Beginsel en begrip van verdeling
Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/3.2:3.2 Van één naar twee volzinnen (GO)
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/3.2
3.2 Van één naar twee volzinnen (GO)
Documentgegevens:
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS346785:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De formulering volgens het gewijzigd ontwerp betreft de eerste fase. Zie art. 3.7.1.11 GO en art. 3.7.1.11 NvW (tevens eindtekst).
Art. 3.7.1.11 GO.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 612.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 612, 613.
NvW, Parl. Gesch. Boek 3, p. 613.
NvW, Parl. Gesch. Boek 3, p. 613.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het is in het gewijzigd ontwerp dat de eerste volzin van het verdelingsbegrip zijn definitieve redactie bereikt, terwijl bovendien aan deze eerste volzin nog een tweede volzin wordt toegevoegd. Deze tweede volzin zal een tweetal fasen doorlopen.1 De combinatie van de eerste en tweede volzin volgens het gewijzigd ontwerp luidt – voor de duidelijkheid nogmaals weergegeven – als volgt:
‘Als een verdeling wordt aangemerkt iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten, hetzij in persoon, hetzij vertegenwoordigd, medewerken en krachtens welke een of meer van hen een of meer goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen. De handeling is niet een verdeling, indien zij geschiedt ter voldoening van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld aan een of meer der deelgenoten.’2
In de memorie van antwoord aan de Tweede Kamer wordt ten aanzien van de eerste volzin en de ten opzichte van het oorspronkelijk ontwerp daarop in het gewijzigd ontwerp gepleegde wijzigingen opgemerkt dat ‘enige kleine veranderingen van redactionele aard’ zijn aangebracht.3 Daarnaast wordt in dezelfde memorie van antwoord de toevoeging van de tweede volzin op de volgende wijze verantwoord:
‘Voorts is aan het artikel een tweede zin toegevoegd om vast te stellen dat niet als een verdeling wordt beschouwd een handeling die geschiedt ter voldoening van een schuld van de gemeenschap aan een deelgenoot. Indien bijvoorbeeld een erfgenaam krachtens legaat of krachtens koopovereenkomst met de erflater recht heeft op een bepaald goed uit de nalatenschap, behoort dit goed niet tot datgene wat tussen de deelgenoten moet worden verdeeld en is met betrekking tot dit goed de verhouding tussen degeen die recht heeft op het goed en de andere erfgenamen van andere aard dan de verhouding tussen deelgenoten in een gemeenschap. Men vergelijke H.R. 17 januari 1964, N.J. 1965 no. 126, m.o. J.H.B.’4
Naar aanleiding van de redactie van de tweede volzin (GO) volgt in de literatuur een kritische bespreking daarvan. Later zal bij nota van wijziging de tweede volzin worden ‘verduidelijkt’, onder andere door uitbreiding daarvan via toevoeging van een zinsdeel aan het slot.5 Met deze aanpassingen zal ook de eindtekst van de tweede volzin worden bereikt. Over de bespreking door de literatuur van de tweede volzin (GO) – dus nog voordat onder andere de slotwoorden van de eindtekst daaraan zijn toegevoegd – vermeldt de nota van wijziging het volgende:
‘De tweede zin van dit artikel is verduidelijkt naar aanleiding van de te ruime betekenis die daaraan in de literatuur over het gewijzigd ontwerp blijkt te zijn gehecht; men zie Kleijn, WPNR 5213, blz. 170, het rapport van de broederschap, WPNR 5280, blz. 684-685 en De Bruijn-Soons-Kleijn, Het Nederlands Huwelijksvermogensrecht, 2de druk, 1972, blz. 503.’6
Naar aanleiding van het bovenstaande zal ik nu aandacht besteden aan de punten van kritiek, zoals deze ten aanzien van de tweede volzin (GO) uit de besprekingen in de literatuur naar voren komen.