Grenzen van het strafrecht in de voorfase
Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/1.6:1.6 Structuur
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/1.6
1.6 Structuur
Documentgegevens:
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715510:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hierna worden in vier hoofdstukken steeds per beginsel de grenzen van strafbaarheid in de voorfase geanalyseerd. Er is daarbij gekozen de omgekeerde volgorde aan te houden van die waarop hiervoor in §1.2.1 de Latijnse adagia zijn gepresenteerd. Daarvoor is gekozen omdat ieder beginsel op die manier steeds een nadere beperking aanbrengt op het voorgaande beginsel. Allereerst rijst zodoende de vraag of voorfasehandelingen wel gedragingen kunnen zijn in het licht van het daadstrafrechtbeginsel (hoofdstuk 2) en, zo ja, of die gedragingen ook strafwaardig zijn met het oog op het wederrechtelijkheidsbeginsel (hoofdstuk 3). Als dat het geval is, moet worden vastgesteld of ter bestrijding van voorfasehandelingen de inzet van het strafrecht op zijn plaats is, gelet op het ultimum remedium-beginsel (hoofdstuk 4) en, als ook dat het geval is, of de strafbepalingen voldoende helder kunnen worden geformuleerd, zoals het lex certa-beginsel voorschrijft (hoofdstuk 5). Ieder beginsel wordt daarbij steeds belicht vanuit liberaal, communitaristisch en functionalistisch oogpunt, zoals bedoeld in §1.4. Tot slot zal op basis van alle voorgaande hoofdstukken een overkoepelende conclusie worden getrokken met betrekking tot de grenzen van het strafrecht in de voorfase. Deze worden aangevuld met een aantal meer algemene reflecties op de rol die de genoemde perspectieven kunnen spelen bij de interpretatie van strafrechtelijke beginselen (hoofdstuk 6).