Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/6.5.2
6.5.2 Type 2: Verkeersopvattingen
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713232:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Verheij 2023/2.17.4.
Sieburgh 2000, p. 219 e.v.; Asser/Sieburgh 6-IV 2019/123.
Zie over de kwalitatieve aansprakelijkheden als inspiratiebron voor de concretisering van de verkeersopvattingen ook: Verheij 2023/2.17.4.
Sieburgh 2000, p. 220 e.v.; Asser/Sieburgh 6-IV 2019/123.
Sieburgh 2000, p. 222.
Sieburgh 2000, p. 224.
Sieburgh, AA 2001/3, p. 188-189.
Sieburgh 2000, p. 224.
Zie over dit strafrechtelijke begrip ook: Knol & Wolswijk, WPNR 2019/7251.
HR 11 oktober 1991, NJ 1993/165 (Staat en Van Hilten/M.), r.o. 3.3.
Fruytier 2021/768, p. 373, met verdere verwijzingen.
HR 12 juni 1992, NJ 1993/113, m.nt. C.J.H. Brunner (Bedrijfsvereniging/Boulogne).
HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1750, NJ 2016/275, m.nt. J.S. Kortmann (Windpark Zeeland/Delta).
HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1750, NJ 2016/275, m.nt. J.S. Kortmann (Windpark Zeeland/Delta), r.o. 3.8.2. Zie hierover ook: Jansen, in: GS Onrechtmatige daad. 6:162 BW, aant. 11.2.1 (online, laatst bijgewerkt: 1 december 2020).
Zie over deze deskundigheid ook: Asser/Sieburgh 6-IV 2019/124.
Art. 6:162 lid 3 BW bepaalt dat een onrechtmatige daad niet alleen is toe te rekenen aan de dader als de daad aan zijn schuld is te wijten, maar ook als de onrechtmatige daad krachtens de verkeersopvattingen voor zijn risico komt. In dat laatste geval is sprake van toerekening op grond van risico.1 De verkeersopvatting is een open norm die nadere concretisering behoeft. Sieburgh heeft in haar dissertatie aansluiting gezocht bij het wettelijk systeem en de grondslagen van de in de wet geregelde gevallen.2 Zij heeft daarbij met name gekeken naar de aansprakelijkheid voor een verwijtbare onrechtmatige gedraging en naar de kwalitatieve aansprakelijkheden uit afdeling 6.3.2, die een voorbeeld vormen van toerekening buiten schuld.3 Zij concludeerde dat de toerekenbaarheid op grond van deze wettelijke regelingen berustte op ‘de persoonlijke kenmerken of de hoedanigheid van de dader en/of op de aard van zijn gedraging.’4 Ik richt me in deze paragraaf op het eerstgenoemde gezichtspunt: de hoedanigheid van partijen. Sieburgh verstaat onder de hoedanigheid van partijen de maatschappelijke positie en deskundigheid van de dader.5 Waar de persoonseigenschappen van de dader van belang zijn voor de beoordeling van schuld, kunnen volgens haar ‘factoren die zijn hoedanigheid bepalen, van invloed zijn op de inhoud van de verkeersopvattingen.’6 Sieburgh schrijft:7
“Naarmate de dader maatschappelijk gezien een krachtiger positie inneemt, relevante deskundigheid bezit of namens een collectief optreedt, zal een gedraging hem sneller krachtens verkeersopvatting zijn toe te rekenen dan een privépersoon die niet een voor de handeling relevante bijzondere maatschappelijke positie heeft.”
Het is mogelijk dat een dader van een onrechtmatige gedraging zich voordoet als deskundige of handelt in de uitoefening van een bedrijf, maar niet beschikt over de daarvoor vereiste kennis en kunde. In dat geval kan de onrechtmatige gedraging niet toegerekend worden krachtens schuld, maar kan de gedraging vanwege deze hoedanigheid wel krachtens verkeersopvatting voor zijn rekening komen.8
Exemplarisch is het geval van de verontschuldigbare rechtsdwaling van het overheidslichaam. In een geval van verontschuldigbare rechtsdwaling (‘de verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging’),9 kan de onrechtmatige gedraging niet op grond van schuld worden toegerekend. Toch kan de hoedanigheid van overheidslichaam ervoor zorgen dat de onrechtmatige gedraging krachtens de verkeersopvattingen voor rekening van het overheidslichaam komt.10 In het besluitenaansprakelijkheidsrecht is iets vergelijkbaars te zien. Bij de vernietiging van een besluit door de bestuursrechter is de toerekenbaarheid in beginsel gegeven, omdat ‘wij van het overheidslichaam mogen verwachten dat het conform het recht handelt.’11
De onrechtmatigheid van het nemen van een onjuiste beslissing over een arbeidsongeschiktheidsuitkering door een bedrijfsvereniging kan volgens de Hoge Raad krachtens de verkeersopvattingen worden toegerekend. Het is volgens de Hoge Raad redelijker om de schade voor rekening te laten komen van een collectiviteit zoals de bedrijfsvereniging, dan voor rekening van een individuele burger.12 In de overweging van de Hoge Raad is aldus de gedachte terug te zien dat sommige laedentes beschikken over betere mogelijkheden om de risico’s te spreiden. Vergelijkbaar is de zaak Windpark Zeeland/Delta.13 Netbeheerder Delta had onrechtmatig gehandeld door een offerte voor het aansluiten van Windpark Zeeland op het elektriciteitsnet af te geven, die in strijd was met de Elektriciteitswet 1998. Dit had de Nederlandse Mededingingsautoriteit beslist. Het hof oordeelde dat deze onrechtmatige gedraging niet toerekenbaar was wegens schuld, omdat de beslissing van de Nederlandse Mededingingsautoriteit een ‘onvoorziene en onvoorzienbare wending van de rechtspraak’ was. De Hoge Raad casseerde en oordeelde dat de onrechtmatige gedraging wel op grond van de verkeersopvatting voor rekening van Delta moest komen. De Hoge Raad motiveerde dit met de verwijzing naar de monopoliepositie van Delta als enig netbeheerder in Zeeland.14
Tot slot zijn er de gevallen dat de onrechtmatige gedraging niet kan worden toegerekend aan de laedens vanwege diens onervarenheid, maar wel krachtens verkeersopvatting voor zijn rekening komt. Dit is het klassieke geval van de beginnende arts die een beroepsfout maakt. De toerekening vindt dan haar rechtvaardiging in het vertrouwen dat een bepaalde positie bij derden oproept en de deskundigheid die daarbij aanwezig wordt geacht.15