Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/5.3.1.0
Introductie
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS343134:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Voor een aantal incourante onroerende zaken was waardering op gecorrigeerde vervangingswaarde verplicht. Zie in dit verband art. 273, vijfde lid Gemeentewet (tekst tot 1 januari 1995). Het betrof hier onder meer openbare nutswerken, rioolwaterzuiveringsinstallaties, mijnen, scholen en ziekenhuizen.
J.P. Kruimel, Theorie en praktijk van de gemeentelijke onroerende-zaakbelastingen, FED Fiscale Studiereeks nr. 20, 3e druk 1993, FED, Deventer, blz. 157.
Naar aanleiding van HR 27 januari 1988, nr. 24 967, Belastingblad 1988, blz. 188, BNB 1988/ 107 is deze redelijke verhouding uitgelegd als:a. de marktwaarde bedraagt niet minder dan 50% van de gecorrigeerde vervangingswaarde; b. de marktwaarde bedraagt niet meer dan 150% van de gecorrigeerde vervangingswaarde.
Zie ook Kruimel, t.a.p., blz. 158.
Zie in dit verband HR 19 juli 1996, nr. 29 920 na conclusie A-G Moltmaker, BNB 1996/316 met noot van G.J. van Leijenhorst. Daarbij overweegt de Hoge Raad tevens: 'Dit is ook zo indien in een bijzonder geval de gecorrigeerde vervangingswaarde niet hoger kan worden gesteld dan de bedrijfswaarde, de waarde die de zaak in economische zin voor de huidige eigenaar vertegenwoordigt (cursivering GM).'
De gemeentelijke onroerende-zaakbelasting (voorheen: onroerend-goedbelasting) wordt op basis van de waarde in het economische verkeer van onroerende zaken geheven. De wetgever beoogt door middel van dit waarderingsvoorschrift de waardedrukkende werking van wettelijke of contractuele belemmeringen buiten beschouwing te laten. Maar bij de zogenaamde incourante onroerende zaken is de vaststelling van de waarde in het economische verkeer een probleem. Deze objecten zijn namelijk niet dan wel moeilijk verhandelbaar. Voor deze specifieke onroerende zaken is dan ook als heffingsgrondslag, de zogenaamde gecorrigeerde vervangingswaarde gekozen1. Kruime12 wijst met recht erop dat het begrip 'incourant' met betrekking tot incourante onroerende zaken niet in economische maar in juridische zin wordt gebruikt en als het ware van de realiteit abstraheert.
We spreken van een incourante onroerende zaak indien er cumulatief aan de volgende vereisten is voldaan:
voor de zaak kan redelijkerwijs géén verkrijger worden gevonden;
de gefingeerde koper moet niet bereid zijn een prijs te betalen die in een redelijke verhouding34 staat tot de gecorrigeerde vervangingswaarde;
degene die de zaak wenst te verwerven, dient deze onmiddellijk en in volle omvang in gebruik te nemen (met inachtneming van aard en bestemming).
De gecorrigeerde vervangingswaarde als heffingsgrondslag is ingevoerd bij Wet van 22 december 1982, Stb. 723 en in werking getreden op 1 januari 1983.
De hiervoor onder b. aangehaalde 'redelijke verhouding' betekent dat indien de waarde in het economische verkeer minder dan 50% van de gecorrigeerde vervangingswaarde bedraagt, laatstgenoemde waarde de heffingsgrondslag is. Is de waarde in het economische verkeer 50% of meer van de gecorrigeerde vervangingswaarde, of is de waarde in het economische verkeer zelfs hoger dan de gecorrigeerde vervangingswaarde, dan is de waarde in het economische verkeer de heffingsgrondslag5.
Omdat de gecorrigeerde vervangingswaarde onder bepaalde omstandigheden raakvlakken vertoont met het begrip bedrijfswaarde, zal hierop in de volgende paragrafen kort worden ingegaan.