Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/3.4
3.4 Tweede volzin (NvW)
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS349197:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 3.7.1.11 GO en art. 3.7.1.11 NvW.
NvW, Parl. Gesch. Boek 3, p. 613.
HR 31 mei 1963, NJ 1964, 10 m.nt. J.H. Beekhuis (Erven Van der Looy).
HR 31 mei 1963, NJ 1964, 10, p. 41.
HR 17 januari 1964, ECLI:NL:PHR:1964:AC4437, NJ 1965, 126, m.nt. J.H. Beekhuis (Schellens-Schellens II).
HR 11 april 1958, ECLI:NL:HR:1958:AG2029, NJ 1958, 302 (Schellens-Schellens I).
Zie het cassatiemiddel onder a. en d. in HR 17 januari 1964, NJ 1965, 126.
HR 17 januari 1964, NJ 1965, 126, p. 505. Een legaat als hier bedoeld werd van oudsher een prelegaat genoemd. Zie Asser/Perrick 4 2017, nr. 659, voor een historisch overzicht. De regel dat in geval van een prelegaat een mede-erfgenaam aan wie het legaat is gemaakt het geheel als legataris verkrijgt, vindt ook toepassing op het legaat tegen inbreng blijkens HR 16 april 1982, ECLI:NL:PHR:1982:AG4360, NJ 1982, 580 m.nt. W.M. Kleijn (Sanders-Sanders).
NvW, Parl. Gesch. Boek 3, p. 613.
Met de nota van wijziging wordt voor het verdelingsbegrip als geheel, dat wil zeggen de combinatie van de eerste en tweede volzin, de eindtekst bereikt. Dit was afzonderlijk bezien reeds het geval voor de eerste volzin op grond van het gewijzigd ontwerp. De combinatie van de eerste en tweede volzin (NvW tevens eindtekst) luidt als volgt:
‘Als een verdeling wordt aangemerkt iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten, hetzij in persoon, hetzij vertegenwoordigd, medewerken en krachtens welke een of meer van hen een of meer goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen. De handeling is niet een verdeling, indien zij strekt tot nakoming van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld aan een of meer deelgenoten, die niet voortspruit uit een rechtshandeling als bedoeld in de vorige zin.’1
De nota van wijziging laat de eerste volzin redactioneel ongemoeid en merkt ten aanzien van de tweede volzin op dat deze is verduidelijkt ten opzichte van redactie van het gewijzigd ontwerp. Deze verduidelijking van de tweede volzin wordt in de parlementaire geschiedenis als volgt toegelicht:
‘De tweede zin van dit artikel is verduidelijkt naar aanleiding van de te ruime betekenis die daaraan in de literatuur over het gewijzigd ontwerp blijkt te zijn gehecht; (...).
De ondergetekende wil vooropstellen dat de bepaling van de tweede zin beoogt aan te sluiten bij de huidige rechtspraak, met name bij HR 31 mei 1963, NJ 1964, 10 en 17 januari 1964, NJ 1965, 126.’2
Beide laatstbedoelde arresten hebben betrekking op de nakoming van een schuld van de nalatenschap aan een of meer erfgenamen.
In HR 31 mei 19633 gaat het om de voldoening van een vordering uit een koopovereenkomst, door de erflater bij leven gesloten met twee van zijn erfgenamen. De relevante feiten zijn als volgt. Het echtpaar Van der Looy-Vermeulen heeft bij koopakte de dato 2 mei 1955 aan twee van hun zeven kinderen verkocht een winkelhuis met aanhorigheden te Eindhoven voor de prijs van ƒ 10.000. Na het overlijden van vorenbedoeld echtpaar ontstaat er geschil over de uitvoering van de koopovereenkomst. De kopers verlangen de medewerking van de andere kinderen bij het opmaken van een transportakte. Eén van deze andere kinderen wenst medewerking te verlenen, niet echter de overige vier kinderen. De Hoge Raad overweegt ter zake:
‘(...) dat de verweerders in cassatie als erfgenamen van hun vader ieder voor zijn of haar aandeel tot nakoming van deze overeenkomst verplicht waren (…); dat het voldoen aan een vordering die een der mede-erfgenamen op den erflater had, niet oplevert een gedeeltelijke scheiding en deling (…).’4
In HR 17 januari 19645 heeft de nakoming van een schuld van de nalatenschap betrekking op een aan een erfgenaam toekomende vordering uit legaat. De feiten zijn, voor zover relevant, als volgt. Tot de nalatenschap van de weduwe Schellens-Keunen behoren 104 aandelen in L. Schellens en Co’s Trijpfabriek NV (hierna: NV) te Eindhoven. Een dag voor haar overlijden verleent de weduwe een optie tot koop aan de NV met betrekking tot 71 van de aandelen en legateert zij de 33 resterende aandelen aan dochter Maria Schellens tegen inbreng van de waarde. Na het overlijden van de weduwe wordt de koopoptie aangenomen en het legaat aanvaard, waarna op een tweetal punten dispuut ontstaat. Het eerste dispuut betreft een geschil tussen de erfgenamen en de NV. In een andere dan de onderhavige procedure tot aan de Hoge Raad komt vast te staan dat de tot de nalatenschap behorende aandelen door de erfgenamen ingevolge de statuten van de NV eerst aan aandeelhouders ter overname moesten worden aangeboden in verband met een voorkeursrecht.6 In de onderhavige zaak gaat om een dispuut tussen erfgenaam-legataris Maria Schellens en de overige erfgenamen in het kader van de uitoefening van een voorkeursrecht voor welk kader een rol speelt of en in welke mate de door Maria verkregen aandelen door haar zijn verkregen onder bijzondere of onder algemene titel. Eisers in cassatie stellen onder andere dat Maria Schellens de gelegateerde goederen verkrijgt onder algemene titel, aangezien:
‘(…) deze verkrijging, geschiedt bij scheiding, zijnde een rechtshandeling, waartoe alle deelgenoten medewerken, en die tengevolge heeft, dat een of meer hunner t.a.v. alle of van enkele goederen der gemeenschap ophouden mede-eigenaar te zijn, zodat de erfgenaam-legataris geacht wordt onmiddellijk na het overlijden van de erflater te zijn opgevolgd in de eigendom der gelegateerde zaken (…); ook al zou een kind en erfgenaam, aan wie een legaat is gemaakt, in beginsel verkrijgen onder bijzondere titel, dit althans niet geldt voor een zodanig gedeelte van de gelegateerde goederen als waartoe de begunstigde als erfgenaam, en dus onder algemene titel, reeds gerechtigd was, zijnde in het geval van M. Schellens, een onverdeeld eenvierde gedeelte (…).’7
De Hoge Raad overweegt:
‘dat (…) die zaak, ook indien aan een erfgenaam gelegateerd, niet behoort tot hetgeen tussen de erfgenamen moet worden gescheiden en gedeeld en de legataris de afgifte daarvan uit den onverdeelden boedel kan vorderen (…); dat (…) de omstandigheid dat blijkens ‘s Hofs beslissing de onderhavige 33 aandelen aan M. Schellens – voor het geheel en niet slechts voor een gedeelte – als legaat werden vermaakt, meebracht dat de desbetreffende testamentaire beschikking haar voor het geheel in de positie van een legataris heeft gesteld (…); dat zij mitsdien de haar als legaat vermaakte aandelen voor het geheel onder bijzonderen titel heeft verworven (…).’8
Ik keer terug naar de toelichting in de parlementaire geschiedenis, die vanwege het belang van de overwegingen hieronder ruim wordt weergegeven:
‘In beide arresten [HR 31 mei 1963, NJ 1964, 10 en HR 17 januari 1964, NJ 1965, 126, THS] werd aangenomen dat deze nakoming geen verdeling van de nalatenschap opleverde. Buiten twijfel is thans gesteld dat ook de tweede zin van artikel 3.7.1.11 uitsluitend zodanige gevallen buiten het verdelingsbegrip beoogt te houden. Wel een verdeling is er, wanneer een schuld als hier bedoeld wordt voldaan door inbetalinggeving (artikel 6.1.6.15) of schuldvernieuwing (bij voorbeeld afstand van de vordering tegen overbedeling van de deelgenoot-schuldeiser). Er is dan sprake van een nadere overeenkomst tussen de deelgenoten die volgens artikel 3.7.1.11 een verdeling oplevert. Zo is ook de overneming van een goed door een der deelgenoten op grond van artikel 3.7.1.7 lid 1, tweede zin, een verdeling, zoals reeds in de memorie van antwoord, laatste alinea bij dat artikel (blz. 206), werd aangestipt. Hetzelfde geldt voor de afwikkeling van een reprise bij een huwelijksgemeenschap door een overbedeling van de betreffende echtgenoot, ook als men met sommige schrijvers (De Bruijn-Soons-Kleijn, blz. 503; Klaassen-Eggens-Luijten, Huwelijksgoederenrecht, 9de druk 1973, blz. 298) van mening is dat een reprise een recht op overbedeling inhoudt. Dit recht correspondeert immers niet met een “voor rekening van de gemeenschap komende schuld”, maar veeleer met een verplichting van de overige deelgenoten tot medewerking (een doen).
De slotwoorden van de nieuwe redactie van de tweede zin zien op het geval van bij voorbeeld een verkoop door de gezamenlijke deelgenoten aan één hunner, een handeling die onder de eerste zin van artikel 3.7.1.11 valt. De tweede zin van artikel 11 omvat, zoals de slotwoorden verduidelijken, niet de nakoming van de verplichting tot levering uit deze koop[o]vereenkomst jegens de deelgenoot-koper. Ook hier is er derhalve een verdeling.
De ondergetekende vertrouwt met de thans voorgestelde tekst het verdelingsbegrip op aanvaardbare wijze te hebben omlijnd en met name het te hebben beperkt tot die gevallen waarin het gerechtvaardigd is dat de in de memorie van antwoord, derde alinea bij artikel 3.7.1.11 (blz. 215), aangehaalde bepalingen van toepassing zijn. Tevens vertrouwt hij aldus tegemoet gekomen te zijn aan de in de literatuur tegen het artikel ingebrachte bezwaren.’9
Met deze toelichting op de tweede volzin volgens de nota van wijziging en de daarmee gerealiseerde eindtekst van het gehele verdelingsbegrip, eindigt de parlementaire toelichting op de totstandkoming van art. 3.7.1.11 (thans art. 3:182 BW). Niet echter eindigt daarmee hetgeen de parlementaire geschiedenis over de betekenis van het begrip ‘verdeling’ in de zin van art. 3:182 BW heeft te melden. De laatste opmerkingen worden aangetroffen bij art. 3.7.1.14a (thans art. 3:186 BW), dat betrekking heeft op het voor de verkrijging krachtens verdeling voorgeschreven leveringsvereiste. Het is dit leveringsvereiste waarop nu nader zal worden ingegaan, om daarna aandacht te besteden aan de in de parlementaire geschiedenis opgenomen opmerkingen over de verhouding van verdeling tot levering, mede in het kader van de aan het verdelingsbegrip toe te kennen betekenis.