Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/10.4.5.5
10.4.5.5 In overwegende mate gericht op
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491472:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1997/98, 25 709, nr. 5, p. 5. De cursiveringen zijn door mij aangebracht.
Zie de onderdelen 4.4.2 en 10.4.2.
HR BNB 2012/261, rechtsoverweging 3.3.4.
Vgl. HR BNB 1985/32.
Zie bijvoorbeeld HR BNB 2008/266, rechtsoverweging 3.4.3, HR BNB 2014/172, rechtsoverweging 3.5.3 en HR BNB 2017/162, rechtsoverweging 3.2.3.1. Zie over de verhouding tussen ‘in overwegende mate’ en fraus legis ook Brandsma & De Vries 2001, onderdeel 3.3.5.2, p. 66.
Zoals nader uitgewerkt in onderdeel 10.4.2.
HvJ EU, C-126/10 (Foggia), BNB 2012/5.
Punt 35.
Zoals al eerder geconcludeerd in Van der Burgt & De Vries, WFR 2012/1693, onderdeel 2. Aanvullend wijs ik nog op een illustratieve passage uit de wetsgeschiedenis vóór de invoering van de fiscale splitsingswetgeving in 1998. Destijds gold de zakelijkheidseis (zie hiervóór). In Kamerstukken II 1997/98, 25 709, nr. 5, p. 5, wordt eerst opgemerkt dat het tekstdeel ‘in overwegende mate’ de betekenis van ‘beslissend’ heeft. Vervolgens wordt het volgende opgemerkt (p. 7, cursivering door mij aangebracht): “Ik kan mij voorstellen (…) dat het in bepaalde omstandigheden uit bedrijfseconomisch oogpunt voor de te splitsen vennootschap van belang kan zijn de zakelijke risico’s te beperken door haar onderneming te splitsen; alsdan zal de faciliteit niet worden onthouden mits komt vast te staan dat dit motief doorslaggevend is.” Ook in Kamerstukken II 1997/98, 25 709, nr. 9, p. 5, wordt gesproken over motieven die de doorslag geven.
Deze aanbeveling geldt voor alle nationale antimisbruikbepalingen die zijn gebaseerd op art. 15 Fusierichtlijn.
Bijkomend voordeel hiervan is dat een consistent geheel ontstaat met andere nationale wetsbepalingen die (mede) zijn afgeleid van, of geïnspireerd zijn op, het Europese recht. Zie art. 13ab, lid 11 en art. 17, lid 3, onderdeel b, Wet VPB 1969 alsmede art. 4, lid 3, onderdeel c, Wet DB 1965, waarin de zinsnede ‘hoofddoel of een van de hoofddoelen’ is gebruikt.
In BNB 2000/111 stond een aandelenfusie centraal. Aangezien de Hoge Raad rechtstreeks toets aan de antimisbruikbepaling uit de Fusierichtlijn en deze bepaling voor alle Fusierichtlijntransacties hetzelfde is, geldt het oordeel zonder twijfel ook voor de splitsing. Ik kom op deze zaak nog terug in onderdeel 10.4.8.
Zie ook Marres 2020, onderdeel 5.12.3, p. 173-175. Deze auteur analyseert de betekenis van ‘in overwegende mate’ zoals dat voorkomt in art. 10a Wet VPB 1969. Hij gaat in zijn analyse ook in op HR BNB 2000/111.
Voor misbruik is daarnaast vereist dat fiscale begeleiding in strijd komt met doel en strekking van de betreffende splitsingsfaciliteit. Zie onderdeel 10.4.2.
De wetsgeschiedenis en jurisprudentie
In de periode 1998 t/m 2000 was fiscale facilitering van een splitsing alleen mogelijk als deze rechtshandeling in overwegende mate was gebaseerd op zakelijke overwegingen; de zakelijkheidseis.1 Destijds is het zinsdeel ‘in overwegende mate’ als volgt toegelicht:2
“De leden van de PvdA-fractie (…) vragen om uitleg van de betekenis van «in overwegende mate». Mijn antwoord hierop is dat hiermee bedoeld wordt dat zakelijke overwegingen beslissend zijn voor de fusie c.q. splitsing. In dit verband wijs ik op (…) artikel 10a van de Wet Vpb, waar dezelfde terminologie wordt gehanteerd.”
Per 1 januari 2001 is de zakelijkheidseis vervangen voor de huidige op de Fusierichtlijn gebaseerde antimisbruikbepalingen.3 De wetgever heeft daarbij echter geen gebruikgemaakt van de woorden ‘hoofddoel of een der hoofddoelen’ uit art. 15 Fusierichtlijn maar van de terminologie ‘in overwegende mate’. Van misbruik is pas sprake als de gerichtheid op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing in overwegende mate aanwezig is. Voor de betekenis van de woorden ‘in overwegende mate’ heeft de wetgever opnieuw verwezen naar de renteaftrekbeperking van art. 10a Wet VPB 1969 waarin de frase al langer was opgenomen.4 De betekenis van ‘in overwegende mate’ is daarmee ‘beslissend’ gebleven. De antimisbruikbepalingen zijn dus uitsluitend van toepassing als de fiscale overwegingen beslissend zijn geweest voor de splitsing. De Hoge Raad spreekt in het uitkoopsplitsingsarrest over een ‘volstrekt overheersend anti-fiscaal motief’.5 Hoewel het duidelijker zou zijn geweest als de Hoge Raad de term beslissend had gebruikt, zie ik niet direct spanning tussen de begrippen. De woorden ‘volstrekt overheersend’ doen denken aan de frase ‘volstrekt overwegend’ uit de fraus legis-jurisprudentie.6 Inmiddels is duidelijk dat fraus legis pas in beeld komt ingeval het doorslaggevende motief is gelegen in het verijdelen van belastingheffing.7
Toets aan het toetsingskader
Ik meen dat deze benadering in overeenstemming is met de fiscaal-theoretische toets. Als er meerdere doelstellingen aan een splitsing ten grondslag liggen waaronder een belastingontwijkingsmotief, dient naar mijn mening namelijk te worden bepaald waar het zwaartepunt ligt.8 Met andere woorden: is het belastingontwijkingsmotief beslissend? In de zaak Foggia is het Hof van Justitie ingegaan op de mogelijkheid dat aan een Fusierichtlijntransactie – in die zaak een juridische fusie – meerdere doelstellingen ten grondslag liggen, waaronder eventueel ook fiscale overwegingen.9 In die gevallen kan die transactie toch op grond van zakelijke overwegingen plaatsvinden mits de fiscale overwegingen niet doorslaggevend zijn.10 Mijns inziens zit er geen spanning tussen enerzijds ‘in overwegende mate’ in de betekenis van ‘beslissend’ of ‘volstrekt overheersend’ en anderzijds ‘doorslaggevend’, zodat art. 14a, lid 6, Wet VPB 1969 op dit punt in overeenstemming is met het Europese misbruikconcept.11 Gelet op de fiscaaltechnische toets verdient het toch aanbeveling het tekstdeel ‘in overwegende mate’ te vervangen door ‘hoofddoel of een van de hoofddoelen’.12 De nationale wettekst wordt dan terminologisch in lijn gebracht met art. 15 Fusierichtlijn.13
Uit BNB 2000/111 kan worden afgeleid hoe volgens de Hoge Raad moet worden getoetst of in een concrete casus sprake is van een splitsing die in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing.14 De volgende vraag moet worden beantwoord: zou de splitsing ook uitgevoerd worden als het niet-fiscale doel, dat is het zakelijke doel, niet zou bestaan? Dit komt erop neer dat het (aangevoerde) zakelijke doel moet worden weggedacht. Als de splitsing in dat wegdenkscenario niet zou zijn uitgevoerd, is geen sprake van misbruik. Dat is een juiste uitkomst aangezien dan helder is dat belastingontwijkingsmotieven niet doorslaggevend (kunnen) zijn (geweest) voor de splitsing. Mijns inziens biedt de toets die de Hoge Raad aanlegt echter niet in alle gevallen duidelijkheid. De vraag rijst immers of – andersom – wél per definitie sprake is van misbruik als de splitsing in het wegdenkscenario wél zou zijn uitgevoerd. Volgens mij is dat niet zo. Denkbaar is namelijk dat zowel het zakelijke doel als het (veronderstelde) anti-fiscale doel zelfstandig bezien voldoende reden zijn om de splitsing uit te voeren. Mijns inziens dient daarom – omgekeerd – de (veronderstelde) belastingontwijkingsdoelstelling te worden weggedacht.15 Indien de splitsing in dat wegdenkscenario toch doorgang zou vinden, is naar mijn mening geen sprake van misbruik. Deze benadering correspondeert met mijn toetsingskader omdat fiscale facilitering van een splitsing dan uitsluitend kan worden geweigerd als het belastingontwijkingsmotief doorslaggevend is.16