Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/3.6.1
3.6.1 Tuchtrechtspraak
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859294:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
KvN Amsterdam 14 november 2019, ECLI:NL:TNORAMS:2019:23, zaaknummer 665626 /NT 19-23. De kern van deze paragraaf is eerder verschenen: De Vries, TE 2021/01, p. 12-17. Zie over de civiele procedure die later is gevolgd par. 2.2.3.6 en 2.7.7.
Rb. Maastricht 26 september 2012, ECLI:NL:RBMAA:2012:BX9399. Zie nader over deze uitspraak par. 2.3.4 en 2.7.3.
Rb. Midden-Nederland 1 augustus 2018, zaaknummer NL18.2127.
Zie over de uitspraak uit 1976 nader par. 1.6.1.1.
Zie daarover nader par. 2.2.3.5.
Zie daarover nader par. 2.2.3.5.
Zie hierover ook par. 2.2.3.6. In deze paragraaf is tevens beargumenteerd dat een wetswijziging hier op zijn plaats is.
Een voorbeeld waarin een notaris een verkeerde conclusie heeft getrokken in de verklaring van erfrecht, betreft een uitspraak van de KvN Amsterdam van 14 november 2019.1 De notaris is te lichtvaardig tot onwaardigheid gekomen.
Klager is in maart 2013 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met erflaatster. Erflaatster is op 31 maart 2015 zonder achterlating van een testament overleden. Ten tijde van haar overlijden zijn haar ouders reeds overleden. Erflaatster laat, naast een echtgenoot, een broer achter.
Erflaatster is geen natuurlijke dood gestorven. In de strafrechtelijke procedure in eerste aanleg heeft de Rechtbank Gelderland op 10 februari 2016 bewezen verklaard dat klager erflaatster opzettelijk van het leven heeft beroofd. Klager heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag. Klager lijdt aan een ziekelijke stoornis waardoor de doodslag hem niet kan worden toegerekend. Klager is daarom niet strafbaar, zodat de rechtbank hem heeft ontslagen van alle rechtsvervolging, onder oplegging van de maatregel van tbs. In hoger beroep heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 10 november 2016 het strafvonnis van de rechtbank bevestigd. Een hiertegen ingesteld cassatieberoep is vervolgens ingetrokken, zodat de uitspraak onherroepelijk is geworden.
Gedurende de loop van de strafrechtelijke procedure heeft de broer van erflaatster haar nalatenschap op 8 november 2016 beneficiair aanvaard. Na afloop van het strafproces heeft de notaris op 5 september 2017 op verzoek van de broer van erflaatster een verklaring van erfrecht opgemaakt. De notaris concludeert hierin dat klager op grond van artikel 4:3 BW onwaardig is en verwijst hiervoor naar de onherroepelijke strafrechtelijke uitspraak. De broer is volgens de notaris de enige en algehele erfgenaam van erflaatster.
Klager verwijt de notaris dat hij een onjuiste verklaring van erfrecht heeft opgemaakt, waarin klager ten onrechte is bestempeld als onwaardige erfgenaam in de nalatenschap van erflaatster en haar broer ten onrechte als haar erfgenaam. Ter onderbouwing van zijn stellingen verwijst klager naar een uitspraak van de Rechtbank Maastricht van 26 september 20122 en naar een ongepubliceerde uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 1 augustus 2018.3 In de zaak van de Rechtbank Maastricht is van een veroordeling geen sprake. Aan de dader is in Duitsland een maatregel opgelegd van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis. Uit de klacht volgt dat in de niet-gepubliceerde uitspraak is overwogen dat ontslag van alle rechtsvervolging en het opleggen van een tbs-maatregel niet gelijk is te stellen met een onherroepelijke veroordeling in de zin van artikel 4:3 lid 1 BW. Klager is niet strafrechtelijk veroordeeld, maar ontslagen van alle rechtsvervolging. Artikel 4:3 lid 1 BW is volgens hem daarom niet van toepassing. Van onwaardigheid is geen sprake, aldus klager.
De KvN oordeelt dat klager niet strafrechtelijk is veroordeeld, maar ontslagen van alle rechtsvervolging. Klager beroept zich daarbij op jurisprudentie die een bestendiging is van de lijn die in de rechtspraak is ingezet in het arrest van het Hof Amsterdam van 13 mei 1976, ECLI:NL:GHAMS:1976:AC3027, NJ 1977/213 en waarvan in ieder geval bij de invoering van het huidige erfrecht in 2003 kennelijk geen afwijking is beoogd en waarvan nadien ook geen sprake is van eenduidige jurisprudentie waarin het vereiste van een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling opzij is gezet, aldus de KvN.4 De notaris mocht er dus niet van uitgaan dat sprake was van onwaardigheid.
Ter zitting heeft de notaris nog aangevoerd dat hij zich ten tijde van het afgeven van de verklaring van erfrecht wel degelijk heeft gerealiseerd dat de feitelijke situatie niet in overeenstemming was met artikel 4:3 BW, maar dat hij na een zorgvuldige afweging gemeend heeft de verklaring van erfrecht zoals opgesteld, te kunnen afgeven. Voor de notaris was daarbij de uitspraak van het EHRM over de Roemeense erflater doorslaggevend.5
De KvN merkt met juistheid op dat de notaris er hiermee ten onrechte aan voorbij gaat dat dit specifieke geval waarin het EHRM bepaalde dat niet onder alle omstandigheden een strafrechtelijke veroordeling kan worden geëist een wezenlijk ander geval betrof. Bij de zaak van de Roemeense erflater kon geen strafrechtelijke vervolging plaatsvinden omdat de dader kort na de moord zelfmoord had gepleegd. Op basis van deze uitspraak had de notaris volgens de KvN er niet op mogen vertrouwen dat naar geldend Nederlands recht het vereiste van een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling, in weerwil van de duidelijke en recente wetsbepaling, niet meer van toepassing is. Er is sprake van een onmiskenbare fout en de kamer acht die fout tuchtrechtelijk verwijtbaar.
De kamer tekent daarbij aan dat voor gegrondheid van de klacht voldoende is dat voor de notaris onmogelijk kon vaststaan dat sprake is van onwaardigheid. Of daarvan (uiteindelijk) toch sprake is, is niet aan de kamer om vast te stellen. Dat betekent ook, dat indien de notaris van mening was dat de broer van erflaatster zich op goede gronden op het standpunt stelde dat, in weerwil van de wettekst en de stand van de jurisprudentie, sprake was van onwaardigheid bij klager om te erven van erflaatster, hij de broer van erflaatster naar de civiele rechter had moeten verwijzen om een procedure tegen klager te starten en in ieder geval zich had moeten onthouden van het afgeven van de onderhavige verklaring van erfrecht, aldus de KvN. Voor de evidente beroepsfout wordt de maatregel van een waarschuwing opgelegd.
Klager is ontslagen van alle rechtsvervolging, zodat de KvN terecht tot de conclusie komt dat op grond van de wettekst geen sprake is van onwaardigheid. Aan de voorwaarden van artikel 4:3 lid 1 sub a BW wordt niet voldaan. In hoofdstuk 2 is naar voren gekomen dat de uitspraak over de Roemeense erflater van het EHRM deze eis in bepaalde gevallen aan het wankelen brengt.6 De notaris in onderhavige zaak baseert zich op deze uitspraak en concludeert dat in de situatie van klager geen onherroepelijke veroordeling noodzakelijk is om van onwaardigheid te kunnen spreken. Deze conclusie kan de toets der kritiek niet doorstaan volgens de KvN, nu de situatie van klager wezenlijk afwijkt van het geval dat voorlag bij het EHRM.
In de zaak van de Roemeense erflater oordeelt het EHRM dat als bepalingen met betrekking tot onwaardigheid in de nationale wetgeving zijn opgenomen, deze moeten worden toegepast op een wijze die verenigbaar is met hun bedoeling. In het geval van de Roemeense erflater is er geen strafrechtelijke uitspraak gevolgd, omdat de dader zelfmoord heeft gepleegd. Er bestond echter geen enkele twijfel over de schuld van de dader. De eis van een onherroepelijke veroordeling, die in beginsel bijdraagt aan het waarborgen van rechtszekerheid, moet daarom in dat geval niet gesteld worden.
Deze uitspraak van het EHRM brengt niet mee, zoals de KvN terecht opmerkt, dat de eis van een onherroepelijke veroordeling in artikel 4:3 lid 1 sub a BW geheel is komen te vervallen. In het geval van klager staat weliswaar vast dat hij erflaatster van het leven heeft beroofd, maar tevens staat vast dat hij daarvoor strafrechtelijk niet aansprakelijk kan worden gehouden. Klager is in de strafrechtelijke procedure ontslagen van alle rechtsvervolging. Door klager in dat geval onwaardig te verklaren ontstaat een situatie dat artikel 4:3 BW juist niet wordt uitgelegd overeenkomstig zijn bedoeling. De wetgever heeft immers niet gewild dat personen onwaardig worden indien hun gedraging strafrechtelijk niet tot een veroordeling leidt.7 De situatie van klager is derhalve niet gelijk aan de situatie van de Roemeense erflater. In dit geval ligt er een strafrechtelijke uitspraak en die uitspraak vormt de basis voor het oordeel dat bij klager van onwaardigheid geen sprake is. De notaris had daarom niet onder verwijzing naar de uitspraak van het EHRM tot onwaardigheid kunnen concluderen.
In paragraaf 2.7 is naar voren gekomen dat als een gedraging niet aan een van de omschrijvingen van artikel 4:3 lid 1 BW voldoet, de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid kan meebrengen dat geen voordeel kan worden verkregen uit een nalatenschap. Een conclusie inhoudende dat er geen sprake is van onwaardigheid, maar de erfrechtelijke verkrijger desondanks niet in de nalatenschap mag opkomen op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid, mag een notaris mijns inziens niet opnemen in een verklaring van erfrecht, tenzij hier evident sprake van is. Bijvoorbeeld omdat er vaste rechtspraak bestaat over een exact gelijkluidende kwestie. Een afwijking op grond van de redelijkheid en billijkheid is immers uitzonderlijk en hangt zeer af van de feiten en omstandigheden van het geval. Anderzijds geldt dan dat in een geval dat een onwaardige oppert op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid wel voordeel te mogen trekken uit de nalatenschap, de notaris dus niet snel zijn ministerie mag weigeren aan de overige erfgenamen en behoort hij van de onwaardigheid uit te gaan.
Overigens blijkt uit het voorgaande dat de notaris in een verklaring van erfrecht tot een conclusie kan komen die afwijkt van de wet in die zin dat er ondanks dat er niet aan de letterlijke wettekst wordt voldaan, wel sprake is van onwaardigheid, mits deze conclusie goed onderbouwd en verdedigbaar is. In onderhavige kwestie schort het daaraan. De notaris vaart op rechtspraak die niet is toegesneden op de situatie van klager. Een verdere onderbouwing van het standpunt van de notaris ontbreekt.