Executele
Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/VII.B.7.2:VII.B.7.2 De nieMwe resohitie van 3 aMgMstMs 2004, nr. CPP2004/ 1121M
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/VII.B.7.2
VII.B.7.2 De nieMwe resohitie van 3 aMgMstMs 2004, nr. CPP2004/ 1121M
Documentgegevens:
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS409366:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naar aanleiding van het in werking treden van het nieuwe erfrecht en in ver-banddaarmee aan de staatssecretaris gestelde vragen over de samenloop van successierecht met loon- of inkomstenbelasting bij erfrechtelijke verkrijgingen die het karakter hebben van een beloning voor verrichte werkzaamheden, heeft de Staatssecretaris ter beantwoording hiervan op 3 augustus 2004 een besluit uitgevaardigd. Onder het opschrift: '5. Executeurbeloningen' komt de onderhavige kwestie aan de orde. De kern is:
'De executeurbeloning kan belast zijn voor de inkomstenbelasting. Dit is zeker het geval als de executeur de executeurwerkzaamheden beroepshalve verricht. Een voorbeeld is de notaris die de nalatenschap afwikkelt. Ook als de executeur de werkzaamheden niet beroepshalve verricht kan de executeurbeloning zijn onderworpen aan de heffing van inkomstenbelasting. Dit geldt zelfs voor de executeur die erfgenaam oflegataris is.'
Men mag concluderen dat executeurbeloningen, of de werkzaamheden nu 'beroepshalve' worden uitgeoefend of niet, in de ogen van de staatssecretaris in beginsel belast kunnen worden met inkomstenbelasting. Dit is juist, mede gezien het feit dat, zoals hiervoor reeds opgemerkt, nergens gebleken is dat de wetgever heeft willen afstappen van het reeds in 1941 bestaande belastbare feit voor de inkomstenbelasting: 'het Mitvoeren van Miterste wilsbeschikkingen'. Indachtig en geïnspireerd door de hiervoor behandelde uitspraak van het Bundesfinanzhof voeg ik hier aan toe: 'zelfs voor het ''bovenmatige''gedeelte van de beloning.'
De executeur heeft immers alleen recht op het loon als hij de opdracht aanvaardt. Er is in beginsel samenhang tussen de beloning en de werkzaamheden. Daar doet de omvang van de beloning in beginsel niet aan af, afgezien van de hierboven behandelde jurisprudentie betreffende de uitleg van de ware bedoeling van erflater onder 'verdachte omstandigheden'. Erflater wil overigens ook niet het risico lopen dat de executeur de belangrijke opdracht niet aanvaardt en heeft derhalve met het oog hierop de natuurlijke neiging om goedte belonen.
Voor de heffing van de huidige inkomstenbelasting is (ook) nog steeds een oudarrest relevant, en wel HR 24 april 1940, B 7152, waarin de Hoge Raad over de dubbelrol executeur en erfgenaam - in een nalatenschap met twee gerechtigden en een executeurbeloning van ƒ 1000 - terecht leerde:
'dat belanghebbende als opbrengst der onderhavige, mede te zijnen eigenen dienste strekkende, werkzaamheid - het executeurschap - metterdaad niet ƒ 1.000, doch slechts ƒ 500 heeft genoten; dat hij toch de helft der ƒ 1.000 niet op anderen kon verhalen, doch derven moest, doordien zij te zijnen eigen laste kwam;'
Bij een economische getinte belasting, hoort ook een economisch resultaat. Door zijn mede-erfgenaamschap betaalt de executeur nu eenmaal mee aan zijn eigen beloning. Het zou dan ook niet redelijk zijn de helft die uit zijn eigen portemonnee komt in de heffing te betrekken.
Voor de heffing van inkomstenbelasting vind ik nog van belang melding te maken van het feit dat twee eerdere besluiten die indirect over de executeurbeloning handelden, in het besluit van 3 augustus 2004, worden ingetrokken, en wel met de mededeling 'dat zij hun belang verloren hebben'. Het betreft de (overigens identieke) besluiten van 13 juli 1944, nr. 3 (hierboven aangestipt en geldend voor de Wet IB 1964) en van 18 december 2000, nr. CPP2000/2723 M (Wet IB 2001), die als volgt luidden:
'De samenloop van inkomstenbelasting en successierecht brengt met zich mee dat ik goedkeur, dat aan executeurs-testamentair toegekende beloningen waarover successierecht is geheven, niet tot hun inkomen uit werk en woning worden gerekend.'
Nu deze toezegging in beginsel is ingetrokken, en aandacht is besteed aan de gevolgen van de executeurbeloning voor de inkomstenbelasting, is het thans zaak stil te staan bij de gevolgen van de beloning voor de successieheffing, waarna wij de eventuele samenloop van inkomstenbelasting en successiebelasting, mede aan de hand van gemeld besluit van 3 augustus 2004, onder de loep kunnen nemen.