Beginsel en begrip van verdeling
Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/3.5:3.5 Het leveringsvereiste
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/3.5
3.5 Het leveringsvereiste
Documentgegevens:
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS344324:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3.7.1.14 lid 3 OM.
TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 618.
Art. 3.7.1.14 lid 4 OM.
TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 618.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 620: ‘Nu artikel 14 wordt beperkt tot verdelingen die door de rechter worden vastgesteld, horen deze leden daarin niet meer thuis, omdat zij ook moeten gelden voor verdelingen bij onderlinge overeenstemming.’ Zie ook: Stille 2012, nr. 8.2; Albers-Dingemans 2012, nr. 3.4; Perrick 2012, p. 641 e.v.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 620.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor een verkrijging krachtens verdeling moet het bepaalde in art. 3:182 BW worden bezien in samenhang met het bepaalde in art. 3:186 BW. Art. 3:186 BW regelt onder welke voorwaarden overgang plaatsvindt van hetgeen aan ieder van de deelgenoten is toegedeeld en bepaalt onder welke titel de deelgenoten houden hetgeen zij hebben verkregen:
‘1. Voor de overgang van het aan ieder der deelgenoten toegedeelde is een levering vereist op dezelfde wijze als voor overdracht is voorgeschreven.
2. Hetgeen een deelgenoot verkrijgt, houdt hij onder dezelfde titel als waaronder de deelgenoten dit tezamen vóór de verdeling hielden.’
Ik concentreer me op het vereiste voor overgang en het titelaspect en wend me wederom tot de parlementaire geschiedenis. Hieruit blijkt dat niet de gemelde overgang, maar overdracht het uitgangspunt was van Meijers in de formulering van zijn Ontwerp. Ik volg in kort bestek de ontwikkeling van het Ontwerp Meijers tot aan de wettekst, zoals deze thans geldt.
In zijn Ontwerp neemt Meijers een regeling op, die de voorloper is van het latere art. 3:186 lid 1 BW. Meijers formuleert in die fase in termen van overdracht in plaats van overgang:
‘De overdracht van het aan een ieder der deelgenoten toebedeelde dient te geschieden op de wijze als voor overdracht van goederen in het algemeen is voorgeschreven.’1
Meijers motiveert deze keuze met de volgende toelichting:
‘Het derde lid van het artikel [art. 3.7.1.14 lid 3 OM, vergelijkbaar met het huidige art. 3:186 lid 1 BW, THS] breekt met de zogenaamde declaratieve kracht der scheiding. Het gekozen stelsel, dat iedere rechtshandeling, waardoor de rechtstoestand van een registergoed gewijzigd wordt, uit de registers moet blijken, verzet zich er tegen, dat een verdeling anders dan een koop behandeld wordt.’2
Het derde lid van art. 3.7.1.14 Ontwerp Meijers wordt gevolgd door een vierde lid dat gelijkluidend is aan het huidige art. 3:186 lid 2 BW, waarin – ten behoeve van de lezer nogmaals weergegeven – het volgende is geregeld:
‘Hetgeen een deelgenoot verkrijgt, houdt hij onder dezelfde titel als waaronder de deelgenoten dit tezamen vóór de verdeling hielden.’3
In zijn toelichting licht Meijers het hier weergegeven titelaspect in de volgende bewoordingen toe:
‘Het enige punt, waarop in het stelsel van het ontwerp de werking van een verdeling aan een declaratieve kracht doet denken, is dat een scheiding geen verandering in de titel, krachtens welke men houdt, brengt.’4
Blijkens de parlementaire geschiedenis worden de leden 3 en 4 van art. 3.7.1.14 (thans art. 3:185 BW) uiteindelijk geplaatst in een nieuw artikel 3.7.1.14a (het latere art. 3:186 BW), omdat de werking daarvan niet beperkt mag blijven tot verdelingen door de rechter, maar de bepalingen ‘ook moeten gelden’ voor contractuele verdelingen.5
Naast de verplaatsing van de beide leden treedt ook een wijziging op in het oorspronkelijke derde lid van art. 3.7.1.14. Het woord ‘overdracht’ wordt vervangen door ‘overgang’ met het oog op het bepaalde in het oorspronkelijk vierde lid van hetzelfde artikel, het huidige art. 3:186 lid 2 BW. In de Memorie van Antwoord treffen we de volgende motivering aan:
‘Vaak zal immers de titel waaronder de deelgenoten de goederen vóór de verdeling gezamenlijk hielden en dus ieder het hem toegedeelde gaat houden, er niet een zijn strekkende tot overdracht, wel steeds tot de overgang.’6
Met de opname van deze laatste wijziging en de verplaatsing van de beide artikelleden wordt de eindtekst van het huidige art. 3:186 BW bereikt.