Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/2.5.2.1
2.5.2.1 Drie aspecten van het maatschapsvermogen
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS584574:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Aldus voor de bijzondere gemeenschappen van afdeling 3.7.2 BW: art. 3:190 lid 1 slot BW.
Zie 2.5.5.
De controverse of sprake is van verhaalsvoorrang dan wel verhaalsexclusiviteit, komt in 2.5.3.2 aan bod.
Maeijer 1973, p. 407-410; Asser/Maeijer 5-V 1995/162e.v en 173 e.v.; Maeijer 1996, p. 447- 449; Maeijer 2003, p. 465; Maeijer 2003a, p. 7-9; en Maeijer 2008, p. 4, en 6/7. In dezelfde zin: Gerretsen 2003, p. 72-74; Mohr/Meijers 2013, § 4.5.4, p. 134 en § 6.3.5, p. 213; en Tervoort 2015d, nr. 5.4.1, 5.4.2 en 6.7.
Aldus onder meer HR 17 december 1993, NJ 1994/301(Van den Broeke/Van der Linden); en Asser/Maeijer 5-V 1995/173.
Asser/Maeijer 5-V 1995/155; Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII* 2010/155.
Voor de niet ontbonden vennootschap oordeelde de Hoge Raad dat de goederenrechtelijke aandelen gelijk zijn, ‘tenzij anders blijkt’. HR 3 oktober 1984, NJ 1985/623. Voor de ontbonden vennootschap: art. 3:166 lid 2 BW.
Mohr 1993, p. 335; Mohr/Meijers 2013, § 6.3.5, p. 213; Snijders 1994. Snijders bestrijdt hier een oudere, andersluidende opvatting van Mohr, die deze intussen in diens hierboven geciteerde bijdrage uit 1993 had herroepen. Zie voorts Asser/Maeijer 5-V 1995/250a; Maeijer 1996, p. 454; en Van Veen en Grapperhaus in GS Personenassociaties, nr. 4.3.3.1 (bijgewerkt tot 1 april 2014). Anders: Perrick 1997; Asser/Perrick 3-V 2015/178.
Zie 2.5.3.1.
De Ruiter 1963, p. 125/126.
De kern van de vermogensscheiding bij de maatschap ligt besloten in de regel dat de privéschuldeisers van een vennoot geen verhaal kunnen nemen op de aandelen van hun schuldenaar in de tot het maatschapsvermogen behorende goederen. Voor de bijzondere gemeenschappen van afdeling 3.7.2 BW is dit neergelegd in artikel 3:190 lid 1 BW. Het vloeit voort uit de door het recht erkende doelgebondenheid van het maatschapsvermogen. Deze doelgebondenheid beperkt de bevoegdheid van de vennoten om te beschikken over hun aandelen in de tot het maatschapsvermogen behorende goederen en de verhaalsmogelijkheden van hun privéschuldeisers. Een privéschuldeiser van een vennoot kan het aandeel van zijn schuldenaar in een tot het maatschapsvermogen behorend goed niet uitwinnen zonder toestemming van de overige deelgenoten.1
Een tweede aspect van de vermogensscheiding is dat maatschapsschuldeisers zich op de tot het maatschapsvermogen behorende goederen kunnen verhalen. Voor de bijzondere gemeenschappen van afdeling 3.7.2 BW is dit neergelegd in artikel 3:192 BW. De maatschapsschuldeisers hebben een verhaalsrecht op de goederen als geheel. Dit verhaalsrecht komt toe aan de derde die een vordering op de gezamenlijke vennoten als zodanig heeft. Het komt ook toe aan de vennoot die een voor rekening van de maatschap komende schuld heeft voldaan. Hij heeft dan een regresrecht waarvoor hij maatschapsschuldeiser is. Verderop wordt een uitgebreider overzicht van de tot het maatschapsvermogen behorende goederen en schulden gegeven.2 In combinatie met het genoemde artikel 3:190 lid 1 BW, biedt artikel 3:192 BW verhaalsexclusiviteit aan maatschapsschuldeisers.3
Een aantal beschouwingen over het afgescheiden karakter van een maatschapsvermogen laat het bij deze twee aspecten.4 Dat sluit goed aan bij de nadruk die veelal wordt gelegd op het afgescheiden vermogen als verhaalsobject voor de externe schuldeisers van de maatschap.5 Maar volgens mij is er nog een derde aspect: de tot het maatschapsvermogen behorende goederen, en de door de vennoten gehouden aandelen daarin, vallen integraal buiten de privévermogens van de vennoten.
Goed zichtbaar is dit derde aspect in gevallen waarin de contractuele aanspraak van een vennoot op het maatschapsvermogen als geheel, afwijkt van de omvang van zijn goederenrechtelijke aandelen in de tot het maatschapsvermogen behorende goederen.6 Stel, tot de vennootschappelijke gemeenschap van de maatschap ABCD behoren geen schulden, maar wel goederen, waard 100. De vier vennoten zijn ieder voor een kwart deelgenoot in deze goederen.7 D failleert. Volgens de maatschapsovereenkomst heeft hij recht op een uittreedvergoeding van 10. Komt nu 25 aan de boedel toe (D’s aandeel in de gemeenschappelijke goederen) of 10 (het recht op de contractuele uittreedvergoeding)? Dit laatste wordt vrij algemeen aangenomen en volgens mij is dat terecht.8
De grondslag hiervoor zoek ik in mijn derde aspect van vermogensscheiding: de goederenrechtelijke aandelen van een vennoot in de tot het maatschapsvermogen behorende goederen vallen integraal buiten diens privévermogen. Dit derde aspect van vermogensscheiding kan eenvoudig worden verbonden met de eerste twee. In het gegeven voorbeeld heeft D recht op een uittreedvergoeding van 10. Aan de passiefzijde van dit recht staat een op A/B/C rustende schuld die tot het maatschapsvermogen behoort. Voor zijn recht op 10 is D dan maatschapsschuldeiser. Daartegenover hebben A/B/C de volledige economische eigendom van het maatschapsvermogen gekregen. Ten tijde van D’s uittreden is de waarde daarvan 90. Dit economische eigendomsrecht is een contractueel vorderingsrecht van A/B/C jegens degenen die goederenrechtelijk gerechtigd zijn tot de maatschapsgoederen. Ik duid dit economische eigendomsrecht aan als de beneficiaire aanspraak op het maatschapsvermogen. Zij omvat de residuwaarde op het maatschapsvermogen. De schuld die aan de passiefzijde van deze beneficiaire aanspraak staat, is een tot het maatschapsvermogen behorende schuld.
Voor hun beneficiaire aanspraak zijn A/B/C maatschapsschuldeisers in de zin van het als tweede genoemde aspect van vermogensscheiding. De waarde van maatschapsgoederen minus maatschapsschulden is hierdoor steeds gelijk aan nul. Ergo: de tot het maatschapsvermogen behorende goederen, en de door de vennoten gehouden aandelen daarin, blijven integraal buiten de privévermogens van de vennoten. Degenen die goederenrechtelijk gerechtigd zijn tot de maatschapsgoederen zijn dit niet voor zich in privé, maar slechts q.q. (als trustees).
Deze benaderingswijze sluit goed aan bij een gedachte die De Ruiter, de latere minister, in zijn dissertatie uit 1963 naar voren heeft gebracht. Meijers had voorgesteld om het door giften voor een bepaald, tijdelijk doel bijeengebracht vermogen op te vatten als een afgescheiden vermogen. Het ingezamelde vermogen zou in gemeenschap toebehoren aan de gevers gezamenlijk.9 De Ruiter wees dit af, als zijnde in strijd met de realiteit. Aantrekkelijker achtte hij een constructie waarin de leden van het inzamelend comité in hun kwaliteit deelgenoten in het bijeengebracht vermogen zouden zijn.10 De Ruiter dacht hiermee in trustachtige termen. Meijers’ oplossing kan overigens evenzeer als trustfiguur worden verstaan: de gevers en niet de leden van het inzamelend comité traden als q.q. gerechtigden (trustees) op, zonder dat aandelen in het giftenvermogen tot hun privévermogens behoorden. Meijers heeft zich echter niet, zoals De Ruiter, in termen van gerechtigdheid ‘in kwaliteit’ uitgedrukt.