Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen
Einde inhoudsopgave
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/9.6.3:9.6.3 Relevantie van onderliggende besluitvorming
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/9.6.3
9.6.3 Relevantie van onderliggende besluitvorming
Documentgegevens:
mr. R.A.F. Timmermans, datum 01-10-2017
- Datum
01-10-2017
- Auteur
mr. R.A.F. Timmermans
- JCDI
JCDI:ADS351951:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Het adagium “onder druk wordt het ondernemingsrecht vloeibaar”, zoals verwoord door Timmerman, Ondernemingsrecht in tijden van crisis 2014, p. 145, dringt zich op.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 9.5.2 onder a schreef ik dat de aan de optie ten grondslag liggende besluitvorming – het aanwijzingsbesluit van de algemene vergadering en het optieverleningsbesluit van het vennootschapsbestuur – zo algemeen mogelijk geformuleerd zou moeten worden. Zo’n formulering maakt het mogelijk dat uitoefening van de optie in een zo groot mogelijk aantal gevallen kan plaatsvinden. Verder meen ik dat verdedigbaar is dat indien het delegatiebesluit de aanwijzing expliciet beperkt tot een vijandige overname en/of een ongewenste concentratie van stemmenmacht, het onder bijzondere omstandigheden mogelijk zou moeten zijn dat de stichting de optie uitoefent in een andere situatie dan waarin het besluit voorziet. Ik denk dan aan de in paragraaf 9.6.1. genoemde acute noodsituatie waarin de vennootschap verkeert. Als het bestuur van de stichting op goede gronden kan aantonen dat uitoefening van de optie noodzakelijk is om een ondergang van de vennootschap te voorkomen en daarmee in het belang is van alle stakeholders en er evenmin realistische en minder bezwarende alternatieven voorhanden zijn, dan acht ik niet bij voorbaat uitgesloten dat de stichting de optie uitoefent. Niet zozeer de inhoud van de besluitvorming rondom de optieverlening, maar de omstandigheden van het geval en het specifieke doel waarvoor de bevoegdheid wordt aangewend, zijn relevant.1
Omdat in de in deze paragraaf 9.6 beschreven situaties geen sprake is van een aankondiging van een openbaar bod, zal de stichting in ieder geval niet over overwegende zeggenschap mogen beschikken, wil zij verstoken blijven van de biedplicht. De kans op goedkeuring door de algemene vergadering zal met de positieve stem van de stichting in ieder geval worden vergroot.