Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/15.3.3
15.3.3 Overgang van individuele naar gezamenlijke overwegende zeggenschap: handelen in onderling overleg met een vrijgestelde houder van overwegende zeggenschap
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS365147:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Het samenwerkingsverband ontstaat pas op het moment van het aangaan van de samenwerking; er is dus strikt genomen geen sprake van toetreding (zie ook hierna).
Zie uitbreid over deze zaak Grant 2005, p. 42-45 en Bomans/Demoulin 2005, p. 94-95.
Toezichthouder BaFin oordeelde uiteindelijk dat er geen sprake was geweest van acting in concert (zie het persbericht van 23 januari 2004). In een andere procedure kwam de rechter later tot een gelijkluidend oordeel (LG Hamburg 16 oktober 2006, ZIP 2007, 427-432 (Beiersdorf)).
Bij het aangaan van een samenwerkingsverband met een persoon die overwegende zeggenschap houdt, zal de “toetreder”1 in de regel overwegende zeggenschap verwerven, tenzij deze partij voordien al overwegende zeggenschap bezat (zie slot). Door te handelen in onderling overleg als bedoeld in art. 1:1 Wft moeten de stemrechten immers worden toegerekend binnen het samenwerkingsverband (§ 11.4.3). In beginsel ontstaat daarbij een biedplicht. Een praktijkvoorbeeld, waarin overigens geen onderling overleg kon worden vastgesteld, betreft de handelwijze van Tchibo in de overnamestrijd rond het Duitse Beiersdorf.2 Tchibo hield voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Duitse verplicht bod-regeling al een belang van meer dan 30% in Beiersdorf. In reactie op een overnamedreiging nam het in overleg met andere grootaandeelhouders in Beiersdorf een groot aandelenpakket over van verzekeraar Allianz.3
Naar huidig recht bestaat er als gezegd slechts een vrijstelling voor toetreding tot een krachtens overgangsrecht vrijgesteld samenwerkingsverband (§ 15.2.2.3) en het aangaan van een huwelijk met een persoon die reeds overwegende zeggenschap hield (§ 15.2.11). Langs dezelfde lijnen – en in het verlengde van de hiervoor bepleite vrijstelling voor wijzigingen in de samenstelling of omvang van een bestaand samenwerkingsverband (§ 15.3.2) – zou ook het handelen in onderling overleg met een vrijgestelde houder van overwegende zeggenschap niet tot een biedplicht moeten leiden. Ook in dat geval is er in beginsel geen sprake van benadeling van minderheidsaandeelhouders, tenzij er een change of control plaatsvindt (§ 15.3.2.2). Gelet op het voorgaande bepleit ik de volgende vrijstelling:
Van art. 5:70 lid 1 Wft is vrijgesteld degene die overwegende zeggenschap verkrijgt door in onderling overleg te gaan handelen met een persoon die reeds voordien overwegende zeggenschap hield, indien:
deze persoon na het aangaan van de samenwerking, alleen of tezamen, rechtstreeks of middellijk, een meerderheid van de door het samenwerkingsverband gehouden stemrechten kan uitoefenen; en,
de toetredende persoon de wijze van uitoefening van het stemrecht dat hij tezamen met de personen met wie hij in onderling overleg handelt kan uitoefenen, niet eenzijdig kan bepalen.
Een vrijstelling als hiervoor bepleit is niet nodig in de situatie dat twee grootaandeelhouders die ieder meer dan 30% van de stemrechten kunnen uitoefenen, maar zijn vrijgesteld van de biedplicht, besluiten te gaan samenwerken; zij kunnen niet opnieuw overwegende zeggenschap verwerven (§ 12.2.4.6).