het besluit – volgens de Hoge Raad op basis van dat criterium terecht afgewezen. De inlichtingen vallen door de nauwe samenhang met het besluit onder de ‘totstandkoming’ van het besluit. Kuijpers had de inlichtingen in een – weliswaar omslachtige – bestuursrechtelijke procedure aan de orde kunnen stellen, alwaar hij volgens de Hoge Raad ook succes zou hebben gehad. Er stond kortom een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open voor Kuijpers.3 Het hof wijst erop dat de vergelijking met Noord-Brabant/Janse – waarin de Hoge Raad overweegt dat de burgerlijke rechter de onrechtmatigheid en toerekenbaarheid van voorbereidingshandelingen in beginsel zelfstandig dient te beoordelen – niet opgaat, omdat het latere besluit in dat geval nu juist wél vernietigd was.4 De arresten Bolsius en Van Benten bieden volgens het hof – net als een vonnis inzake Rovers/Gemeente Uden waarop Kuijpers zich beriep5 – evenmin soelaas omdat in die gevallen de informatie afweek van het daarna genomen besluit.6
Dat oordeel blijft in stand bij de Hoge Raad. Volgens de Hoge Raad is sprake van een onlosmakelijke samenhang tussen de inlichting over de aankoop van ammoniakrechten en het besluit tot vergunningverlening nu het besluit niet afwijkt van de daaraan voorafgegane inlichtingen, dit besluit formele rechtskracht heeft gekregen en de onjuistheid van de inlichtingen aan de orde had kunnen worden gesteld in een bestuursrechtelijke procedure.
Die door de Hoge Raad gebezigde argumenten verklaren mijns inziens ook het Lith-arrest7 dat vlak na Kuijpers/Valkenswaard werd gewezen. In die zaak was net als in Kuijpers/Valkenswaard sprake van onjuiste informatieverstrekking inzake vergunningvereisten.8
Eiseres was door de gemeente bewogen tot een achteraf gebleken onnodige aankoop van ammoniakrechten. Eiseres dagvaardt de gemeente Lith en vordert dat de gemeente wordt veroordeeld tot vergoeding van de door eiseres door het besluit (namelijk een verkregen vergunning) geleden schade, onder andere bestaande uit de aankoop van ammoniakrechten. Eiseres heeft in hoger beroep haar eis gewijzigd en de grondslag van haar vordering uitgebreid, in die zin dat zij de gestelde onrechtmatigheid in hoger beroep zowel op de wijze van totstandkoming van het besluit als op dat besluit zelf baseert. Het hof overweegt dat het verwijt dat eiseres de gemeente maakt reeds tijdens de procedure tot vergunningverlening met succes aan de bestuursrechter had kunnen worden voorgelegd.9 Nu zij dat niet heeft gedaan, brengt het beginsel van formele rechtskracht van het besluit mee ‘dat van de juistheid van de door de gemeente in het kader van de voorbereiding van de vergunning verstrekte informatie moet worden uitgegaan nu door de gemeente in het onderhavige geval geen van de definitieve vergunning afwijkende inlichtingen zijn verstrekt’.10 Volgens A-G Keus heeft het hof hiermee bedoeld dat de inlichtingen daarom onzelfstandig waren van het besluit. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 RO.
In de hierboven genoemde rechtspraak waarin een onlosmakelijke samenhang werd aangenomen, vond de inhoud van de inlichting een weerslag in het daaropvolgende besluit. Een inhoudelijke conformiteit of juist discrepantie is echter niet altijd doorslaggevend. Zo kan het zijn dat hoe-wel het besluit afwijkt van de inlichting, geen ruimte bestaat voor een civiele vordering. Evenmin is het zo dat een inlichting die haar weerslag vindt in een besluit, altijd maakt dat sprake is van onlosmakelijke samenhang. Dit blijkt uit de hieronder behandelde rechtspraak.
De zaak Zandwinning Maasbommel11 illustreert het scenario waarin het genomen besluit niet correspondeert met uitlatingen die daaraan vooraf zijn gegaan, maar toch sprake is van onlosmakelijke samenhang. Producenten van industriezand waren in die zaak verwikkeld in een geschil met verschillende overheden om zandwinning mogelijk te maken. De gemeente Maas en Waal wilde wegens verzet van de bevolking een bestemmingsplan vaststellen waarin zandwinning niet mogelijk was. Gedeputeerde Staten besloten goedkeuring aan de vaststelling van dat bestemmingsplan te onthouden, maar hebben dat niet tijdig gedaan. Vervolgens heeft de provincie volgens de producenten verdere medewerking tot het alsnog mogelijk maken van zandwinning geweigerd.12 Het vastgestelde bestemmingsplan heeft formele rechtskracht gekregen. De producenten van industriezand beroepen zich in de civiele procedure op onrechtmatig zuiver feitelijk handelen van de provincie, namelijk dat de provincie ‘geheel nodeloos en onbedoeld’ het besluit om goedkeuring te onthouden te laat heeft verzonden. Dit was in strijd met een aan hen gedane toezegging van de provincie dat zij haar goedkeuring aan het bestemmingsplan zou onthouden. Het hof oordeelt onder andere dat geen sprake was van rechtshandelingen van de provincie (de provincie heeft geen verbintenisscheppende afspraken beoogd13) en dat de vordering gebaseerd op het in strijd met gewekte verwachtingen niet tijdig goedkeuring onthouden aan het bestemmingsplan afstuit op de formele rechtskracht van het bestemmingsplan.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep tegen die oordelen van het hof. De Hoge Raad overweegt ten aanzien van de formele rechtskracht dat geen sprake is van schade anders dan veroorzaakt door het besluit en dat het oordeel van het hof dat bij de bestuursrechter geklaagd had kunnen worden over de fictieve goedkeuring als zodanig bovendien niet bestreden is in cassatie.14 Voor de civiele rechter blijft dan weinig over: er is geen schade los van het besluit en de mogelijkheid bestond een bestuursrechtelijke procedure te volgen. Weliswaar was de inhoud van de verklaring anders dan het daarna genomen besluit, maar aangezien de te late toezending de directe reden is voor het besluit, is het moeilijk vol te houden dat zij niet valt onder de totstandkoming van het besluit.15 De overheidsuitlating is dan later als het ware ‘opgelost’ in het besluit.
Een fraai voorbeeld waarin wél sprake was van zelfstandige onrechtmatigheid van aan besluitvorming voorafgaande onjuiste inlichtingen, vormen de Fabricom-arresten over de afwijzing van een subsidieaanvraag.16 Omdat Fabricom niet zelf haar subsidieaanvraag deed, was zij geen belanghebbende bij de afwijzing, waardoor het afwijzende besluit jegens haar geen formele rechtskracht heeft gekregen.17 Toch kan dit arrest ook voor gevallen waarin de eiser de formele rechtskracht tegen zich moet laten gelden gezichtspunten verschaffen over zelfstandige onrechtmatigheid van inlichtingen voorafgaand aan een rechtmatig besluit. Fabricom erkende namelijk de rechtmatigheid van het besluit waarmee de subsidieaanvraag werd afgewezen.18
Fabricom was afgegaan op onjuist gebleken overheidsinformatie dat een aanvraag voor een subsidie vanaf een bepaald tijdstip geen zin meer had wegens sluiting van het subsidieloket. Het tijdstip dat werd medegedeeld (28 oktober 2005) bleek echter onjuist. Aanvragen tussen 28 oktober 2005 en 1 november 2005 zijn toen alsnog in behandeling genomen en hebben geleid tot toekenning van subsidie.
Uiteindelijk liet Fabricom door de onjuiste informatieverstrekking Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor het Technisch Installatiebedrijf (“OTIB”) te laat – namelijk pas op 3 november, terwijl zij vóór de onjuiste mededeling voornemens was dat op uiterlijk 28 oktober te doen – namens haar een subsidieaanvraag indienen. De aanvraag werd vervolgens terecht afgewezen omdat zij – ook op basis van de juridisch juiste sluitingsdatum voor een subsidieaanvraag – te laat was ingediend. Uitgaande van de rechtmatigheid van het besluit, kan Fabricom daarna met succes een civiele procedure starten op de grondslag dat zij op het verkeerde been is gezet door de inlichting en daardoor de subsidie is misgelopen. Zij vecht niet de afwijzing van de subsidieaanvraag als zodanig aan.
Ten aanzien van de onrechtmatigheid van het overheidshandelen, overweegt het hof dat het feit dat Fabricom uiteindelijk een aanvraag heeft laten indienen, betekent dat zij niet op het verkeerde been is gezet door de inlichting en dat geen sprake is van een causaal verband tussen de onjuiste inlichting en het mislopen van de subsidie. De Hoge Raad kijkt echter naar de grondslag van de vordering: uitgaande van de rechtmatigheid van het afwijzingsbesluit, berust de vordering van Fabricom op de grondslag dat zij door de onjuiste mededelingen in een positie is komen te verkeren waarin zij niet tijdig een subsidieaanvraag heeft laten doen en niet op de grondslag dat de subsidie ten onrechte is geweigerd.19 Het oordeel van het verwijzingshof dat indien de gewraakte mededelingen van de Staat achterwege zouden zijn gebleven, Fabricom wel tijdig een aanvraag zou hebben gedaan20 blijft in de daartegen gerichte tweede cassatieprocedure in stand.21