Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/315
315 Aanwijzing geen direct verband: onbegrensd feitencomplex
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS452244:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
Uiteraard binnen de grenzen van HR 19 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0878, NJ 1994, 345, m.nt. H.J. Snijders (Van de Ven/Pierik), zie hieronder. Vgl. ook HR 11 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC1916, NJ 1988, 747, m.nt. W.H. Heemskerk (SOBI/Hollandia-Kloos), in welke zaak de onbegrensdheid en vaagheid van de feitelijkheden een doorslaggevende rol speelde in de belangenafweging.
HR 24 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR4980. A-G Huydecoper noemt dit in zijn conclusie een “exemplarisch geval” en constateert dat een geval “dat zó beeldend appelleert aan de kwalificatie ‘fishing expedition’” een zeldzaamheid is.
Rb. ’s-Hertogenbosch 16 februari 1972, ECLI:NL:RBSHE:1972:AB4989, NJ 1972, 441.
Hof Den Haag 28 augustus 2013, ELCI:NL:GHDHA:2013:3747.
In Rb. Amsterdam (ktr) 23 juli 2003, ECLI:NL:RBAMS:2003:AQ8886, NJF 2003, 48 was daarom niet zozeer het aantal te horen getuigen (twaalf, waarvan acht woonachtig in het buitenland) op zichzelf reden voor afwijzing van het verzoek, maar in combinatie met het omvangrijke en onbegrensde feitencomplex wel. In Rb. Rotterdam 10 januari 2008, ECLI:NL:RBROT:2008:BC1641, JBPr 2008, 50, m.nt. H.L.G. Wieten en NJF 2008, 153 oordeelde de rechtbank dat een fishing expedition niet kon worden aangenomen omdat zowel de vordering als de daarop ziende feiten voldoende waren omschreven. In Rb. Rotterdam 27 mei 2008, ECLI:NL:RBROT:2008:BD7456 werd een groot aantal vragen gesteld, maar alle vragen zagen op de gang van zaken rondom een aantal overeenkomsten, waarbij mogelijk onrechtmatig was gehandeld. Er bestond dus een relatie tussen alle te bewijzen feiten en de vordering in de hoofdzaak. Ook in Rb. ’s-Gravenhage 10 juni 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BM7506 – een zaak waarin de verzoeker wilde aantonen dat Trots op Nederland jegens hem onrechtmatig had gehandeld door de inhoud van een aangifte jegens hem in de publiciteit te brengen – werd geoordeeld dat geen sprake was van een fishing expedition: de feiten waren voldoende concreet (achterhalen op welke wijze de inhoud van de aangifte naar de media was uitgelekt) en er bestond een relatie tussen die feiten en het gestelde onrechtmatig handelen.
Een aanwijzing voor de afwezigheid van een directe band tussen de te bewijzen feiten en de beoogde vordering in de hoofdzaak bestaat als het feitencomplex waarover de getuigen moeten worden ondervraagd onbegrensd (ongebreideld, oeverloos) is. Immers, als de verzoeker een concrete vordering heeft, dan kan hij ook, in ieder geval globaal, aangeven welke feiten voor het bewijs daarvan relevant zijn.1 Als precisering van de feiten naar tijd, plaats, activiteit en verdere omstandigheden (vrijwel) ontbreekt, dan is dat een aanwijzing voor een fishing expedition. Een geval waarin iedere begrenzing ontbrak, is het volgende. De verzoeker had – zo samengevat door de A-G – gevraagd om “alles wat ook maar enig verband houdt met de opslag en/of inzet van kernwapens in - enig - verband met de vliegbasis Volkel, en (alle) overige aspecten van denkbare ongelukken met en/of de inzet van kernwapens in of vanuit Nederland” te onderzoeken.2 Een ander sprekend voorbeeld is een zaak waarin een verzoeker wilde bewijzen “dat gereq. op onrechtmatige wijze, rechtstreeks of door tussenkomst van een of meer derden, al dan niet tegen beloning in enigerlei vorm, strikt geheime tekeningen en/of andere gegevens betreffende door verzoekster ontwikkelde en/of aan haar toevertrouwde constructies, in het bijzonder op het gebied van de verwerking van pluimvee, heeft verworven en/of tracht te verwerven.”3 Ten slotte een zaak waarin de verzoekster in haar beroepschrift niet het onderwerp van geschil had vermeld (hoewel het hof dat kon afleiden uit de stukken) en niet een duidelijke omschrijving van de feiten die zij wilde bewijzen had gegeven en haar beroepschrift had afgesloten met het volgende petitum: “Verzoekt de vrouw uw hof toe te laten deze getuigen te horen ten einde relevante feiten vast te kunnen stellen in de vorm van getuigenbewijs.”4
Het bovenstaande betekent niet dat in een voorlopig getuigenverhoor niet een groot aantal feiten kan worden onderzocht, maar wel dat alle feiten direct betrekking moeten hebben op de kern van de hoofdzaak.5 De verzoeker moet aangeven welke feiten hij ten behoeve van welke vordering wil bewijzen en hij behoort niet meer feiten te willen onderzoeken dan noodzakelijk is voor de vordering in de hoofdzaak.