Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/7.2.2
7.2.2 Handhaving ter voorkoming van toekomstige aantastingen
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS448750:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragrafen 4.2.4.1 tot en met 4.2.4.3.
Zie over het arrest-Öneryildiz/Turkije in relatie tot een verplichting tot handhaving ook bijvoorbeeld Barkhuysen en Van Emmerik 2005, Neerhof 2007, p. 194-196 en Albers en Heinen 2008, p. 676.
Zie over deze ‘margin of appreciation’ paragraaf 4.4.
Zie hoofdstuk 3.
Zie paragraaf 3.2.2.
Zie paragraaf 3.2.7.3.
Het is mij niet bekend of het EHRM zich deze paradoxale situatie realiseert en, zo ja, wat de ratio van die situatie is. Wellicht is de ratio simpelweg gelegen in het voorkomen van een te groot beslag op de (financiële en personele) middelen van de overheid.
Uit de rechtspraak van het ehrm kan voor de overheid geen algemene plicht afgeleid worden om handhavend op te treden tegen elke overtreding van omgevingsgerelateerde regelgeving die (mede) ter bescherming van het leven is uitgevaardigd. De overheid is immers alleen verplicht om concrete handelingen (zoals handhavend optreden) ter voorkoming van toekomstige aantastingen van het leven te verrichten, indien de overheid weet of behoort te weten van een reëel en onmiddellijk gevaar voor het leven.1
Vooral het vereiste van een reëel en onmiddellijk gevaar is voor het aannemen van een algemeen recht op handhaving van regelgeving die (mede) ter bescherming van het leven is uitgevaardigd, problematisch. In de praktijk zal immers lang niet bij elke overtreding van die regelgeving ook sprake zijn van zo’n gevaar voor iemands leven. Illustratief is in dit verband de ontvankelijkheidsbeslissing in de zaak-Fadeyeva/Rusland, die is besproken in paragraaf 4.2.2.5. In die zaak was sprake van ernstige luchtvervuiling door een staalfabriek. In de lucht bij de woning van Fadeyeva werden concentraties van verschillende gevaarlijke stoffen gemeten die de door de Russische milieuregelgeving in bewoonde gebieden toegestane maxima ver overschreden. Fadeyeva klaagde onder andere onder artikel 2evrm dat de luchtvervuiling haar gezondheid en leven bedreigde. Volgens het ehrm leverde de ernstige luchtvervuiling echter geen reëel en onmiddellijk gevaar voor haar lichamelijke integriteit of haar leven op. Daarom was geen sprake van een schending van artikel 2 evrm.2 Een voorbeeld van een arrest waarin het ehrm oordeelde dat de positieve verplichtingen onder artikel 2 evrm wel met zich brachten dat handhavend opgetreden moest worden is het arrest-Öneryildiz/ Turkije, dat is besproken in paragraaf 4.2.2.2. In deze zaak woonde Öneryildiz in een sloppenwijk naast een vuilnisbelt die niet aan de veiligheidsvoorschriften ten aanzien van de gecontroleerde afvoer van methaangas voldeed. Volgens het ehrm was daarom sprake van een reëel en onmiddellijk gevaar voor de lichamelijke integriteit en/of het leven van de omwonenden van de vuilnisbelt. Het ehrm oordeelde dat de Turkse overheid haar positieve verplichting om beschermende concrete handelingen te verrichten had geschonden, omdat de installatie van een ventilatiesysteem voor de gecontroleerde afvoer van het in de vuilnisbelt gevormde gas een effectieve maatregel ter bescherming van de omwonenden zou zijn geweest en de vuilnisbelt bovendien (meer) in overeenstemming zou hebben gebracht met de nationale veiligheidsvoorschriften.3
Een andere reden waarom uit artikel 2evrm geen algemene plicht afgeleid kan worden om handhavend op te treden tegen overtredingen is mogelijk dat – indien de voorkoming van een aantasting van een door artikel 2 evrm beschermd belang door middel van verschillende concrete handelingen kan plaatsvinden – de nationale autoriteiten een ‘margin of appreciation’ hebben bij de keuze met welke concrete handeling(en) zij die aantasting (trachten te) voorkomen.4 Indien de aantasting derhalve voorkomen kan worden door een andere concrete handeling dan handhavend optreden tegen een overtreding, lijkt dat dan ook in beginsel toegestaan en lijkt handhavend optreden niet op grond van artikel 2 evrm afgedwongen te kunnen worden. Mijns inziens is dat echter anders, als die andere concrete handeling voor degene die aan het door de overtreding veroorzaakte gevaar blootstaat belastender is dan handhavend optreden tegen de overtreder. Het is immers in de regel niet redelijk en aanvaardbaar het gevaar te voorkomen door de overtreder te ontzien en degene die aan het gevaar blootstaat daardoor te belasten.
Gezien het voorgaande kan mijns inziens geconcludeerd worden dat bij overtredingen van omgevingsgerelateerde regelgeving die (mede) ter bescherming van het leven is uitgevaardigd, lang niet altijd met succes met een beroep op de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten ter bescherming van de door artikel 2evrm beschermde belangen handhavend optreden tegen die overtredingen afgedwongen kan worden. De vraag of op grond van artikel 2 evrm handhavend opgetreden moet worden, is geen andere dan de vraag of de overheid op grond van haar positieve verplichting concrete handelingen moet verrichten ter voorkoming van toekomstige aantastingen van de door artikel 2 evrm beschermde belangen. De vraag of de overheid handhavend moet optreden moet daarom naar mijn oordeel gewoon beantwoord worden op basis van de in paragraaf 4.2.4 besproken criteria die gelden voor de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten.
Tot slot is van belang op te merken dat deze conclusie een enigszins paradoxale situatie oplevert. Enerzijds is de overheid immers op grond van haar positieve verplichtingen verplicht omgevingsgerelateerde regelgeving uit te vaardigen ter bescherming van de door artikel 2evrm beschermde belangen.5 Deze verplichting geldt reeds, indien het recht op leven bij een activiteit (en/of in een situatie) mogelijk op het spel staat.6 Zij geldt dus (logischerwijs) niet pas, zodra sprake is van een reëel en onmiddellijk gevaar.7 Anderzijds kan van een positieve verplichting tot handhavend optreden tegen overtredingen van die regelgeving pas sprake zijn, indien er een reëel en onmiddellijk gevaar voor het leven bestaat. Aldus kan het voorkomen dat de overheid op grond van haar positieve verplichtingen niet verplicht is handhavend op te treden tegen overtredingen van de omgevingsgerelateerde regelgeving die zij op grond van haar positieve verplichting om regelgeving uit te vaardigen moest uitvaardigen.8