Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/8.3.1.1.1
8.3.1.1.1 Wanneer beoogt de bij dode opgerichte stichting het algemeen nut?
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232343:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 12 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AT8202, BNB 2006/267, m.nt. I.J.F.A. van Vijfeijken.
HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6141, NTFR 2011/2845, m.nt. J.M. Bom. W. Verstijnen heeft de rechtbank- respectievelijk de hofuitspraak die aan de uitspraak van de Hoge Raad ten grondslag lag, besproken in NTFR 2009/2561, respectievelijk NTFR 2010/2431.
Een voorbeeld zou kunnen zijn dat op het moment van beoordeling van deze vraag de stichting al feitelijk is begonnen met het nastreven van haar statutaire doelstelling. Zie ook J.M. Bom in zijn noot bij HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6141, NTFR 2011/2845.
De inhoud van deze bepalingen is sinds 1 januari 2012 opgenomen in artikel 1b tot en met 1e UR AWR 1994.
Toelichting bij het besluit van 19 juni 2012, nr. DB 2012/248, Wijziging van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting, de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 en de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, 19 juni 2012, nr. DB 2012/248, Stcr. 22 juni 2012, 12737, p. 12.
Hof Den Bosch 13 januari 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BV8496, NTFR 2012/1575, m.nt. D. Moolenaar.
Hof Arnhem 4 oktober 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BT7632, NTFR 2013/1457, m.nt. D. van Beelen.
Hof Den Bosch 13 januari 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BV8496, NTFR 2012/1575, m.nt. D. Molenaar.
De kernvraag voor elke rechtspersoon die wil worden gerangschikt als ANBI is: wordt het algemeen nut beoogd? Zo ook voor de bij dode opgerichte stichting, zodat de kernvraag daarmee van algemene aard is. Niettemin een korte uiteenzetting hierover. In een casus waarin gestreden is over de vraag of een profclub in het betaalde voetbal een ANBI kan zijn, oordeelde de Hoge Raad dat van het beogen van algemeen nut sprake is als rechtstreeks een algemeen belang wordt gediend.1 Heeft de doelstelling van de stichting betrekking op een beperkte groep, zoals bij de profclub, dan is deze doelstelling gericht op het particuliere belang en niet op het algemeen belang.
Als het vermogen van een stichting nog niet direct zal worden aangewend voor het algemeen nuttige doel, kan toch sprake zijn van een ANBI, aldus de Hoge Raad in 2011.2 Dat is het geval als op het tijdstip van de erfrechtelijke verkrijging de verwachting gerechtvaardigd is dat daadwerkelijk overeenkomstig de statutaire doelstellingen zal worden gehandeld. Bij deze beoordeling kunnen alle omstandigheden van het concrete geval een rol spelen. Ook feiten of omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de erfrechtelijke verkrijging door de stichting kunnen licht werpen op de gerechtvaardigdheid van de bedoelde verwachting op het tijdstip van die verkrijging.3
De uitspraak van de Hoge Raad uit 2011 waaraan hiervoor werd gerefereerd, ziet echter op de regelgeving van vóór 1 januari 2008, dus voor de invoering van artikel 41a tot en met artikel 41c UR IB 2001.4 Sinds 2008 geldt de eis dat vermogen van een instelling binnen afzienbare tijd – door het verrichten van feitelijke werkzaamheden – dient te worden aangewend voor een doel van algemeen nut.5 De vraag of dit tot gevolg heeft dat het genoemde arrest van de Hoge Raad van 25 november 2011 met ingang van het belastingjaar 2008 alweer is achterhaald, speelde bij Hof Den Bosch 13 januari 2012.6
Hof Den Bosch verwijst in zijn uitspraak naar HR 29 november 1972, BNB 1973/36. Hierin oordeelde de Hoge Raad dat het uitsluitend verrichten van activiteiten die zijn gericht op vermogensopbouw de aanwezigheid van algemeen nut niet in de weg staat, op voorwaarde dat de werkzaamheden ten behoeve van het algemeen nut op redelijke termijn aanvangen. Anders dan de inspecteur, is het hof van oordeel dat de hiervóór genoemde uitspraak van 29 november 1972 met ingang van 1 januari 2008 haar belang niet heeft verloren. Wel dient deze uitspraak met ingang van 1 januari 2008 in de context van, thans, artikel 1a lid 1 aanhef en onderdeel b UR AWR 1994 en artikel 1b lid 1 UR AWR 1994 te worden bezien. Deze context brengt mee dat vermogen van een instelling binnen afzienbare tijd ̶ door het verrichten van feitelijke werkzaamheden ̶ aangewend dient te worden voor een doel van algemeen nut. De uitdrukking ‘binnen afzienbare tijd’ biedt de mogelijkheid van een tijdspanne tussen de vermogensverkrijging en de aanwending daarvan, doch in ieder geval niet een tijdspanne van veertien jaren, zoals de Hoge Raad in zijn uitspraak van 29 november 1972 heeft gesanctioneerd.
Ook de uitspraak van Hof Arnhem 4 oktober 20117 kan hier niet onbesproken blijven. Erflaatster is overleden op 19 augustus 2005. Bij uiterste wilsbeschikking van 23 juni 2004 heeft zij een stichting in het leven geroepen. De stichting heeft tot doel het verlenen van financiële ondersteuning aan instellingen die evangelisatie/christelijke hulpverlening als doelstelling hebben. Uit de nalatenschap van erflaatster verkrijgt de stichting krachtens legaat een boerderij. Voorts heeft erflaatster aan de stichting een geldbedrag van € 200.000 gelegateerd, zodat de stichting in staat is de kosten die verband houden met de exploitatie en het beheer van de boerderij te voldoen. Ten laste van de stichting is het persoonlijk recht van gebruik en bewoning van de boerderij door erflaatster gelegateerd aan haar pleegzoon en bij opvolging aan diens echtgenote. De pleegzoon en zijn echtgenote hadden op de sterfdag van erflaatster een leeftijd van respectievelijk 47 en 32 jaar. Na het einde van het recht van gebruik en bewoning heeft het bestuur de taak de boerderij te vervreemden en de opbrengst binnen vijf jaar aan te wenden voor ‘goede doelen’. Feitelijk keert de stichting vanaf 2007 gelden uit binnen haar doelstelling.
Hof Arnhem is van oordeel dat vanwege het gegeven dat een aanvang is genomen met werkzaamheden ten behoeve van het goede doel, de stichting voldoet aan de ANBI-eisen. Het komt mij voor dat dit ook na de invoering van de ministeriële regeling per 1 januari 2008 het geval is, met dien verstande dat de uitkeringen, in verband met de omvang van het vermogen en de tijd waarbinnen met het doen van uitkeringen een aanvang is genomen, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, redelijk moet zijn, al was het alleen al vanwege de beperkte navorderingstermijn van artikel 16 AWR. Op grond van artikel 16 lid 3 AWR vervalt het recht van de inspecteur tot het opleggen van een navorderingsaanslag vijf jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. De ANBI zal dus ruim binnen deze termijn moeten voldoen aan de uitkeringsplicht opdat de inspecteur de gelegenheid heeft te toetsen of wordt voldaan aan de uitkeringsplicht en zo dat niet het geval is, in de gelegenheid is een navorderingsaanslag op te leggen.
De conclusie is, dat bij een erfrechtelijke bevoordeling van een (nog op te richten) stichting, na het overlijden van de erflater/oprichter met terugwerkende kracht de ANBI-status aan de stichting moet worden verleend8 als de werkzaamheden van de stichting binnen een redelijke termijn na verkrijgen van vermogen krachtens uiterste wilsbeschikking een aanvang nemen. Ook als (een deel van) het verkregen vermogen eerst ten dienste staat van derden.