Rechtbank Den Haag 19 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:9575.
HR, 07-11-2025, nr. 25/00968
ECLI:NL:HR:2025:1658
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
07-11-2025
- Zaaknummer
25/00968
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1658, Uitspraak, Hoge Raad, 07‑11‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:981
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2025:49
ECLI:NL:PHR:2025:981, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑09‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1658
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑03‑2025
- Vindplaatsen
BPR-Updates.nl 2025-0082
Uitspraak 07‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Incidentele vordering tot verwijdering uit dossier van bijlagen bij procesinleiding in cassatie (art. 415 lid 1 Rv).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/00968
Datum 7 november 2025
ARREST IN HET INCIDENT
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: A. Knigge,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN, meer specifiek het Ministerie van Justitie en Veiligheid,
zetelende te Den Haag,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de Staat,
advocaat: G.C. Nieuwland.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/09/664790 / KG ZA 24-361 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 19 juni 2024;
b. het arrest in de zaak 200.343.692/01 van het gerechtshof Den Haag van 21 januari 2025.
Betrokkene heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staat heeft een verweerschrift tot verwerping tevens houdende incidentele vordering tot verwijdering van stukken uit het dossier ingediend.
Betrokkene heeft een verweerschrift tot afwijzing van de incidentele vordering ingediend.
De conclusie in het incident van de Advocaat-Generaal G. Snijders strekt tot afwijzing van de incidentele vordering.
De advocaat van de Staat heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten
2.1
Voor de beoordeling van de incidentele vordering tot verwijdering uit het dossier van de bijlagen bij de procesinleiding in cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.
(i) De Republiek Chili (hierna: Chili) heeft de Staat verzocht om de uitlevering van betrokkene, met het oog op de tenuitvoerlegging in Chili van een aan betrokkene opgelegde gevangenisstraf wegens ambtelijke verduistering in haar voormalige functie van burgemeester van een Chileense gemeente.
(ii) Bij beschikking van 27 februari 2024 heeft de minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de minister) de verzochte uitlevering van betrokkene aan Chili toegestaan.
2.2
In dit kort geding komt betrokkene op tegen haar voorgenomen uitlevering aan Chili. Zij voert aan, kort gezegd, dat haar uitlevering onrechtmatig is, omdat (i) bij detentie in Chili een reëel risico bestaat op schending van art. 3 EVRM, (ii) in Chili sprake zal zijn van discriminatoire detentie, en (iii) de minister de definitieve uitkomst van de door betrokkene aanhangig gemaakte asielprocedure niet wil afwachten.
2.3
De voorzieningenrechter1.heeft de vorderingen van betrokkene afgewezen.
2.4
Het hof2.heeft het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd.
2.5
Betrokkene heeft cassatieberoep ingesteld van het arrest van het hof.
3. Beoordeling van de incidentele vordering tot verwijdering uit het dossier van de bijlagen bij de procesinleiding in cassatie
3.1
De Staat vordert in zijn verweerschrift in cassatie, voor zover nodig, bij wege van incident op de voet van art. 415 lid 1 Rv dat de bijlagen bij de procesinleiding in cassatie van betrokkene (hierna: de procesinleiding) uit het dossier worden verwijderd, teneinde oneigenlijke beïnvloeding bij de advisering door het parket en bij de oordeelsvorming door de Hoge Raad te voorkomen.
Ter onderbouwing van zijn incidentele vordering heeft de Staat, samengevat weergegeven en voor zover van belang, het volgende aangevoerd.
(i) De bijlagen bij de procesinleiding hebben betrekking op feiten die zich hebben voorgedaan na het wijzen van het in cassatie bestreden arrest en bevatten gegevens van feitelijke aard.
(ii) Betrokkene legt deze bijlagen ten grondslag aan haar klachten tegen het oordeel van het hof dat sprake is van voldoende concrete en op de persoon gerichte en ondubbelzinnige garanties ten aanzien van de duur van de resterende detentie (onderdeel 1.3 van het middel).
(iii) Omdat deze bijlagen pas in cassatie zijn overgelegd, maken zij geen deel uit van de stukken van het geding en heeft het hof deze niet bij zijn beslissing kunnen betrekken. Op grond van art. 419 lid 2 Rv kunnen de bijlagen dan ook geen rol spelen bij de beoordeling door de Hoge Raad van het cassatiemiddel van betrokkene. Dit laatste geldt ook voor alle op de bijlagen gebaseerde stellingen in de procesinleiding.
(iv) Voor het toelaten van een uitzondering op de regel van art. 419 lid 2 Rv bestaat in deze zaak geen grond.
3.2
De vraag of en, zo ja, onder welke voorwaarden en op welke wijze, in een zaak als de onderhavige een uitzondering moet worden aanvaard op de regel van art. 419 lid 2 Rv – inhoudende dat de feitelijke grondslag van de cassatiemiddelen alleen kan worden gevonden in de bestreden uitspraak en de stukken van het geding – in het bijzonder vanwege het beroep van de betrokkene op art. 3 EVRM en art. 13 EVRM, is niet alleen aan de orde in deze zaak, maar ook in zaak 24/03194, die bij de Hoge Raad aanhangig is en waarin nog niet is beslist.3.Reeds op die grond leent de vordering van de Staat tot verwijdering uit het dossier van de bijlagen bij de procesinleiding zich niet voor beoordeling in dit incident op de voet van art. 415 lid 1 Rv. De incidentele vordering zal dan ook worden afgewezen.
In de hoofdzaak zal zo nodig worden beslist op hetgeen de Staat aan zijn incidentele vordering ten grondslag heeft gelegd (zie hiervoor in 3.1).
3.3
Betrokkene heeft verzocht om vergoeding van de reële proceskosten die zij in het kader van dit incident heeft gemaakt. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het incident nodeloos is opgeworpen. Voor een dergelijke vergoeding ziet de Hoge Raad geen aanleiding, op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.28.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- wijst de incidentele vordering af;
- veroordeelt de Staat in de kosten van dit incident, tot op deze uitspraak aan de zijde van betrokkene begroot op € 800,-- voor salaris;
- verwijst de zaak naar 27 februari 2026 voor schriftelijke toelichting.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 7 november 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 07‑11‑2025
Gerechtshof Den Haag 21 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:49.
Zie de conclusie van de Advocaat-Generaal in zaak 24/03194, ECLI:NL:PHR:2025:802, onder 3.21-3.24.
Conclusie 12‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Cassatieprocesrecht. Incidentele vordering tot weigering van stukken omdat deze geen stukken van het geding zijn in de zin van art. 419 lid 2 Rv. Oneigenlijke beïnvloeding cassatierechter?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00968
Zitting 12 september 2025
CONCLUSIE
G. Snijders
In de zaak
[eiseres],
eiseres tot cassatie,
verweerster in het incident,
advocaat: A. Knigge,
tegen
de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie en Veiligheid),
verweerder in cassatie,
eiser in het incident,
advocaat: G.C. Nieuwland.
Partijen worden hierna aangeduid als [eiseres] en de Staat.
1. Inleiding
De Staat vordert in dit incident dat de bijlagen die bij de procesinleiding in cassatie van [eiseres] zijn gevoegd en waarop het middel voor een deel mede is gebaseerd, vóór de behandeling van de hoofdzaak in cassatie worden verwijderd uit het procesdossier. Het gaat om stukken die niet behoren tot de stukken van het geding als bedoeld in art. 419 lid 2 Rv. Op grond van die bepaling kan daarom geen acht worden geslagen op die stukken bij de beoordeling van het middel. De Staat meent dat die stukken daarom uit het procesdossier moeten worden verwijderd. Volgens de Staat kan niet worden volstaan met het buiten beschouwing laten van de bijlagen, gelet op de mogelijkheid van oneigenlijke beïnvloeding van de Hoge Raad en van het parket bij de Hoge Raad.
2. Feiten en procesverloop voor zover van belang
2.1
De Republiek Chili heeft Nederland om de uitlevering van [eiseres] verzocht teneinde een aan haar opgelegde gevangenisstraf wegens ambtelijke verduistering in haar toenmalige functie als burgemeester van de [stad] ten uitvoer te leggen. De minister heeft besloten om [eiseres] aan Chili uit te leveren. In dit kort geding komt [eiseres] tegen dat besluit op. [eiseres] voert aan, voor zover van belang, dat haar uitlevering onrechtmatig is, (i) omdat sprake is van een reëel risico op een schending van art. 3 EVRM in detentie, (ii) omdat sprake zal zijn van discriminatoire detentie, en (iii) omdat de minister de definitieve uitkomst van een door [eiseres] aangevraagd asiel niet wil afwachten.
2.2
De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft de vorderingen van [eiseres] bij vonnis van 19 juni 2024 afgewezen.1.Het hof Den Haag heeft dit vonnis bij arrest van 21 januari 2025 bekrachtigd.2.[eiseres] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof.3.
2.3
De Staat heeft tegelijk met zijn verweerschrift in de hoofdzaak de onderhavige incidentele vordering ingesteld. De rolraadsheer heeft beslist dat het incident eerst zal worden behandeld en beslist, dus vóór de verdere behandeling en de beslissing van de hoofdzaak (het cassatieberoep). [eiseres] heeft in het incident een verweerschrift ingediend.
3. Bespreking incidentele vordering
Inhoud bijlagen en beroep daarop in het middel
3.1
De door [eiseres] bij procesinleiding overgelegde bijlagen bevatten een verslag van een mondelinge behandeling die op 13 februari 2025 heeft plaatsgevonden ten overstaan van de rechtbank van garantie te Antofagasta en een vertaling daarvan (bijlagen 1a en 1b), (een weergave van) de beslissing van de rechtbank van garantie te Antofagasta van 13 februari 2025 en een vertaling daarvan (bijlagen 2a en 2b), en de uitspraak van het Hof van Beroep van Antofagasta van 26 februari 2025 en een vertaling daarvan (bijlagen 3a en 3b).
[eiseres] heeft deze stukken ten grondslag gelegd aan onderdeel 1.3 van haar cassatiemiddel, dat opkomt tegen het oordeel van het hof in rov. 6.7-6.15 van het arrest dat sprake is van voldoende concrete, op de persoon gerichte en ondubbelzinnige garanties ten aanzien van (i) de locatie van de detentie, (ii) de duur van de resterende detentie, en (iii) de detentieomstandigheden, en dat er geen reden is om aan te nemen dat deze niet zullen worden nageleefd. Volgens [eiseres] volgt uit de bijlagen dat de ‘garantie’ van de Chileense autoriteiten niet inhoudt dat de detentietijd in Nederland in mindering komt op de aan haar opgelegde straf, en dat ook ten aanzien van andere ‘toezeggingen’ niet, althans niet zonder nader onderzoek, erop kan worden vertrouwd dat die jegens [eiseres] zullen worden nagekomen.
Gronden voor de incidentele vordering; zaak 24/03194
3.2
De Staat voert in zijn incidentele conclusie aan dat de bijlagen op grond van art. 419 lid 2 Rv geen rol kunnen spelen bij de beoordeling van het middel, omdat zij zien op ontwikkelingen die zich na het arrest van het hof hebben voorgedaan en gegevens van feitelijke aard bevatten. De bijlagen behoren niet tot de stukken van het geding als bedoeld in art. 419 lid 2 Rv. Ook anderszins bestaat volgens de Staat geen grond om deze stukken in cassatie bij de beoordeling in cassatie te betrekken.
3.3
De Staat merkt op dat de Hoge Raad ambtshalve art. 419 lid 2 Rv handhaaft. Volgens de Staat heeft hij echter belang bij de incidentele vordering omdat als vóór de behandeling van de hoofdzaak, en dus vóórdat de stukken in handen worden gesteld van het parket, een beslissing wordt genomen over de toelaatbaarheid van de stukken, (beter) wordt voorkomen dat de advisering door het parket en de oordeelsvorming door de Hoge Raad op oneigenlijke wijze door de stukken worden beïnvloed, zonder dat de Staat zich adequaat heeft kunnen verweren tegen de daarop gebaseerde stellingen. Hierbij komt volgens de Staat dat hij ermee bekend is dat het vaker voorkomt dat in cassatie nieuwe stukken en nieuwe feitelijke stellingen worden ingediend en ingenomen, en eraan hecht (en als repeat player er belang bij heeft) dat de regels van de cassatieprocedure op effectieve wijze worden gehandhaafd, wat kan worden bereikt door in een incident te beslissen of stukken ontoelaatbaar zijn en moeten worden verwijderd uit het dossier. De Staat verwijst in dit verband naar de bij de Hoge Raad aanhangige zaak 24/03194, waarin op 18 juli 2025 een conclusie is genomen door het parket.4.
3.4
In genoemde zaak 24/03194, die eveneens een uitleveringszaak betreft, komt de opgeëiste persoon, die wordt bijgestaan door dezelfde cassatieadvocaat als [eiseres] in deze zaak, op tegen een uitlevering aan de Verenigde Staten van Amerika, onder meer omdat volgens hem sprake is van een reëel risico op schending van art. 3 EVRM in detentie. De opgeëiste persoon heeft in die zaak bij schriftelijke toelichting een verklaring overgelegd waarin verslag wordt gedaan van gesprekken met de opgeëiste persoon over de detentieomstandigheden in de Verenigde Staten die hebben plaatsgevonden na het arrest van het hof. In de schriftelijke toelichting worden argumenten voor het middel aan die verklaring ontleend.
3.5
In de aanbiedingsbrief van [eiseres] is opgemerkt dat deze zaak in zoverre samenhang vertoont met zaak 24/03194 dat ook in deze zaak nieuwe – na het arrest bekend geworden – feiten worden aangevoerd, en dat anders dan in zaak 24/03194, de nieuwe feiten zo tijdig bekend zijn, dat zij wel in het middel aan cassatieklachten ten grondslag kunnen worden gelegd. In beide zaken wordt betoogd, kort gezegd, dat art. 419 lid 2 Rv er niet aan in de weg staat dat de nieuwe feiten bij de beoordeling van het middel worden betrokken, omdat het absolute karakter van art. 3 EVRM en het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel van art. 13 EVRM meebrengen dat de Hoge Raad, net als het EHRM, ex nunc moet toetsen of sprake is van een reëel risico op een dreigende schending van art. 3 EVRM na uitlevering.5.
3.6
In genoemde conclusie in zaak 24/03194 wordt tot de bevindingen gekomen dat art. 419 lid 2 Rv zich verzet tegen het acht slaan op de hiervoor in 3.4 genoemde verklaring bij de beoordeling van het middel, dat het acht slaan op die verklaring niet onder de in de rechtspraak aanvaarde uitzonderingen op het in art. 419 lid 2 Rv bepaalde valt, dat de omstandigheid dat art. 3 EVRM in het geding is, daarin geen verandering brengt, en dat het beginnen van een nieuwe procedure de geëigende weg is om de beweerde schending van art. 3 EVRM aan de orde te stellen, die mede zou blijken uit de verklaring.6.
Overleggen van producties in cassatie
3.7
Vooropgesteld kan worden dat het op zichzelf zonder meer mogelijk is om in cassatie producties over te leggen.7.In het verleden bepaalde art. 413 Rv zelfs met zoveel woorden voor de cassatieprocedure dat partijen gehouden zijn om de stukken waarop zij zich beroepen, aan elkaar over en weer in afschrift mede te delen of in origineel ter griffie neer te leggen.8.Deze bepaling is met de inwerkingtreding van KEI op 1 maart 2017 komen te vervallen.9.De reden daarvoor was dat stukken die langs digitale weg zijn ingediend, zonder meer beschikbaar zijn voor partijen. Daarom werd het niet langer nodig geacht dat de stukken (ook) over en weer worden verzonden, blijkens de toelichting op KEI.10.De elektronische indiening van stukken was onder KEI geregeld in art. 30c Rv. Bij de Wet technische eenmaking Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is dit voor de cassatieprocedure art. 397 Rv geworden.11.
Weigeren van producties en andere stukken
3.8
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dienen de in cassatie over te leggen producties wel beperkt van aantal en omvang te zijn en tijdig ter kennis van de wederpartij te zijn gebracht, zodat de wederpartij nog voldoende gelegenheid heeft om daarop te reageren.12.In oudere rechtspraak heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de eisen van een goede procesorde, mede gelet op het aan art. 147 lid 3 (oud) Rv – nu art. 85 lid 3 Rv – te ontlenen richtsnoer, zich verzetten tegen de overlegging van stukken die niet aan deze eisen voldoen.13.Binnen deze grenzen is overlegging van producties dus in beginsel zonder meer toegelaten.
Wel zijn er de nodige andere beperkende regels voor het overleggen van producties. Zo is het in het geding brengen van stukken bij borgersbrief niet toelaatbaar, behoudens in het nogal bijzondere geval dat de overlegging daarvan gerechtvaardigd wordt door elementen in de conclusie.14.Hiernaast zijn er gevallen waarin er überhaupt geen stukken mogen worden ingediend, zoals na het verstrijken van de termijn die daarvoor geldt, als de wet niet in het nemen van het stuk voorziet, als het stuk zonder verlof van de rechter na sluiting van de behandeling van de zaak wordt ingediend of als het stuk zonder tussenkomst van de verplichte procesvertegenwoordiger wordt ingediend.15.
3.9
Producties die in strijd met de hiervoor in 3.8 genoemde regels zijn overgelegd, worden door de Hoge Raad terzijde gesteld.16.Terzijdestelling betekent dat de producties niet tot de gedingstukken zijn gaan behoren.17.Dat oordeel is in overeenstemming met de tekst van art. 147 lid 3 (oud) Rv, die zei dat de rechter “zodanig stuk terzijde zal kunnen leggen en daarmede bij zijn beslissing geen rekening zal behoeven te houden”. De huidige art. 85 lid 4 en 87 lid 6 Rv spreken uitsluitend van ‘geen rekening houden met’ en ‘buiten beschouwing laten van’ het betrokken stuk. Niet blijkt echter dat hiermee iets anders is bedoeld dan met het voorheen in art. 147 lid 3 (oud) Rv bepaalde. In de rechtspraak worden de hier tussen aanhalingstekens weergegeven omschrijvingen nog altijd door elkaar gebruikt.
3.10
Bij de gevallen waarin aldus stukken terzijde worden gesteld, gaat het steeds om overtreding van formele regels met betrekking tot de indiening van stukken. Het betreft de regels over de omvang die het stuk mag hebben, over het tijdstip of de mogelijkheid van indiening ervan en over de persoon die gerechtigd is tot de indiening. Deze formele regels beogen het recht op hoor en wederhoor en het ordelijke en goede verloop van de procedure te beschermen of te verzekeren. Of van overtreding van deze regels sprake is, laat zich vrijwel steeds relatief eenvoudig vaststellen, omdat het om betrekkelijk absolute (dichotome) regels gaat (stuk a priori al te omvangrijk gelet op de mogelijkheid van verweer, stuk te laat ingediend, geen mogelijkheid meer tot indiening van het stuk of stuk ingediend door onbevoegd persoon). Een inhoudelijke toets, op relevantie of anderszins, vindt in beginsel niet plaats. Dat is logisch, want het is aan partijen zelf om te bepalen welke stukken zij overleggen. Irrelevante stukken kunnen de rechter en de wederpartij naar verkiezing ongelezen laten, zonder aan de overlegging een sanctie te verbinden. Alleen bij misbruik van procesrecht of strijd met een goede procesorde, dat laatste bijvoorbeeld in verband met genoemde grond van de omvang van het stuk of de stukken, is dat anders.18.
Weigeren producties op grond van art. 419 lid 2 Rv?
3.11
De vordering van de Staat stelt aan de orde of stukken op grond van art. 419 lid 2 Rv geweigerd kunnen worden.19.In de conclusie in zaak 24/03194 is al vrij uitvoerig ingegaan op die bepaling, die inhoudt dat de feitelijke grondslag van de middelen alleen kan worden gevonden in de bestreden uitspraak en in de stukken van het geding. Kortheidshalve verwijs ik naar het in die conclusie vermelde.20.
3.12
Art. 419 lid 2 Rv houdt geen verbod op het indienen van stukken in. Het bevat slechts een beperking van het ‘materiaal’ waarop acht mag worden geslagen bij de beoordeling van het middel.21.In de wetsgeschiedenis van art. 419 lid 2 Rv staat ook niet meer dan dat de Hoge Raad “geen acht mag slaan op feiten die niet aan het voorschrift van art. 419 lid 2 Rv voldoen”.22.
Dat stukken niet behoren tot de stukken van het geding in de zin van art. 419 lid 2 Rv en daarom geen feitelijke grondslag van de middelen kunnen vormen, is geen beletsel voor de overlegging van die stukken. Dat geldt alleen al omdat die stukken ook voor andere doeleinden in cassatie kunnen worden overgelegd. Bij sommige kwesties treedt de Hoge Raad bijvoorbeeld in de cassatieprocedure als feitenrechter op (bijvoorbeeld: bestaat belang bij het cassatieberoep?). Voorts kan allerlei (achtergrond)informatie van belang zijn voor het oordeel van de Hoge Raad. Van dergelijke informatie kan de Hoge Raad zonder meer kennisnemen.23.Partijen kunnen hier zelf bepalen wat hun relevant lijkt en de wederpartij en de cassatierechter kunnen zich daarover uiteraard een eigen oordeel vormen, zoals juist hiervoor in 3.10 al opgemerkt. Hiernaast wordt op art. 419 lid 2 Rv soms een uitzondering gemaakt, zoals in de conclusie in zaak 24/03194 (onder 3.23) is uiteengezet. Ook hier geldt dat het in beginsel aan partijen zelf is om te bepalen wat hun daarvoor relevant lijkt.
3.13
Het toelaten van een stuk en de beoordeling van de vraag of daaraan feitelijke grondslag voor de middelen kan worden ontleend, zijn dus twee verschillende kwesties. In de Asser Cassatie wordt dan ook terecht opgemerkt dat het feit dat de Hoge Raad van overgelegde stukken kennisneemt (deze niet terzijde legt), nog niet betekent dat sprake is van stukken van het geding in de zin van art. 419 lid 2 Rv. Verwezen wordt naar twee arresten waarin de Hoge Raad de in cassatie overgelegde stukken wél eerst uitdrukkelijk als processtuk aanvaardt, maar daarna beslist dat de inhoud van deze stukken geen feitelijke grondslag voor het middel kunnen zijn, nu deze stukken geen stukken van het geding zijn als bedoeld in art. 419 lid 2 Rv. Daarbij verdient nog opmerking dat uit de arresten niet blijkt dat de stukken in die zaken voor een ander doel door de betrokken partij waren overgelegd dan ter ondersteuning van het middel.24.
3.14
In de rechtspraak van de Hoge Raad heb ik dan ook geen uitspraak gevonden waarin een productie wordt geweigerd of terzijde gesteld omdat deze niet behoort tot de stukken van het geding als bedoeld in art. 419 lid 2 Rv en de inhoud daarvan dus geen feitelijke grondslag voor het middel kan opleveren. De Staat noemt een dergelijke uitspraak ook niet in zijn incidentele vordering. Uit de rechtspraak over art. 419 lid 2 Rv volgt dat de beoordeling van de vraag of aan die bepaling is voldaan, telkens plaatsvindt bij de beoordeling van het middel, ongeacht of bezwaar tegen de overlegging van de productie is gemaakt in een incident. Bij een ontkennende beantwoording van die vraag pleegt de Hoge Raad de productie bij de beoordeling van het middel buiten beschouwing te laten, daarop geen acht te slaan of te volstaan met de overweging dat de productie voor de beoordeling van het beroep geen rol kan spelen. Niet wordt overwogen dat de productie terzijde is gelegd of uit het dossier moet worden gehouden. De gebezigde overwegingen duiden daar ook niet zonder meer op in de gegeven context.25.26.
3.15
Dat een uitspraak zoals hiervoor in 3.14 eerste zin genoemd, ontbreekt, is begrijpelijk. Of aan art. 419 lid 2 Rv is voldaan, kan in de meeste gevallen alleen goed worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van de overgelegde stukken, de bestreden uitspraak en de stukken van het geding. De Hoge Raad zal dus eerst kennis moeten nemen van onder meer de inhoud van de overgelegde stukken, voor zover nodig. Terzijdestelling van het stuk heeft daarna geen, althans niet zoveel zin meer. Het stuk is dan immers al (geheel of ten dele) gelezen. Daar komt nog bij dat, zoals hiervoor al opgemerkt en verder uitgewerkt in de conclusie in zaak 24/03194 (onder 3.23), op art. 419 lid 2 Rv soms een uitzondering wordt gemaakt. De beoordeling of grond bestaat voor een uitzondering, vergt in beginsel evenzeer bestudering van de overgelegde stukken, de bestreden uitspraak en de stukken van het geding. Daarvoor moet immers worden gekeken naar (onderdelen van) inhoudelijke aspecten van (de behandeling van) de zaak. Ook dat maakt dat terzijdestelling niet zoveel zin heeft.
Als de behandeling van de hoofdzaak nog niet volledig heeft plaatsgevonden, zoals in deze zaak, kan een en ander niet goed in een vooraf te behandelen en beslissen incident aan de orde komen. Wat partijen in de hoofdzaak aanvoeren kan immers van belang zijn voor de beslissing, gelet op het voorgaande. Bovendien dient een incident bij voorkeur los van de hoofdzaak te kunnen worden beoordeeld en beslist.
Ook een beslissing in een vooraf te behandelen en beslissen incident, zoals de Staat in deze zaak heeft verlangd en nu op dat verlangen plaatsvindt, ligt dus niet in de rede. De toetsing aan, kort gezegd, art. 419 lid 2 Rv kan beter plaatsvinden bij de behandeling van de hoofdzaak in cassatie, dus bij de beoordeling van het middel. Dat scheelt ook dubbel werk en als niets zich daartegen verzet, verdient dat ook daarom de voorkeur.
3.16
Wat de Staat in dit incident vordert, vindt dus als zodanig geen grond in de wet, terwijl toewijzing ervan ook niet onmiddellijk voor de hand ligt. Desalniettemin lijkt toewijzing onder omstandigheden wel mogelijk. Als namelijk aanstonds duidelijk zou zijn (i) dat een stuk uitsluitend wordt overgelegd om als grondslag te dienen voor een cassatieklacht, (ii) dat het stuk niet behoort tot de stukken van het geding en (iii) dat geen grond bestaat voor een uitzondering op art. 419 lid 2 Rv, zou wel plaats zijn voor toewijzing. Dan staat immers bij voorbaat vast dat de partij die het stuk overlegt, geen te respecteren belang daarbij heeft. Een bijkomend argument kan bovendien zijn dat, zoals de Staat in deze zaak vreest, (iv) nadelige beïnvloeding van de cassatierechter dreigt door kennisneming van het stuk.
Het bij voorbaat duidelijk zijn van het bestaan van het met (i)-(iii) omschreven geval laat zich echter veelal niet makkelijk vaststellen, althans niet in een incident zoals dit, om de juist hiervoor in 3.15 eerste alinea al genoemde reden dat daarvoor veelal mede bestudering van (onderdelen van) de zaak zelf nodig is. Normaal gesproken is toewijzing dus niet mogelijk.
Uit het voorgaande volgt echter dat toewijzing dus wel mogelijk is als zonder enig onderzoek al bij voorbaat vastgesteld kan worden dat het met (i)-(iii) omschreven geval zich voordoet, al dan niet in combinatie met het risico van beïnvloeding als bedoeld onder (iv).
Ik begrijp dat de Staat meent dat dit geval zich voordoet omdat (a) [eiseres] de bijlagen bij de procesinleiding heeft overgelegd ter onderbouwing van haar cassatieklachten (dus met het hiervoor onder (i) genoemde doel) en (b) de bijlagen alle dateren, en feiten relateren, van na het arrest van het hof, zodat hoe dan ook buiten kijf staat dat die feiten geen feitelijke grondslag voor een cassatieklacht kunnen vormen.
3.17
Dit standpunt gaat echter naar ik meen niet op. In de eerste plaats kan [eiseres] de stukken ook louter ‘ter informatie’ overleggen (dus niet als grondslag voor het beroep), zoals hiervoor in 3.12 al opgemerkt. Zoals hiervoor in 3.10 opgemerkt, zijn partijen in beginsel vrij om zelf te bepalen welke stukken zij in cassatie overleggen. Als zij menen dat het nuttig is dat de Hoge Raad van bepaalde stukken kennisneemt, dan kunnen zij die in beginsel in het geding brengen. Behoren die stukken niet tot de stukken van het geding en doet zich niet het uitzonderlijke geval voor dat een uitzondering op art. 419 lid 2 Rv valt te maken, dan moeten die stukken bij de beoordeling van het middel buiten beschouwing blijven. Zoals hiervoor in 3.11-3.15 vermeld, doet dat op zichzelf aan de mogelijkheid van overlegging niet af.
In de tweede plaats valt niet met volledige zekerheid al in dit stadium in deze zaak uit te sluiten dat een uitzondering is te maken op het aan art. 419 lid 2 Rv ten grondslag liggende beginsel dat, kort gezegd, aan het bestreden arrest alleen feiten kunnen worden tegengeworpen waarmee de rechter bij zijn beslissing rekening had moeten houden. Zoals opgemerkt in de conclusie in zaak 24/03194, zullen dergelijke feiten normaal gesproken in een nieuw geding aan de orde moeten worden gesteld en kunnen deze ook (veel) beter in een nieuw geding aan de orde worden gesteld. Maar wellicht valt daarop onder zeer bijzondere omstandigheden een uitzondering te maken. Een zeker precedent is er op dat vlak al, in de vorm van een zaak die dateert van dertig jaar geleden. In cassatie klaagde de vader in die zaak dat het hof het beginsel van hoor en wederhoor had veronachtzaamd, omdat zijn oordeel over het gezag over het kind mede was gebaseerd op de rapportage van de gezinsvoogd, waarover de vader zich niet had kunnen uitlaten. De moeder voerde het verweer in cassatie dat het hof ter terechtzitting aan partijen de gelegenheid had geboden van de rapportage kennis te nemen en daarop te reageren. De Hoge Raad overwoog dat het verweer van de moeder feitelijke grondslag miste in de stukken van het geding, maar dat in bijzondere gevallen plaats is voor een uitzondering op art. 419 lid 2 Rv. Naar het oordeel van de Hoge Raad was niet uitgesloten dat een uitzondering zich in de zaak voordeed als het verweer van de moeder geheel of in hoofdzaak juist bleek te zijn, omdat het belang van het kind doorslaggevend moet zijn en vernietiging van de uitspraak van het hof – waarin de moeder was belast met de voogdij – ingrijpende gevolgen zou kunnen hebben voor het kind, namelijk een wisseling van gezag en verzorger.27.De Hoge Raad won daarom op grond van art. 107 (oud) RO – nu art. 83 RO – inlichtingen in bij het hof over de gang van zaken ter terechtzitting.
In deze zaak was dus mede een toekomstige omstandigheid aan de orde, namelijk de mogelijke gevolgen van een vernietiging van de bestreden uitspraak voor het kind. Het betrof echter nog steeds onderzoek naar feiten die zich hadden voorgedaan bij de behandeling van de zaak door de lagere rechter.28.Voorstelbaar is echter dat zich andere gevallen voordoen waarin een zodanig zwaarwegend belang of een zodanig fundamenteel beginsel in het geding is onder zodanig bijzondere omstandigheden, dat de Hoge Raad om die reden grond zal zien om een uitzondering op art. 419 lid 2 Rv te maken. Als stukken bij voorbaat uit het dossier worden verwijderd, zoals de Staat met zijn vordering in dit geval wil, dan wordt de weg naar een dergelijke beslissing bij voorbaat al afgesneden. Dat is onwenselijk.
Uiteraard kan en moet eerst worden beoordeeld of een dergelijk zeer bijzonder geval zich voordoet, maar dat moet dus in de hoofdzaak worden gedaan en leent zich niet goed voor een incident.
3.18
Art. 419 lid 2 Rv is dus niet geschikt als grondslag voor een incidentele vordering als de onderhavige, althans niet in deze zaak.
Weigeren producties wegens gevaar voor oneigenlijke beïnvloeding?
3.19
De vraag is of dit anders is voor de andere grond die de Staat voor de vordering aanvoert, van het voorkomen van oneigenlijke beïnvloeding van de cassatierechter. Het antwoord daarop lijkt eveneens ontkennend te moeten luiden. Als een stuk op zichzelf mag worden overgelegd – en als gezegd kent de cassatieprocedure wat dit betreft in beginsel geen beperkingen –, dan kan moeilijk worden gezegd dat de overlegging daarvan oneigenlijke beïnvloeding oplevert. Zoals hiervoor in 3.10 opgemerkt, is dat pas anders als sprake is van misbruik van bevoegdheid (procesrecht) of strijd met een goede procesorde. Daarvan kan sprake zijn als aan de partij die het stuk overlegt, duidelijk is of moet zijn dat het stuk geen rol bij de beoordeling kan spelen én dat het de rechter oneigenlijk zal beïnvloeden. Dan wordt het stuk immers overgelegd met een ander doel dan waarvoor stukken mogen worden overgelegd (vgl. art. 3:13 lid 2 BW) en wordt ook de goede procesorde geweld aangedaan. Dat hiervan sprake is, valt echter moeilijk vast te stellen, zeker bij een beoordeling in een incident, dus los van de hoofdzaak. Daarom lijkt toewijzing van een incidentele vordering als de onderhavige op deze grondslag praktisch vrijwel niet mogelijk.
3.20
Daarbij komt dat het de vraag is of aan het argument van oneigenlijke beïnvloeding wel erg veel gewicht toekomt in cassatie als het gaat om feiten die op grond van art. 419 lid 2 Rv toch al geen rol mogen spelen bij de beoordeling van het middel. Op zichzelf is eenieder vatbaar voor oneigenlijke beïnvloeding door kennis van bepaalde feiten waarmee geen rekening zou mogen worden gehouden, ook rechters, naar onderzoek laat zien.29.De rechter is weliswaar opgeleid om zich van dergelijke beïnvloeding – waaraan hij ook blootstaat door kennis te nemen van media en van andere bronnen – bewust te zijn en deze dus juist niet van invloed te doen zijn op zijn oordeel, maar de vraag is of dat altijd volledig lukt. De wet gaat er intussen van uit dat de rechter dat wel kan. Zo moet de rechter in beginsel zelf beslissen welk materiaal in het dossier van een zaak kan worden toegelaten en welk materiaal daaruit moet worden verwijderd. Dat geldt ook voor het bewijs in strafzaken, waarin het probleem wellicht het meest sterk kan spelen.30.Een en ander wordt nog mede enigszins gemitigeerd door het feit dat beide partijen weten dat de kennis bij de rechter aanwezig is en zich daarover dus kunnen uitlaten.
In cassatie speelt een en ander echter veel minder door het cassatieprocesrecht. Dat recht dwingt de cassatierechter immers strak binnen bepaalde grenzen te blijven, waarvan art. 419 lid 2 Rv er één is. Een andere van die grenzen is dat de cassatierechter niet de feiten beoordeelt. Hij kan alleen, op grond van een cassatieklacht, de begrijpelijkheid van de vaststelling van de feiten door de lagere rechter toetsen, mede in het licht van hetgeen uit het dossier blijkt – wat een nogal marginale beoordeling is –, en soms, in samenhang daarmee, de vraag of die vaststelling voldoende is gemotiveerd om de vaststelling begrijpelijk te doen zijn. Daarbij moet de cassatierechter zich op grond van art. 419 lid 2 Rv dus in beginsel beperken tot hetgeen uit de stukken van het geding blijkt. De cassatierechter zal zijn oordeel bovendien naar behoren moeten motiveren bij een vernietiging, dus moeten uitleggen waarom een bepaald feit tot vernietiging van de bestreden uitspraak leidt, aan de hand van de regels die daarvoor gelden. De rol die oneigenlijke beïnvloeding in cassatie kan spelen, bevindt zich dus in deze zeer beperkte marge.
3.21
In het licht van het voorgaande lijkt er geen of weinig plaats voor een incidentele vordering als de onderhavige in cassatie wegens het risico van oneigenlijke beïnvloeding. Daarvoor valt opnieuw in elk geval misbruik van bevoegdheid of strijd met een goede procesorde te eisen. Geen van beide is door de Staat echter aan zijn vordering ten grondslag gelegd, laat staan dat daarvan in dit stadium blijkt.
Overgelegde bijlagen ontoelaatbare nova?
3.22
Volledigheidshalve sta ik ook nog even stil bij de vraag of duidelijk is dat de door [eiseres] overgelegde bijlagen op grond van art. 419 lid 2 Rv inderdaad ontoelaatbaar zijn, zoals de Staat aanvoert. Omdat hiervoor als gezegd mede een beoordeling van de hoofdzaak nodig is, partijen hun standpunt in de hoofdzaak nog niet hebben toegelicht en partijen het procesdossier in feitelijke instanties zelfs nog niet hebben overgelegd, maak ik slechts een paar voorlopige opmerkingen.
3.23
[eiseres] voert aan dat de bijlagen, ondanks het in art. 419 lid 2 Rv bepaalde, toelaatbare nova zijn (a) omdat de beoordeling van een dreigende schending van art. 3 EVRM volgens de rechtspraak van het EHRM ex nunc moet plaatsvinden, en (b) omdat op de Hoge Raad uit hoofde van art. 1 EVRM de verplichting rust te waarborgen dat voor eenieder die onder zijn rechtsmacht ressorteert, de rechten onder het EVRM niet “theoretical or illusory” zijn, maar “practical and effective”. Volgens [eiseres] staat art. 419 lid 2 Rv er niet aan in de weg dat op de bijlagen acht wordt geslagen bij de beoordeling van het middel vanwege het absolute karakter van art. 3 EVRM en het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel van art. 13 EVRM.
Deze argumenten zijn zo te zien als zodanig gelijk aan de argumenten die in zaak 24/03194 door de opgeëiste persoon zijn aangevoerd ter onderbouwing van zijn betoog dat de feiten die zich in zijn zaak hebben voorgedaan na de bestreden uitspraak, bij de beoordeling van zijn middel moeten worden betrokken. In de conclusie in die zaak zijn die argumenten uitvoerig besproken en is het standpunt van de opgeëiste persoon in die zaak ongegrond geoordeeld op de grond dat, zeer kort gezegd, nieuwe feiten in een nieuwe procedure zullen moeten worden beoordeeld en dat daartegen ook geen enkel bezwaar kan bestaan.
3.24
Een in het oog springend verschil tussen deze zaak en zaak 24/03194 is dat [eiseres] nog niet is uitgeleverd aan de verzoekende staat.31.Als een uitlevering nog niet heeft plaatsgevonden, hanteert het EHRM als peilmoment voor de beoordeling van de vraag of een uitlevering in strijd is met art. 3 EVRM het moment waarop het EHRM de zaak beoordeelt. Uitgangspunt is echter ook dan dat de beoordeling van het risico op een behandeling in strijd met art. 3 EVRM hoofdzakelijk moet plaatsvinden aan de hand van feiten en omstandigheden waarmee de aangezochte staat bekend was of had kunnen zijn op het moment van de (beslissing tot) uitlevering. Volgens het EHRM is daarom “the primary purpose of the ex nunc principle (…) to serve as a safeguard in cases where a significant amount of time has passed between the adoption of the domestic decision and the consideration of the applicant’s Article 3 complaint by the Court, and therefore where the situation in the receiving State might have developed, that is to say, deteriorated or improved”.32.Over de ex nunc toetsing door het EHRM moet dus genuanceerd worden gedacht. Het voorgaande laat echter onverlet dat het EHRM, anders dan de Hoge Raad, een feitenrechter is. Genoemd verschil doet dus niet af aan hetgeen in de conclusie in zaak 24/03194 (onder 3.24) is opgemerkt.
3.25
Overigens keek ik kort naar de betekenis van de bij de procesinleiding gevoegde bijlagen voor de hoofdzaak van dit cassatieberoep. Dat leidt mij tot de evenzeer voorlopige opmerking dat ik niet onmiddellijk kan zien dat de inhoud van die bijlagen een ander licht werpt op de door het hof als garantie aangemerkte mededeling van de Chileense autoriteiten dat de detentietijd in Nederland in mindering komt op de aan [eiseres] opgelegde straf of de door de Chileense autoriteiten gegeven garanties in het algemeen. De bijlagen hebben kennelijk betrekking op een verzoek van [eiseres] dat de aan haar opgelegde gevangenisstraf wordt omgezet naar een zogeheten ‘gemengde straf’ (‘pena mixta’ in het Spaanse origineel), waarbij een deel van de straf kan worden uitgezeten onder (elektronisch) toezicht. Het Chileense openbaar ministerie en de State Defence Council hebben betoogd dat dit verzoek moet worden afgewezen, onder meer omdat een gevangenisstraf alleen kan worden omgezet in een ‘gemengde straf’, wanneer de gevangenisstraf van de veroordeelde al is aangevangen. De rechtbank van garantie te Antofagasta heeft het verzoek afgewezen, onder meer omdat de tenuitvoerlegging van de aan [eiseres] opgelegde gevangenisstraf nog niet is aangevangen in de Chileense jurisdictie. Het Hof van Beroep van Antofagasta heeft deze uitspraak bekrachtigd. De omstandigheid dat de Chileense rechter heeft geoordeeld dat de aan [eiseres] opgelegde gevangenisstraf naar Chileens strafprocesrecht momenteel niet in aanmerking komt voor omzetting naar een ‘gemengde straf’, laat op het eerste gezicht de mogelijkheid onverlet dat de tijd die zij in Nederland in detentie doorbrengt, in mindering wordt gebracht op de in Chili ten uitvoer te leggen gevangenisstraf. Overwegingen van de Chileense rechter over de garantie van de Chileense autoriteiten in dit verband moeten – zo lijkt mij – ook uitdrukkelijk worden beschouwd in de context van het voorliggende verzoek van [eiseres]. In ieder geval lijken uit de bijlagen niet zonder meer de ongeclausuleerde gevolgtrekkingen te kunnen worden gemaakt die het middel daaruit wil maken.
3.26
Bij het voorgaande – dat wat betreft de hoofdzaak uitsluitend tentatief is (mijn oordeel is nog niet gevormd; ik heb, als al gezegd, slechts een paar voorlopige opmerkingen gemaakt) – laat ik het, nu een beoordeling van het middel en de toetsing aan art. 419 lid 2 Rv als gezegd in de hoofdzaak dienen plaats te vinden. Zonder beoordeling van de hoofdzaak kan de incidentele vordering in dit geval niet worden toegewezen. Uit het voorgaande volgt dat het de vraag is of een incidentele vordering als de onderhavige zich überhaupt wel leent voor een beoordeling en toewijzing in een incident.
Slotsom
3.27
De incidentele vordering van de Staat valt dus af te wijzen.
Kostenveroordeling in het incident
3.28
[eiseres] heeft verzocht om de Staat te veroordelen tot vergoeding van de door haar in het incident gemaakte reële proceskosten.33.Dit verzoek heeft zij verder niet toegelicht, anders dan dat het incident nodeloos zou zijn opgeworpen.
Een in het ongelijk gestelde partij is alleen tot vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten van de wederpartij gehouden in buitengewone omstandigheden, waarbij moet worden gedacht aan misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter.34.Van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen is in deze context pas sprake, als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven.35.Dat daarvan sprake is, is gesteld noch gebleken. Het verzoek is dus niet voor inwilliging vatbaar.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot afwijzing van de incidentele vordering.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑09‑2025
Rb. Den Haag 19 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:9575.
Hof Den Haag 21 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:49.
Zie voor een en ander onder 11-13 van de incidentele conclusie.
Zie in deze zaak onder meer onder 1.3.4 van de procesinleiding en het verweerschrift in het incident.
De conclusie is gepubliceerd als ECLI:NL:PHR:2025:802. Zie voor het hier vermelde onder 3.21-3.24 van de conclusie.
Vgl. bijv. B.T.M. van der Wiel m.m.v. M.M. Stolp, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/289, en Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/241, beide met vermelding van de nodige gegevens.
Deze bepaling is geïntroduceerd bij wetswijziging van 26 juni 1876, Stb. 1876, 124.
Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie, Stb. 2016, 289 en Stb. 2017, 16 (inwerkingtreding).
Kamerstukken II 2014/15, 34138, nr. 3 (MvT), p. 41.
Wet van 25 januari 2023, Stb. 2023, 41 en Stb. 2023, 97 (inwerkingtreding op 1 mei 2023).
Vgl. bijv. de in voetnoot 7 genoemde auteurs, met verwijzing naar die rechtspraak.
Zie de in Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/241, voetnoot 3, genoemde rechtspraak, alsmede HR 30 juni 1989, NJ 1990/652, m.nt. C.J.H. Brunner, HR 24 april 1991, ECLI:NL:HR:1991:AD1391, NJ 1992/190, m.nt. H.J. Snijders, en HR 2 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2726, NJ 1999/1 (niet-toegelaten).
Zie onder meer HR 13 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3673, NJ 2001/513, HR 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4548, NJ 2006/101, HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:675, NJ 2015/305, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.3.3, HR 9 juni 2017, NJ 2017/256, rov. 2.4.2, HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1104, rov. 1, en HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1890, NJ 2025/32. Zie voor de uitzondering HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162, NJ 2014/201, m.nt. C.E. du Perron, rov. 2.
Zie bijv. HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1739 (stukken overgelegd na sluiting behandeling), HR 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:853 (borgersbrief te laat), HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:483 (verweerschrift niet door cassatieadvocaat ondertekend), HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:276, NJ 2022/351, m.nt. E. Verhulp (geen gelegenheid voor reactie op vordering tot cassatie in het belang der wet), HR 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1666 (geen uitstel verweerschrift), en HR 7 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:190, NJ 2025/128, m.nt. E. Verhulp (borgersbrief van niet-cassatieadvocaat).
Uit de in voetnoot 13 aangehaalde rechtspraak volgt dat de overlegging moet worden geacht niet te hebben plaatsgevonden. Vgl. ook V.C.A. Lindijer, De goede procesorde (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 2006, par. 4.4.1.7.
Vgl. onder art. 147 lid 3 (oud) Rv HR 10 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2452, NJ 1998/473, m.nt. J.B.M. Vranken, rov. 3.3. Zie ook V.C.A. Lindijer, De goede procesorde (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 2006, nr. 225.
Zie over misbruik van procesrecht in algemene zin Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands Burgerlijk Procesrecht, Dordrecht: Convoy Uitgevers 2024, nr. 7, Asser Procesrecht/Asser 3 2023/149 (toegespitst op waarheidsvinding en informatievergaring), en Snijders, Klaassen, Krans & Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht 2022/59. Zie wat uitgebreider Schrage, Misbruik van bevoegdheid (Mon. BW nr. A4) 2019/34, en B.T.M. van der Wiel, De rechtsverhouding tussen procespartijen (RP 128), Deventer: Kluwer 2004, nr. 78 e.v.Zie over de eisen van een goede procesorde in relatie tot het overleggen van stukken V.C.A. Lindijer, De goede procesorde (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 2006, par. 4.4.1.5-4.4.1.9, en B.T.M. van der Wiel, De rechtsverhouding tussen procespartijen (RP 128), Deventer: Kluwer 2004, nr. 271-272, en in algemene zin verder bijvoorbeeld Snijders, Klaassen, Krans & Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht 2022/54.
De Staat voert niet aan dat de overgelegde stukken te omvangrijk zijn.
Zie onder 3.23 van de conclusie, ECLI:NL:PHR:2025:802.
En het cassatieverweer, maar dat is in deze zaak niet aan de orde.
Kamerstukken II 1962/63, 2079, nr. 5 (MvA), nr. 12, vijfde alinea.
Vergelijk opnieuw de hiervoor in voetnoot 7 genoemde literatuur, waarin dit aan de orde komt.
Zie Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/241, voetnoot 6. Daar wordt verwezen naar HR 6 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4728, NJ 1985/590, rov. 2 en 3.8.3.3, en HR 31 januari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9216, NJ 1986/361. Vergelijk ook HR 3 februari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB8296, NJ 1989/365, rov. 3 (bezwaar tegen overleggen producties gehonoreerd in zoverre dat ‘de inhoud daarvan voor de beoordeling van de zaak in cassatie geen rol kan spelen’).
Vergelijk voor een en ander de volgende arresten: HR 2 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AB7993, NJ 1986/625, rov. 3 (op de hiervoor in 3.9 genoemde grond), HR 9 januari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5500, NJ 1987/928, m.nt. E.A. Alkema, rov. 3 (‘kunnen voor de beoordeling van de zaak in cassatie geen rol spelen’), HR 3 februari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB8296, NJ 1989/365, rov. 3 (idem), HR 10 augustus 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1565, NJ 1991/229, m.nt. P.A. Stein, rov. 3 (‘kan bij de beoordeling van het beroep in cassatie geen acht op worden geslagen’), HR 14 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0281, NJ 1991/693, rov. 3.4 (kennelijk idem), HR 9 september 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1440, NJ 1995/5, rov. 3.3 (idem, met verwijzing naar het in voetnoot 22 genoemde kamerstuk), HR 16 september 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1451, NJ 1995/7, rov. 3.1 (idem), HR 10 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2454, NJ 1998/65, rov. 3 (‘kunnen voor de beoordeling van de zaak in cassatie geen rol spelen’), HR 10 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2455, NJ 1998/66, rov. 3 (idem), HR 17 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2459, NJ 1998/692, m.nt. W.M. Kleijn, rov. 3 (idem), HR 6 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV9444, NJ 2006/656, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.3 (‘behoort niet tot de stukken van het geding in de zin van art. 419 lid 2 Rv), HR 23 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8102, rov. 2 (‘geen acht op slaan’), HR 14 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1467, NJ 2025/70, m.nt. A.I.M. van Mierlo, rov. 1 (‘kunnen voor de beoordeling van de zaak in cassatie geen rol spelen’), en HR 2 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1804, NJ 2025/75, m.nt. A.I.M. van Mierlo, rov. 1 (‘geen acht op slaan’).Zie ook de ‘uitzondering die de regel bevestigt’: HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1739, rov. 2 (“Nadat de stukken waren gefourneerd en arrest was gevraagd, zijn namens [eiser] stukken overgelegd die niet behoren tot de stukken van het geding als bedoeld in art. 419 lid 2 Rv. Nu deze stukken zijn ingediend na de sluiting van de behandeling van de zaak, heeft de Hoge Raad deze terzijde gelegd.”).
Het lijkt erop dat de termen voor geen acht op slaan of buiten beschouwing laten (in de zin van – alleen – geen kennis van nemen bij de relevante beoordeling) en terzijdestellen (in de zin van niet tot de gedingstukken rekenen en daarom ongelezen laten) elkaar overlappen, in die zin dat ‘geen acht op slaan’ en ‘buiten beschouwing laten’ soms ook in de laatste betekenis worden gebruikt (zie hiervoor in 3.9). Dat is begrijpelijk omdat die termen zich nu eenmaal in beide betekenissen laten gebruiken. Daarom dient te worden gelet op de context. Bij het weigeren van stukken is wel duidelijk wat wordt bedoeld (zie opnieuw hiervoor in 3.9). Bij art. 419 lid 2 Rv vallen geen uitspraken te noteren waarbij duidelijk is dat met ‘geen acht op slaan’ of ‘buiten beschouwing laten’ (of zelfs met terzijde laten of stellen) terzijdestellen in genoemde betekenis wordt gebruikt, van het niet tot de gedingstukken rekenen en daarom ongelezen laten (er vindt steeds een koppeling plaats met de beoordeling van het beroep of het middel en dus met art. 419 lid 2 Rv).
Zie HR 15 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:AC3985, NJ 1993/594, m.nt. H.J. Snijders, r.o. 3.5 (tussenbeschikking), en HR 2 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0923, NJ 1993/595, m.nt. H.J. Snijders, r.o. 2.3-2.5 (eindbeschikking).
Ook in latere rechtspraak heeft de Hoge Raad onder verwijzing naar een mogelijke schending van het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor op grond van art. 83 RO inlichtingen ingewonnen over de gang van zaken in feitelijke instanties. Zie HR 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5882, NJ 2012/637, rov. 3.2.2, en HR 20 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1408, NJ 2019/368, rov. 3.3.2.
Vgl. bijv. m.b.t. informatie A.J. Wistrich & J.J. Rachlinski, Implicit Bias in Judicial Decision Making. Chapter 5: American Bar Association, Enhancing Justice (2017), Cornell Legal Studies Research Paper No. 17-16, onder C, en in meer algemene zin ook T. Schillemans & I. Giesen, De kwaliteit van (juridisch) oordelen, NJB 2020/182, C.F. Perquin-Deelen, Biases in de boardroom en de raadkamer (VDHI nr. 160) 2020/4.1 e.v., C.F. Perquin-Deelen, E.G.C. Rassin & C.E. Smith, De invloed van het onbewuste op het rechterlijk oordeel (vergadering juni 2023 NVvP), Den Haag: Boom 2024, en Asser Procesrecht/Giesen 1 2024/251-267, alle met verdere literatuurverwijzingen.
Zie in die zin met betrekking tot een vordering in kort geding om onrechtmatig verkregen DNA-bewijs uit het strafdossier te verwijderen HR 11 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0364, NJ 1992/494, m.nt. G.J.M. Corstens, rov. 3.2. Dit arrest is bevestigd in HR 14 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8295 (strafkamer), rov. 4.3, HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1806, NJ 2019/413, m.nt. H.B. Krans en T. Kooijmans, rov. 3.5.3, HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273, NJ 2024/119, m.nt. H.B. Krans, rov. 3.9.2, en HR 1 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1560, NJ 2025/27, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.2.3 (alle van de civiele kamer). Zie ook bijv. Corstens/Borgers & Kooijmans, Het Nederlands strafprocesrecht 2021/XVI.11 (p. 872), met vermelding van meer uitspraken van de strafrechter over onrechtmatig verkregen bewijs.
Vgl. de verblijfplaats van [eiseres] die in de cassatiestukken tot nu toe en de aanbiedingsbrief in cassatie is genoemd. Zie ook onder 2.8 van de procesinleiding, waarin is vermeld dat de bestuursrechter op 31 januari 2025 een ordemaatregel heeft getroffen waarbij de minister is opgedragen ervoor zorg te dragen dat [eiseres] de uitkomst van haar verzoekschrift in de asielprocedure mag afwachten. De uitspraak is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Zie het overzichtsarrest EHRM 29 april 2022, nrs. 28492/15 and 49975/15, NJ 2022/269, m.nt. B.E.P. Myjer (Khasanov and Rakhmanov v. Russia), rov. 106. Zie ook de ECHR Guide – Immigration, laatstelijk geüpdatet op 28 februari 2025, onder 57.
Zie onder 3.2 van het verweerschrift in het incident.
Dit is vaste rechtspraak. Zie meest recent HR 4 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1081, NJ 2025/187, m.nt. C.M.D.S. Pavillon, rov. 3.1.3.
Zie HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, NJ 2012/233 (Duka/Achmea), rov. 5.1, en HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2366, NJ 2018/164, m.nt. S.D. Lindenbergh, rov. 3.5.2.
Beroepschrift 18‑03‑2025
PROCESINLEIDING VORDERINGSPROCEDURE IN CASSATIE
18 maart 2025
Eiseres:
[betrokkene],
gedetineerd in de PI [PI], locatie [a-plaats] (‘[betrokkene]’).
De advocaat bij de Hoge Raad A. Knigge (Houthoff, Gustav Mahlerplein 50, 1082 MA Amsterdam) vertegenwoordigt als zodanig [betrokkene] in deze cassatieprocedure.
Verweerster:
de Staat der Nederlanden, meer specifiek het Ministerie van Justitie en Veiligheid, een publiekrechtelijke rechtspersoon zetelend in Den Haag (de ‘Staat’).
De Staat heeft in deze zaak laatstelijk woonplaats gekozen bij de advocaat A.Th.M. ten Broeke (Pels Rijcken Advocaten, Bezuidenhoutseweg 57, 2594 AC Den Haag).
Bestreden uitspraak
[betrokkene] stelt cassatieberoep in tegen het arrest in kort geding, uitgesproken op 21 januari 2025, van het Gerechtshof te Den Haag (het ‘hof’), in de zaak met zaaknummer 200.343.692/01 tussen [betrokkene] als appellante en de Staat als geïntimeerde (het ‘arrest’).
Verschijningsdatum verweerster
De Staat der Nederlanden wordt opgeroepen om ten laatste op woensdag 7 mei 2025 bij de Hoge Raad te verschijnen, vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad. De enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden om 10.00 uur 's ochtends in het gebouw van de Hoge Raad aan het Korte Voorhout 8 te Den Haag.
Middel van cassatie
[betrokkene] voert tegen het arrest het volgende middel van cassatie aan: Schending van het recht en/of verzuim van wezenlijke vormen doordat het hof heeft overwogen en beslist als in het arrest is weergegeven, zulks op de volgende, mede in hun onderlinge samenhang in aanmerking te nemen gronden.
A. Inleiding
1. De kern van de zaak
1.1.
De kern van deze cassatieprocedure is dat het hof heeft verzuimd grondig en kritisch te beoordelen of sprake is van een dreigende schending van artikel 3 EVRM indien [betrokkene] wordt uitgeleverd aan Chili. Dat een dergelijke kritische beoordeling ten onrechte achterwege is gelaten en het hof ten onrechte (vrijwel) alles afdoet op basis van het vertrouwensbeginsel, is inmiddels duidelijk geworden door uitspraken die na het arrest van het hof in Chili zijn gewezen.
2. Het uitleveringsverzoek
2.1.
Op 24 maart 2022 is in Chili tegen [betrokkene] een aanhoudingsbevel uitgevaardigd om haar over te brengen naar het [A] (‘[A]’) teneinde de straf ten uitvoer te leggen waartoe zij onherroepelijk in Chili is veroordeeld.1.
2.2.
Op 18 april 2022 heeft [betrokkene] in Nederland asiel aangevraagd. Aan haar asielaanvraag heeft zij onder meer ten grondslag gelegd dat zij in Chili het slachtoffer is geworden van een politieke vervolging en dat zij een vluchteling is in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag.2.
2.3.
Bij diplomatieke nota van 21 april 2022 aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid hebben de Chileense autoriteiten het verzoek d.d. 30 maart 2022 overgebracht tot uitlevering van [betrokkene], met het oog op de tenuitvoerlegging van een aan haar opgelegde gevangenisstraf.3. [betrokkene] is op 13 juli 2022 aangehouden en in hechtenis genomen met het oog op haar uitlevering.
2.4.
Bij uitspraak van 13 maart 2023 heeft de rechtbank Rotterdam de gevraagde uitlevering van [betrokkene] toelaatbaar verklaard en geadviseerd een besluit over de uitlevering op te schorten tot een beslissing is genomen over de asielaanvraag, en bij afwijzing van de asielaanvraag de Chileense autoriteiten om garanties te vragen ter bescherming van haar leven dan wel ter voorkoming van dreigende mensenrechtenschendingen.4. De Hoge Raad heeft bij arrest van 26 september 2023 het tegen deze uitspraak ingestelde cassatieberoep verworpen.5.
2.5.
Bij brief van 1 november 2023 aan de Minister van Justitie en Veiligheid (de ‘Minister’) is namens [betrokkene] een zienswijze ingediend waarmee de Minister is verzocht de voorgenomen uitlevering te weigeren.6.
2.6.
Bij brief van 11 december 2023 namens de minister aan het Chileense Ministerie van Buitenlandse Zaken is om nadere informatie en ‘additional sufficient guarantees’ gevraagd met betrekking tot de rechten van [betrokkene].7. Daarop is geantwoord bij diplomatieke nota van 7 februari 2024, met als bijlage een brief d.d. 25 januari 2024 van het Chileense Ministerie van Buitenlandse Zaken.8.
2.7.
De Minister heeft het advies van de rechtbank Rotterdam niet opgevolgd en bij beschikking d.d. 27 februari 2024 de verzochte uitlevering aan de Republiek Chili toegestaan ten behoeve van de ten uitvoerlegging van de straf die [betrokkene] in Chili is opgelegd.9.
2.8.
Op de asielaanvraag is op 17 oktober 2024 afwijzend beschikt.10. [betrokkene] heeft onmiddellijk beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Amsterdam). In deze procedure is tot tweemaal toe beslist op een verzoek om een voorlopige voorziening. Op 17 januari 2025 werd [betrokkene] niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek — kort gezegd — omdat ervan mag worden uitgegaan dat de Staat hangende het beroep [betrokkene] niet zal uitleveren.11. Aangezien de Staat niettemin het voornemen had tot uitlevering over te gaan, is op 31 januari 2025 wel een ordemaatregel getroffen waarbij de Minister is opgedragen ervoor zorg te dragen dat [betrokkene] de uitkomst van haar verzoekschrift in Nederland mag afwachten.12. De zitting in de asielprocedure heeft inmiddels op 24 februari 2025 plaatsgevonden.
3. De procedure in feitelijke instanties
3.1.
Bij dagvaarding in kort geding d.d. 29 april 2024 heeft [betrokkene] gevorderd: primair de Staat te verbieden haar uit te leveren aan Chili, subsidiair die uitlevering te verbieden zolang de Staat geen bindende, concrete en op de persoon gerichte garanties heeft ontvangen van Chili die toereikend zijn om een (flagrante) schending van de in de dagvaarding genoemde fundamentele rechten te voorkomen, waarbij de Staat de mogelijkheid van actieve monitoring door de Staat ter controle van de nakoming van deze garanties moet zijn gegarandeerd en de Staat zich bereid moet verklaren deze monitoring op zich te nemen, meer subsidiair de Staat te verplichten de beschikking te herroepen en elke beslissing over uitlevering aan te houden totdat definitief op haar asielverzoek is geoordeeld, uiterst subsidiair de Staat te verbieden [betrokkene] uit te leveren aan Chili zolang niet definitief op haar asielverzoek is geoordeeld.
3.2.
Voor zover in cassatie van belang, heeft [betrokkene] aan deze vorderingen (sterk samengevat) ten grondslag gelegd:
- a.
een dreigende schending van artikel 3 EVRM wegens — kort gezegd — slechte detentieomstandigheden;
- b.
flagrante schending van artikel 10 Uitleveringswet, artikel 14 jo. 3 en 5 EVRM en artikel 1 van het 12de Protocol bij het EVRM in verband met dreigende discriminatoire detentie; en
- c.
strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm neergelegd in artikel 6:162 BW en het refoulement-verbod zoals neergelegd in artikel 2 en 3 EVRM en artikel 33 VN-Vluchtelingenverdrag omdat — kort gezegd — de minister over de uitlevering heeft beslist zonder de uitkomst van de asielprocedure af te wachten.
3.3.
De voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag (de ‘rechtbank’) heeft de vorderingen van [betrokkene] bij vonnis van 19 juni 2024 (het ‘vonnis’) afgewezen. [betrokkene] heeft tijdig bij appeldagvaarding van 16 juli 2024 (de ‘appeldagvaarding’) hoger beroep ingesteld. Het hof heeft in het hier bestreden arrest geoordeeld dat de door [betrokkene] aangevoerde grieven falen, het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en [betrokkene] veroordeeld in de kosten.
B. Klachten
1. Dreigende schending artikel 3 EVRM — detentieomstandigheden
1.1.
Met het door het hof gehanteerde beoordelingskader, zoals uiteengezet in rov. 6.1 — 6.6, en de (gebrekkige) toepassing daarvan in rov. 6.7 — 6.16 geeft het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
1.2.
Immers miskent het hof dat, anders dan het in rov. 6.2 (en 6.14) overweegt, op grond van artikel 2 Uitleveringswet en artikel 2 lid 3 Grondwet als uitgangspunt geldt dat in Nederland uitlevering uitsluitend plaatsvindt krachtens verdrag en dat de strekking van die eis is dat aan het sluiten van een uitleveringsverdrag een onderzoek voorafgaat naar het vertrouwen dat in het rechtsstelsel van de verdragsluitende staat kan worden gesteld. Nu aan voornoemd uitgangspunt niet wordt voldaan wegens de afwezigheid van een uitleveringsverdrag tussen Chili en Nederland en — in cassatie vaststaat dat — zelfs sprake is van het ontbreken van een bestendige uitleveringsrelatie en uitleveringservaring met Chili,13. uitlevering uitsluitend plaatsvindt krachtens artikel 51a lid 1 en 2 Uitleveringswet in samenhang met het VN-Verdrag tegen corruptie, terwijl Chili evenmin partij is bij het EVRM, en in cassatie vaststaat dat [betrokkene] bij uitlevering en plaatsing in de [A] bloot wordt gesteld aan een ‘real risk’ onderworpen te worden aan een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling,14. had het hof mede gelet op het absolute karakter van het verbod in artikel 3 EVRM, niet (steeds) het vertrouwensbeginsel tot uitgangspunt mogen nemen, en/althans niet (steeds) doorslaggevende betekenis mogen toekennen aan het vertrouwensbeginsel, en/althans, mede gelet op het rigorous scrutiny-vereiste, niet zonder nader onderzoek te doen naar of (i) gelet op de algemene mensrechtensituatie in Chili de ‘assurances’ waarop de Staat zich beroept ‘in their practical application’ een voldoende waarborg vormen tegen ‘the risk of ill-treatment‘, en (ii) gelet op (a) de kwaliteit van de 'assurances’, (b) ‘in light of_the receiving State's practices’, op die ‘assurances’ kan worden vertrouwd, waarbij onder meer de in rov. 6.5 genoemde factoren in aanmerking hadden moeten worden genomen.15. Het hof miskent dit alles, zoals (ook) volgt uit de hierna volgende in (onderlinge) samenhang te beoordelen (sub)klachten:
- a.
's Hofs oordeel in rov. 6.7, 6.8 en 6.9 dat sprake is van voldoende concrete en op de persoon gerichte, ondubbelzinnige garanties inzake — samengevat — (i) de locatie van de detentie in Chili, (ii) de duur van de resterende detentie na uitlevering, en (iii) de detentieomstandigheden in SWPC is onjuist aangezien de brief van 25 januari 202416. niet een bevestiging bevat dat hetgeen het hof kwalificeert als ‘garanties’ te gelden heeft als ‘binding upon the authorities’,17. althans onbegrijpelijk aangezien niet, althans niet zonder nadere toelichting die ontbreekt, duidelijk is hoe en door wie hetgeen het hof kwalificeert als ‘garanties’ in de praktijk jegens [betrokkene] gestand zal worden gedaan.18.
- b.
's Hofs oordeel in rov. 6.7 en 6.9 dat sprake is van voldoende concrete op de persoon gerichte en ondubbelzinnige garanties en dat er geen reden is om aan te nemen dat deze niet zullen worden nageleefd, berust niet op een onderzoek naar of deze garanties ‘in their practical application’ een voldoende waarborg vormen gelet op de algemene mensenrechtensituatie in Chili,19. en of gelet op de kwaliteit van deze garanties en alle overige omstandigheden, ‘in light of of the receiving State's practices’,20. op die garanties kan worden vertrouwd;
- c.
's Hofs oordeel in rov 6.10 dat er geen reden is er niet op te vertrouwen dat de Chileense staat zich gebonden acht aan de gegeven garanties, berust evenmin op een onderzoek naar de ‘receiving State's practices’, en is voorts onbegrijpelijk omdat zonder nadere motivering, die ontbreekt, uit dat oordeel niet blijkt waarom de scheiding der machten geen beletsel is voor de Minister van Buitenlandse Zaken van Chili om bindende garanties te geven inzake locatie, duur en detentieomstandigheden.21.
- d.
's Hofs oordeel in rov. 6.11 en 6.12 dat — kort gezegd — niet vaststaat dat de rechter beslist over de plaats van detentie, en als dat wel zo zou zijn, niet aannemelijk is dat de rechter niet overeenkomstig de gegeven garantie zal handelen, berust evenmin op een onderzoek naar de ‘receiving State's practices’. Daarbij miskent het hof voorts:
- (i)
dat [betrokkene] wel degelijk, onder verwijzing naar de verklaring van Fidel Salvador Castro d.d. 8 april 2024, heeft betoogd dat de scheiding der machten eraan in de weg staat dat de Minister van Buitenlandse Zaken van Chili de nakoming van de plaatsing kan garanderen;22.
- (ii)
dat het niet op de weg van [betrokkene] ligt aannemelijk te maken dat (er een reëel risico bestaat dat) de garantie waarop de Staat zich beroept niet bevoegd is gegeven door een instantie die de autoriteiten kan binden, maar dat het op de weg van de Staat ligt alle twijfel op dit punt weg te nemen en gelet op het rigorous scrutiny-vereiste op de rechter de verplichting rust zich ervan te overtuigen dat een garantie een dreigende schending van artikel 3 EVRM zal voorkomen; en
- (iii)
dat het hof deze garantie wel degelijk had dienen te toetsen op haar ‘practical application’ en met name of de rechter in Chili zich gebonden zal achten aan een door het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Chili gegeven garantie.
- e.
's Hofs oordeel in rov. 6.13 dat mededelingen van de verantwoordelijke officier van justitie en het Chileense systeem onvoldoende gewicht in de schaal leggen vanwege de latere, concrete en ondubbelzinnige garanties, berust evenmin op een onderzoek naar de ‘receiving State's practices’. Het hof miskent met dit oordeel dat het juist had dienen te onderzoeken of in dit concrete geval inderdaad een groter gewicht kan en zal worden toegekend aan die ‘garanties’.
- f.
's Hofs oordeel in rov. 6.14 inzake de duur van de nog door te brengen detentie berust evenmin op een onderzoek naar de ‘receiving State's practices’. Daarbij miskent het hof voorts:
- (i)
dat het niet op de weg van [betrokkene] ligt aannemelijk te maken dat de garantie waarop de Staat zich beroept niet bevoegd is gegeven door een instantie die de autoriteiten kan binden;
- (ii)
dat het hof juist had dienen te onderzoeken óf erop mag worden vertrouwd dat de gegeven garanties worden nagekomen, in plaats van tot uitgangspunt te nemen dat op nakoming daarvan kan worden vertrouwd; en
- (iii)
dat het deze garantie wel degelijk had dienen te toetsen op de ‘practical application’ daarvan en met name of de rechter in Chili en de Chileense officier van justitie zich gebonden achten aan een door het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Chili gegeven garantie.
- g.
's Hofs oordeel in rov. 6.15, waarmee het een noodzaak tot monitoring verwerpt, berust evenmin op een onderzoek naar de ‘receiving State's practices’. Daarbij miskent het hof voorts:
- (i)
dat het al dan niet bestaan van een monitoringsmechanisme juist een omstandigheid is die in aanmerking dient te worden genomen bij de boordeling of en zo ja welk gewicht aan ‘assurances’ kan worden gegeven; en
- (ii)
dat juist in een situatie als de onderhavige waarin een uitleveringsverdrag ontbreekt en geen sprake is van een bestendige uitleveringsrelatie,23. aan het ontbreken van een mogelijkheid tot monitoring of controle betekenis moet worden toegekend.
- h.
's Hofs oordeel in 6.16 (tussenconclusie) in het licht van het bovenstaande evenmin in stand kan blijven.
1.3.
Dat het hof in rov. 6.7, 6.8 en 6.9 ten onrechte, althans op onbegrijpelijke gronden oordeelt dat sprake is van voldoende concrete en op de persoon gerichte en ondubbelzinnige garanties ten aanzien van (i) de locatie van de detentie, (ii) de duur van de resterende detentie, en (iii) de detentieomstandigheden en dat er geen reden is om aan te nemen dat deze niet zullen worden nageleefd, waarbij het hof in rov. 6.10 — 6.15 ten onrechte alle bezwaren van [betrokkene] verwerpt, doorslaggevend gewicht toekent aan het vertrouwensbeginsel en steeds concludeert dat er geen reden is niet op de gegeven garanties te vertrouwen, is voorts evident in het licht van de meest recente ontwikkelingen:
1.3.1.
In een recente mondelinge behandeling d.d. 13 februari 2025 ten overstaan van de rechtbank van garantie te Antofagasta inzake de straftoepassing van [betrokkene] in Chili heeft, anders dan het hof in rov. 6.12 — 6.14 veronderstelt,
- a.
de officier van justitie zich niets gelegen laten liggen aan de door het Chileense Ministerie van Buitenlandse Zaken gegeven garanties inzake de duur van de resterende detentie;24.
- b.
ook de staat Chili zich op het standpunt gesteld dat de detentie in Nederland niet geldt als ten uitvoerlegging, en dat ongeacht of de Chileense staat de detentietijd in Nederland erkent, de rechter hierover na uitlevering zal hebben te oordelen.25.
- c.
de rechter
- (i)
overwogen dat de tenuitvoerlegging van de straf nog niet is aangevangen, de detentie van [betrokkene] in Nederland een uitleveringsdetentie is, die niet gelijkgesteld kan worden aan het uitzitten van een straf onder Chileens recht en erkenning van de detentietijd in Nederland na uitlevering plaatsvindt; en
- (ii)
geoordeeld dat [betrokkene] nog niet aan haar straf is begonnen, en dat de garanties waarop de verdediging zich beroept pas na uitlevering zullen worden beoordeeld.26.
1.3.2.
In het hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank van garantie te Antofagasta oordeelde het hof van beroep te Antofagasta op 26 februari 2025 voorts dat — anders dan het hof heeft gemeend te kunnen oordelen in onder meer rov. 6.7, 6.14 en 6.16 — de ‘garantie’ van de Minister van Buitenlandse Zaken van Chili niet inhoudt dat de detentietijd in Nederland in mindering komt op de haar opgelegde straf.27. De Staat is over deze uitspraak geïnformeerd en heeft bevestigd navraag te doen bij de Chileense autoriteiten.
1.3.3.
Met de opstelling van de staat Chili en de officier van justitie in deze procedure in Chili,28. en de weigering door het hof van beroep te Antofagasta gevolg te geven aan de toezegging in de brief van 25 januari 2024, kan, anders dan het hof in het arrest oordeelt, ook ten aanzien van de andere ‘toezeggingen’ — waaronder plaatsing in SWPC — niet, althans niet zonder nader onderzoek (rigorous scrutiny), erop worden vertrouwd dat die jegens [betrokkene] worden nagekomen.29.
1.3.4.
Aangezien (i) sprake is van een ex nunc toetsing bij de beoordeling of uitlevering een dreigende schending van artikel 3 EVRM tot gevolg heeft, en overeenkomstig de rechtspraak van het EHRM zelfs na uitlevering bekend geworden feiten in aanmerking kunnen worden genomen bij de beoordeling of ten tijde van het uitleveringsverzoek redenen (‘substantial grounds’) bestonden aan te nemen dat sprake is van een reëel risico (‘real risk’) op een schending van artikel 3 EVRM;30. van het ministerie van Buitenlandse Zaken, en wel dat ‘de Chileense Staat uitdrukkelijk heeft erkend dat de door hun cliënt in het buitenland in gevangenschap uitgezeten tijd in aftrek moet worden gebracht’ slechts een vrije interpretatie daarvan door die interveniënt; immers, het enige wat in dit document tot uitdrukking wordt gebracht is dat, mocht de veroordeelde naar het land terugkeren, zij niet zal worden onderworpen aan de voorzorgsmaatregel van voorlopige hechtenis, en dit komt overeen met haar hoedanigheid, want zij zal in de desbetreffende penitentiaire inrichting ingaan in de hoedanigheid van afgehandelde.’ (ii) artikel 1 EVRM zich richt tot de Staat in al zijn geledingen, waaronder de Hoge Raad; (iii) artikel 3 EVRM een van de meest fundamentele rechten betreft en een absoluut verbod op marteling of onmenselijke behandeling inhoudt, en (iv) artikel 13 EVRM [betrokkene] recht geeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, dienen deze nieuwe ontwikkelingen in aanmerking te worden genomen bij de beoordeling van het middel en het arrest. Uit de hiervoor in § 1.3.1 en 1.3.2 weergegeven nieuwe feiten volgt dat de oordelen in rov. 6.7, 6.8 en 6.9 niet in stand kunnen blijven, aangezien kennelijk geen sprake is van voldoende concrete, op de persoon gerichte en ondubbelzinnige garanties, en dat er wel reden is om aan te nemen dat deze ‘garanties’ niet zullen worden nageleefd. De oordelen in rov. 6.10 — 6.16 en 6.18 — 6.22 kunnen dan evenmin in stand blijven, aangezien de daarin vervatte oordelen steunen op de ‘garanties’. Artikel 419 lid 2 Rv staat aan dit alles niet in de weg.
1.4.
Indien en voor zover de klachten in onderdelen 1.1 tot en met 1.3.3, die zich richten tegen de oordelen van het hof over de gegeven garanties, slagen, dienen 's hofs oordelen in rov. 6.18 — 6.22 inzake de detentieomstandigheden bij plaatsing in SWPC, hetzelfde lot te delen.
1.5.
Voorts miskent het hof dat het bij de beoordeling of [betrokkene] blootstaat aan een ‘real risk of ill-treatment’ na uitlevering aan Chili en detentie in SWPC niet ermee kan volstaan om enerzijds in rov. 6.19 vast te stellen dat [betrokkene] geplaatst zal worden op een 8-persoonscel, overigens zonder dat het hof zich ervan vergewist hoeveel ‘personal space’ exact voor [betrokkene] resteert na aftrek van sanitaire voorzieningen, en anderzijds in rov. 6.20 te verzuimen zich ervan te vergewissen dat ondanks die ‘weighty factor’ de door het hof benoemde ‘garanties’ in hun ‘practical application’ inderdaad een voldoende waarborg vormen dat [betrokkene] geen ill-treatment ontvangt en de detentieomstandigheden niet strijdig zijn met artikel 3 EVRM.
2. Discriminatoire detentie
2.1.
Door in rov. 6.24 — samengevat — te oordelen dat de (enkele) omstandigheid dat vrouwen zoals [betrokkene] door het verschil in detentieomstandigheden voor vrouwen en mannen worden gediscrimineerd geen zelfstandige grond is om uitlevering te weigeren, dat dit ook niet volgt uit de wet of de jurisprudentie, en dat een beroep op artikel 10 lid 1 Uitleveringswet [betrokkene] niet kan baten, geeft het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans geeft het blijk van een onbegrijpelijk oordeel.
2.1.1.
Immers, daarmee miskent het hof dat artikel 10 lid 1 Uitleveringswet met zoveel woorden bepaalt dat uitlevering niet wordt toegestaan in geval van een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon (op andere wijze) zal worden getroffen in verband met zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, zijn ras of de groep van de bevolking waartoe hij behoort, en daaruit aldus volgt dat discriminatie wel een zelfstandige weigeringsgrond is of kan zijn.
2.1.2.
Voor zover het hof niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, is dit oordeel onbegrijpelijk. Het hof stelt immers vast dat de omstandigheden in SWPC minder gunstig zijn dan in de Captain Yaber-gevangenis en in cassatie moet ervan worden uitgegaan dat dit verschil wezenlijk is.31. Zonder toelichting die ontbreekt, is niet (voldoende) begrijpelijk waarom een wezenlijke achterstelling van [betrokkene] enkel omdat zij vrouw is geen (zelfstandige) weigeringsgrond oplevert.
3. Asielprocedure
3.0.
In rov. 6.26 overweegt het hof — samengevat — dat de Minister het besluit op het uitleveringsverzoek niet heeft opgeschort, maar wel heeft besloten met de feitelijke uitlevering te wachten totdat op de asielaanvraag is beslist en dat de Minister daarmee niet in strijd handelt met de maatschappelijke zorgvuldigheid, temeer niet nu geen verplichting tot afwachten bestaat. In rov 6.27 overweegt het hof — samengevat — dat de Minister op basis van het advies van Buitenlandse Zaken van 25 april 2022 heeft mogen oordelen dat van een situatie zoals bedoeld in artikel 10 lid 1 Uitleveringswet geen sprake is. In rov. 6.28 oordeelt het hofsamengevat — dat geen rechtsregel voorschrijft dat in geval van een beroep op een politieke vervolging niet kan worden uitgeleverd alvorens minstens één rechter over de asielaanvraag heeft geoordeeld. In rov. 6.29 oordeelt het hof — samengevat — dat ook in kort geding geoordeeld kan worden over de gronden waarop [betrokkene] asiel heeft gevraagd.
3.1.
Door aldus te overwegen en te oordelen, geeft hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof miskent immers (i) dat het ongemotiveerd voorbijgaan aan het nadrukkelijke advies van de uitleveringsrechter in strijd is met de maatschappelijke zorgvuldigheid (artikel 6:162 BW), en/althans (ii) dat een (mogelijk) oordeel in de asielprocedure dat bij uitzetting een reëel risico op blootstelling aan schendingen van artikel 3 EVRM bestaat, wel degelijk bij het oordeel over toelaatbaarheid van de uitlevering in aanmerking dient te worden genomen en moet kunnen worden genomen (zie ook § 2.2 hierboven), aangezien die uitkomst overeenkomstig artikel 10 lid 1 Uitleveringswet en het absolute karakter van het refoulementverbod onder artikel 3 EVRM, ongeacht de grondslag waarop de verwijderingsbevoegdheid wordt uitgeoefend, aan uitlevering in de weg kan staan,32. en/althans (iii) dat in de asielprocedure een autonome toetsing en beoordeling plaatsvindt van een dreigende schending van onder meer artikel 3 EVRM en artikel 1A Vluchtelingenverdrag,33. hetgeen met zich brengt dat (ook) uitlevering geen doorgang kan vinden zolang de asielrechter nog niet in eerste aanleg heeft beslist.
Conclusie
[betrokkene] vordert op grond van dit middel de vernietiging van het arrest, met zodanige verdere beslissing, mede ten aanzien van de kosten, als de Hoge Raad juist zal achten en om de Staat te veroordelen om al hetgeen [betrokkene] ter uitvoering van het bestreden arrest aan de Staat heeft voldaan aan [betrokkene] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling. [betrokkene] vordert voorts dat de toe te wijzen proceskostenvergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover, te rekenen vanaf veertien dagen na de datum van het arrest van de Hoge Raad.
Advocaat
A. Knigge
Bijlage 1a
Audiencia 13.02.2025 — RIT 5847-2018
Bien, damos inicio a la audiencia. Se ha permitido la grabación por parte de los medios de comunicación, con la advertencia de no difundir datos personales relativos a los familiares de la sentenciada, la señora [betrokkene]. Bajo esta condición, se autoriza la presencia de los medios en la audiencia, quienes podrán grabarla.
Don Fidel, tiene usted la palabra.
Muchas gracias, señoría. En representación de doña [betrokkene], la presente audiencia ha sido solicitada por nuestra defensa en virtud de lo dispuesto en el artículo 33 de la Ley 18.216, modificada por la Ley 20.603. Esta ùltima introduce un sistema de penas sustitutivas, abandonando el antiguo modelo de medidas alternativas. Dicha modificación legislativa responde a una evolución en la política criminal chilena, orientada hacia un modelo de reincorporación social efectiva, que reconoce la necesidad de establecer mecanismos flexibles de cumplimiento de penas sin menoscabo de los principios y fines preventivos generales de la sanción penal.
Vamos a comenzar con un análisis de los requisitos establecidos en el artículo 33 y, posteriormente, abordaremos las cuestiones sustantivas relativas a informes específicos.
Respecto del primer requisito, su señoría, la letra A del artículo 33 establece que la sanción impuesta al condenado debe ser de cinco años y un día de presidio o reclusión mayor en su grado mínimo, u otra inferior. Entendemos que este requisito debe interpretarse de manera sistemática dentro del derecho penal.
Este extremo se encuentra acreditado con la sentencia dictada por el Tribunal de Juicio Oral en lo Penal de Antofagasta en la causa RIT 147, con fecha 18 de enero de 2021, en cuyo resolutivo se impuso a doña [betrokkene] una pena de cinco años y un día de presidio mayor en su grado mínimo, sin beneficios alternativos, junto con penas accesorias.
Dicha sentencia fue incorporada a la carpeta digital de esta investigación el 19 de enero de 2021. Posteriormente, el 24 de marzo de 2022, una vez resueltos los recursos interpuestos y conocidos por la Excelentisima Corte Suprema, se dictó una resolución en los siguientes términos:
‘No hay constancia en autos de que la condenada [betrokkene], cédula de identidad 13.870.077-1, esté cumpliendo la pena corporal impuesta. Despàchese orden de prisión en su contra, a efectos de que sea conducida al centro penitenciario más cercano a su detención para cumplir la pena de cinco años y un día de presidio mayor en su grado minimo, con los abonos indicados en la sentencia.’
En consecuencia, su señoría, conforme a las sentencias dictadas y los antecedentes incorporados en esta carpeta judicial, se acredita de manera fehaciente que la pena impuesta cumple con el requisito establecido en la letra A del artículo 33 de la Ley 18.216.
Respecte del segundo requisite, su señoría, este exige que el condenado no registre otras condenas por crímenes o simples delitos, sin perjuicio de lo dispuesto en el artículo 15 bis de la misma Ley 18.216.
Para acreditar el cumplimiento de este requisito, hemos puesto a disposición del tribunal y de los intervinientes dos certificados de antecedentes de doña [betrokkene]. Sin perjuicio de ello, esta information puede ser verificada institucionalmente a través de la plataforma de gestión judicial, la cual está interconectada con el Servicio de Registro Civil e Identificación. Asimismo, la Fiscalía Local de Antofagasta puede confirmar, mediante la revisión de los antecedentes penales de la condenada, que no existen otras anotaciones distintas a la sanción impuesta en esta causa, tramitada bajo el RIT 147.
Por lo tanto, su señoría, desde la perspectiva del segundo requisito, entendemos que también se encuentra cumplido. Además, dado que la señora [betrokkene] solo registra una condena, desde el punto de vista criminológico y de la reinserción social, existen mayores posibilidades de que pueda cumplir satisfactoriamente con las exigencias sustantivas de la pena sustitutiva.
A este respecte, el informe emitido por el Estado de Chile señala lo siguiente en relación con doña [betrokkene]:
‘Por las características propias de la señora [betrokkene], en caso de ser extraditada a Chile, dado que ostentó un cargo público y su caso es de público conocimiento, se le ubicará en una dependencia con mujeres de bajo perfil delictual, con las medidas de seguridad necesarias para resguardar tanto su integridad fisica como psicológica.’
Este reconocimiento por parte del Estado de Chile confirma que la señora [betrokkene] tiene un bajo perfil delictual, lo que refuerza la idea de que cumple con los criterios de reinserción y rehabilitación social.
Tercer requisito: cumplimiento de un tercio de la pena
El tercer requisito, establecido en la letra C del artículo 33, dispone que el condenado debe haber cumplido al menos un tercio de la pena privativa de libertad de manera efectiva.
Para acreditar este punto, hemos reunido documentación oficial tanto del Reino de los Países Bajos como de Chile. Desde un punto de vista cronológico, los hitos relevantes en este asunto son los siguientes:
- 1.
La sentencia condenatoria fue dictada por el Tribunal de Juicio Oral en lo Penal el 18 de enero de 2021.
- 2.
La resolución del 24 de marzo de 2022 ordenó la detención de doña [betrokkene] para hacer efectivo el cumplimiento de la sentencia.
- 3.
El 30 de marzo de 2022, la Corte de Apelaciones acogió la solicitud de extradición y remitió la resolución al Ministerio de Relaciones Exteriores para que se gestionaran las diligencias diplomáticas necesarias con el Reino de los Países Bajos.
- 4.
El 13 de julio de 2022, dona [betrokkene] fue detenida en un centro de refugiados ubicado en las cercanías de Róterdam. Esta ubicación era conocida por las autoridades neerlandesas, por lo que, una vez recibida la orden de detención, procedieron a su captura y traslado.
Este hecho fue ampliamente conocido, ya que el mismo día de su detención, la Fiscalía de Antofagasta concedió una entrevista a CNN, disponible en su página web. Posteriormente, el 13 de marzo de 2023, se dio otra entrevista con motivo de una resolución del Tribunal de Róterdam, que reconoció las fechas de detención.
Para mayor certeza, solicitamos al Servicio Penitenciario de [PI] que certificara la fecha de ingreso de doña [betrokkene] a la prisión. En respuesta a nuestra consulta, el servicio penitenciario emitió el siguiente documento:
‘Se confirma que la fecha de inicio de la detención de la señora [betrokkene] en la Penitenciaría de [PI], dependencia de [a-plaats], es el 13 de julio de 2022.’
Esta certificación, debidamente traducida por una traductora oficial acreditada por la Embajada del Reino de los Países Bajos, fue incorporada a los antecedentes de la causa y puesta a disposición del tribunal y de los intervinientes.
Con base en este cómputo, su señoría, al día de hoy doña [betrokkene] ha cumplido 945 días de privación efectiva de libertad, lo que equivale al 51,7 % de la pena impuesta. Considerando que la condena es de 1.826 días (correspondientes a cinco años y un día de presidio mayor en su grado mínimo), la cantidad de días cumplidos supera con creces el tercio exigido por la ley.
Es importante mencionar que el Estado de Chile ha reconocido formalmente el tiempo de reclusión en el extranjero. En su informe del 25 de enero de 2024, señala expresamente:
‘De ser entregada por los Países Bajos a Chile, la señora [betrokkene] no deberá cumplir tiempo de prisión preventiva, sino que cumplirá el saldo de la pena pendiente, descontando el tiempo de reclusión efectiva en los Países Bajos con ocasión de la petición de extradición promovida por la Repùblica de Chile.’
Este reconocimiento se fundamenta en el principio de reciprocidad internacional, el principio de estoppel y lo dispuesto en el Pacto de San José de Costa Rica.
Asimismo, conforme al artículo 26 del Código Penal, en relación con el artículo 348 del Código Procesal Penal, el cómputo de la pena debe incluir los periodos de privación de libertad derivados de medidas cautelares o de procesos de extradición.
Cabe destacar que, durante la tramitación de la Ley 20.603, que modificó la Ley 18.216, se ajustó la redacción original de la norma para que el cómputo de la pena incluyera los períodos de privación de libertad previos a la ejecución de la condena. Esto se estableció expresamente en el segundo trámite constitucional de la Comisión de Constitución, Legislación y Justicia del Senado.
Por lo tanto, su señoría, no solo el Estado de Chile ha reconocido el abono de los días cumplidos en el extranjero, sino que también la doctrina penal y la normativa nacional avalan su inclusión en el cómputo de la pena.
Cuarto requisito: comportamiento del condenado
El cuarto requisito, establecido en la letra D del articule 33, exige que el condenado haya mantenido un comportamiento calificado como ‘muy bueno’ o ‘bueno’ en los últimos tres bimestres anteriores a la solicitud, conforme a lo dispuesto en el Decreto Supremo No 2.442 de 1926 del Ministerio de Justicia, que regula la Ley de Libertad Condicional.
Para acreditar este punto, solicitamos información al Servicio Penitenciario de [PI] sobre la conducta de doña [betrokkene] durante su reclusión. En respuesta, dicho servicio nos proporcionó un informe en el que se responden las siguientes consultas:
- 1.
¿La señora [betrokkene] ha realizado actividades recreativas, estudios o trabajo en la penitenciaría de [PI]?
- ○
Respuesta:Desde el inicio de su reclusión, la señora [betrokkene] ha participado en actividades laborales, desempeñándose en el taller penitenciario y, en un periodo, como encargada de aseo en el área de convivencia. Además, ha completado diversas capacitaciones y cursos.
- 2.
¿Ha mantenido su celda en buenas condiciones de higiene?
- ○
Respuesta:El aseo personal de la señora [betrokkene], tanto en su persona como en su celda, ha sido siempre adecuado. Por esta razón, fue seleccionada como encargada de aseo en el área de convivencia, con responsabilidades de limpieza, gestión de lavandería y distribución de alimentos.
- 3.
¿Es cierto que la señora [betrokkene] participó en una riña al interior de la penitenciaría?
- ○
Respuesta:Se confirma que la carta fechada el 25 de enero de 2024, firmada por [directeur], directora de la penitenciaría de [PI], certifica que la señora [betrokkene] no estuvo involucrada en ninguna riña. La información difundida por los medios de comunicación fue errónea.
- 4.
¿Cómo ha sido calificado su comportamiento en el período marzo-octubre de 2024?
- ○
Respuesta:Durante este período, la señora [betrokkene] ha mantenido una conducta satisfactoria. Recibió una única sanción disciplinaria menor por no haber cumplido con un trámite administrativo dentro del penal.
Las respuestas otorgadas por el Servicio Penitenciario de [PI] permiten establecer que la señora [betrokkene] ha tenido un comportamiento adecuado dentro del penal, con participación en actividades laborales y educativas, sin registrar antecedentes de conflictos o faltas graves.
Es importante destacar que esta información fue validada mediante documentos oficiales, traducidos por una traductora acreditada por la Embajada del Reino de los Países Bajos y puestos a disposición de los intervinientes y del tribunal.
Asimismo, su señoría, consideramos relevante desmentir la información errónea publicada en medios nacionales e internacionales respecto de la supuesta participación de la señora [betrokkene] en una riña.
El 29 de diciembre de 2023, el diario The Telegraph publicó un artículo con el titular:
‘Exalcaldesa pelea a puñetazos en la cárcel de [a-plaats]’,
donde se identificaba a la señora [betrokkene] con su nombre y fotografia. Posteriormente, el 27 de diciembre de 2023, el medio chileno El Mostrador replicó la noticia sin identificar la fuente original ni verificar su veracidad.
A raíz de esta información falsa, la defensa solicitó un pronunciamiento oficial a la Dirección de la Penitenciaría de [PI], la cual emitió una carta el 25 de enero de 2024, donde se certifica que doña [betrokkene] no estuvo involucrada en ningún tipo de riña.
En consecuencia, su señoría, queda acreditado que la condenada ha mantenido un comportamiento acorde con los estándares exigidos para la concesión de la pena mixta.
Factibilidad técnica del monitoreo telemático
Considerando que el Estado de Chile ha señalado que, en caso de extradición, doña [betrokkene] será internada en un centro penitenciario de la Región Metropolitana y no en Antofagasta, la defensa solicitó la certificación de factibilidad técnica para la aplicación del monitoreo telemático en ambas localidades.
El informe No 247058, emitido con fecha 30 de octubre de 2024, confirma que existe factibilidad técnica para el monitoreo telemático de doña [betrokkene] tanto en la ciudad de Antofagasta como en la Región Metropolitana.
Con ello, se da cumplimiento al último requisito formal exigido para la aplicación de la pena mixta.
Sobre el informe de Gendarmería de Chile
Conforme a la literalidad del artículo 33 de la Ley 18.216, el informe de Gendarmería es un requisito formal de admisibilidad para la concesión de la pena mixta.
Sin embargo, en reiteradas ocasiones se han concedido penas mixtas sin contar con dicho informe, lo que demuestra que su existencia no es un requisito absoluto, sino que puede ser suplido por otros antecedentes técnicos.
A modo de referencia, citamos tres casos en los que se ha otorgado el beneficio de pena mixta sin contar con el informe de Gendarmería:
- 1.
Causa RIT 1200694329-0 del 12o Juzgado de Garantía de Santiago (2014):
- ○
Se concedió la pena mixta a un condenado por robo con intimidación, sin contar con informe de Gendarmería.
- ○
El Ministerio Pùblico recurrió ante la Corte de Apelaciones de San Miguel, pero la resolución fue confirmada.
- 2.
Causa RIT 37-2015 de la Corte de Apelaciones de Talca:
- ○
Se concedió la pena mixta a un condenado, a pesar de existir un informe negativo de Gendarmería.
- ○
La Corte revocó la resolución del tribunal de primera instancia y otorgó el beneficio.
- 3.
Causa RIT 09-012-5368-4 del Tribunal Oral en lo Penal de Valdivia (2009):
- ○
Se concedió la pena mixta, desestimando un informe de Gendarmería por carecer de fundamentación suficiente.
Estos antecedentes reflejan que el informe de Gendarmería no es un requisito insalvable, sino que su falta puede ser suplida con informes periciales alternativos.
Por ello, la defensa ha presentado dos informes periciales elaborados por expertas en reinserción social y criminología, quienes analizaron en detalle la situación de doña [betrokkene].
Evaluación pericial independiente
Dado que el Estado de Chile no ha elaborado un informe de Gendarmería, la defensa ha solicitado informes periciales independientes, siguiendo los mismos criterios utilizados por Gendarmería para la concesión de penas sustitutivas.
Para ello, se requirió la opinión de dos peritos nacionales con más de 20 años de experiencia en el ámbito penitenciario y de reinserción social:
- 1.
[naam 2]:
- ○
Asistente social con vasta trayectoria en Gendarmería de Chile.
- ○
Especialista en reinserción social y elaboración de informes técnicos penitenciarios.
- ○
Experiencia en evaluación de postulantes a penas sustitutivas.
- 2.
[Nombre de la segunda perito]
- ○
Profesional con experiencia en informes criminológicos y periciales para el sistema judicial chileno.
- ○
Evaluadora en casos de penas alternativas y procesos de reinserción.
Estos informes fueron elaborados siguiendo el mismo procedimiento utilizado por Gendarmería de Chile, e incluyen:
- •
Antecedentes personales y familiares de la condenada.
- •
Entrevistas con el núcleo familiar y la propia [betrokkene].
- •
Análisis de factores criminológicos y de reinserción social.
- •
Evaluación de la viabilidad del monitoreo telemático.
Cabe destacar que la defensa se acreditó formalmente ante el Servicio Penitenciario de [PI] como abogado defensor de doña [betrokkene], lo que permitió la realización de una videoconferencia directa con la condenada.
A través de esta videoconferencia, las peritos pudieron realizar una evaluación directa de la señora [betrokkene], obteniendo una opinión técnica objetiva sobre su proceso de reinserción social.
Conclusiones de los informes periciales
Los informes concluyen que:
- 1.
Doña [betrokkene] posee recursos personales, familiares y sociales suficientes para adherir a un régimen de pena mixta.
- 2.
Su comportamiento durante la reclusión ha sido satisfactorio, sin antecedentes de riñas o conflictos.
- 3.
Ha participado activamente en programas de trabajo y capacitación en prisión.
- 4.
Su red de apoyo familiar facilita su reinserción social en Chile.
- 5.
Existe factibilidad técnica para la implementación del monitoreo telemático.
En consecuencia, se acredita que la señora [betrokkene] cumple con los criterios de reinserción exigidos por la Ley 18.216, lo que permite la aplicación de la pena mixta.
Fundamentos jurídicos para la concesión de la pena mixta
Desde una perspectiva jurídica, la concesión de la pena mixta se basa en los siguientes principios y normativas:
- 1.
Principio de reinserción social:
- ○
La Ley 18.216 busca la rehabilitación del condenado mediante medidas sustitutivas a la pena privativa de libertad.
- 2.
Normas internacionales aplicables:
- ○
Pacto de San José de Costa Rica (art. 5.6):Las penas privativas de libertad deben orientarse a la rehabilitación social del condenado.
- ○
Convención de las Naciones Unidas contra la Corrupción (art. 46, literal D):El tiempo de detención en el extranjero debe ser considerado en el cumplimiento de la pena.
- 3.
Jurisprudencia nacional:
- ○
Sentencia de la Corte de Apelaciones de La Serena (Ingreso 70-2013):El cumplimiento de penas debe interpretarse en armonía con tratados internacionales sobre derechos humanos.
- ○
Sentencia de la Corte de Apelaciones de Concepción (Ingreso 189-2014):Las penas privativas de libertad deben aplicarse con un criterio restrictivo, privilegiando alternativas de reinserción social.
- 4.
Precedentes en la aplicación de penas mixtas:
- ○
Como se ha señalado previamente, existen antecedentes de penas mixtas concedidas sin informe de Gendarmería.
Petición de la defensa
En virtud de lo expuesto, la defensa solicita a este tribunal que conceda la pena mixta a doña [betrokkene], disponiendo:
- 1.
La sustitución de la pena privativa de libertad por un régimen de monitoreo telemático.
- 2.
El traslado de la condenada a Chile, donde cumplirá el saldo de su pena bajo supervisión.
De manera subsidiaria, para el caso de que este tribunal considere necesario un informe de Gendarmería, la defensa propone la realización de una entrevista telemática con un delegado de Gendarmería de Chile, utilizando el sistema de videoconferencia del Servicio Penitenciario de [PI].
Para ello, ya se ha gestionado un enlace de conexión para el 18 de febrero de 2025 a las 10:00 horas (hora de Chile), con el fin de que el delegado pueda evaluar directamente a la condenada y emitir el informe requerido.
Dado que durante la pandemia se realizaron múltiples evaluaciones penitenciarias de manera remota, no existe impedimento para que Gendarmería realice este informe por videoconferencia, garantizando así la debida evaluación de la solicitante.
Posición del Ministerio Público
Gracias, magistrado.
El Ministerio Público se opone a la solicitud de la defensa, tanto en su petición principal como subsidiaria. Los argumentos de esta oposición se dividen en los siguientes puntos:
- 1.
La condenada no se encuentra en Chile, por lo que no puede concederse una pena sustitutiva desde el extranjero.
- ○
Doña [betrokkene] no ha iniciado el cumplimiento de su pena en territorio chileno, ya que su privación de libertad en Países Bajos responde a un proceso de detención previa a la extradición, y no al cumplimiento efectivo de la condena.
- ○
La pena mixta solo puede aplicarse cuando el condenado ya ha iniciado el cumplimiento de su pena y se busca interrumpirla.
- 2.
El informe de Gendarmería de Chile es un requisito insalvable.
- ○
Conforme al artículo 33 de la Ley 18.216, el tribunal solo podrá conceder la pena mixta previo informe favorable de Gendarmería.
- ○
La defensa ha acompañado informes privados, pero estos no sustituyen el informe oficial exigido por la ley.
- 3.
El monitoreo telemático no puede aplicarse fuera de Chile.
- ○
Si el tribunal concediera la pena mixta, se emitiría una orden de libertad en Países Bajos, lo que escapa a la jurisdicción nacional.
- 4.
No se cumplen los requisitos del artículo 33.
- ○
Letra B: No se ha demostrado que la condenada no tenga otras condenas o antecedentes en el extranjero.
- ○
Letra C: No se ha iniciado el cumplimiento de la pena en Chile, por lo que no se ha completado un tercio de la pena efectiva.
- ○
Letra D: No existe un informe oficial que acredite su buen comportamiento.
Por lo tanto, el Ministerio Público solicita que se rechace la petición de la defensa y que doña [betrokkene] cumpla su condena en un centro penitenciario chileno, según lo establecido en la sentencia firme.
Posición del Consejo de Defensa del Estado
Muchas gracias, magistrado.
En representación del Consejo de Defensa del Estado, esta parte comparte la postura del Ministerio Público y se opone a la solicitud de la defensa, fundamentando nuestra oposición en los siguientes puntos:
- 1.
Ausencia del informe de Gendarmería de Chile
- ○
Como ya se ha señalado, el artículo 33 de la Ley 18.216 exige un informe técnico favorable de Gendarmería de Chile, el cual no ha sido emitido.
- ○
El tribunal no puede obviar este requisito, ya que la ley es clara en cuanto a su exigencia.
- ○
La defensa intenta suplir este informe con documentos privados, lo que no resulta jurídicamente válido.
- 2.
Doña [betrokkene] no ha iniciado el cumplimiento de su pena en Chile
- ○
La pena mixta solo puede aplicarse cuando el condenado ya ha comenzado a cumplir su condena y se busca interrumpir su privación de libertad.
- ○
En este caso, la señora [betrokkene] no ha ingresado a un centro penitenciario chileno, por lo que su pena no ha comenzado a ejecutarse en Chile.
- ○
La privación de libertad en Países Bajos responde a un proceso de detención previa a la extradición, lo que no equivale a cumplir la pena en Chile.
- 3.
El monitoreo telemático debe implementarse en territorio nacional
- ○
La defensa argumenta que existe factibilidad técnica para implementar el monitoreo telemático en Chile.
- ○
Sin embargo, no es posible aplicar una medida sustitutiva mientras la condenada se encuentre fuera del país.
- ○
Si se concediera la pena mixta en estas condiciones, Chile estaría ordenando la libertad de una persona en el extranjero, lo cual no es jurídicamente viable.
- 4.
No se cumplen los requisitos del artículo 33 de la Ley 18.216
- ○
Letra B: La defensa ha acompañado un certificado de antecedentes de Chile, pero no ha demostrado que la condenada no tenga antecedentes en el extranjero.
- ○
Letra C: No se ha iniciado el cumplimiento de la pena en Chile, por lo que no puede computarse el tercio de la pena exigido.
- ○
Letra D: El informe del Servicio Penitenciario de [PI] es una comunicación informal que no cumple con los requisitos del Decreto Supremo No 2.442, que regula la evaluación de conducta para la pena mixta en Chile.
- 5.
El cómputo de abonos debe determinarse una vez que la condenada llegue a Chile
- ○
La defensa ha señalado que el Estado de Chile reconoció el tiempo de privación de libertad en Países Bajos como parte de la pena.
- ○
Sin embargo, este abono debe formalizarse a través de una resolución judicial una vez que la condenada sea trasladada a Chile.
- ○
No corresponde determinar la cantidad de días abonados en esta instancia, sino cuando se dicte la resolución de cumplimiento de condena.
Por lo tanto, el Consejo de Defensa del Estado solicita el rechazo de la solicitud de la defensa, en virtud de que no se cumplen los requisitos legales para la concesión de la pena mixta.
Resolución del Tribunal
Luego de escuchar a los intervinientes, este tribunal procede a resolver la solicitud de la defensa, considerando lo dispuesto en el artículo 33 de la Ley 18.216 y los principios de ejecución de penas.
- 1.
Sobre la existencia del informe de Gendarmería de Chile
- ○
La Ley 18.216 establece como requisito previo para la pena mixta la existencia de un informe técnico de Gendarmería de Chile.
- ○
En este caso, no se ha acompañado dicho informe, lo que impide al tribunal evaluar formalmente la procedencia de la solicitud.
- 2.
Sobre el inicio de cumplimiento de la pena en Chile
- ○
La pena mixta implica la interrupción de una condena que ya se encuentra en ejecución.
- ○
En este caso, doña [betrokkene] no ha ingresado a un centro penitenciario chileno, por lo que su pena aún no ha comenzado a ejecutarse en territorio nacional.
- ○
La privación de libertad en Países Bajos se debe a un proceso de extradición, lo que no equivale a un cumplimiento efectivo de la pena en Chile.
- 3.
Sobre el cómputo de abonos
- ○
Conforme al artícule 46 de la Convención de las Naciones Unidas contra la Corrupción, el tiempo de detención en el extranjero puede ser abonado al cumplimiento de la pena en Chile.
- ○
Sin embargo, este abono debe ser determinado una vez que la condenada sea trasladada a Chile, mediante una resolución judicial específica.
- 4.
Sobre el comportamiento de la condenada
- ○
La defensa ha acompañado un documento del Servicio Penitenciario de [PI], el cual indica que la condenada ha mantenido una conducta adecuada en prisión.
- ○
No obstante, dicho documento no cumple con los requisitos del Decreto Supremo No 2.442, que regula la calificación de conducta penitenciaria en Chile.
- 5.
Sobre la factibilidad del monitoreo telemático
- ○
Si bien la defensa ha acreditado que existe factibilidad técnica para aplicar el monitoreo telemático en Chile, este solo puede ser implementado una vez que la condenada ingrese al país.
- ○
No es jurídicamente posible ordenar una medida sustitutiva mientras la condenada se encuentre en el extranjero.
Decisón del Tribunal
En virtud de lo expuesto, este tribunal resuelve rechazar la solicitud de pena mixta interpuesta por la defensa de doña [betrokkene], por no cumplir con los requisitos establecidos en el artículo 33 de la Ley 18.216.
Asimismo, se dispone que:
- 1.
La condenada deberá ser trasladada a Chile para cumplir su pena en un centro penitenciario nacional.
- 2.
Una vez en Chile, podrá solicitar la revisón de su pena conforme a la normativa vigente.
- 3.
El cómputo de abonos por el tiempo de detención en el extranjero será determinado mediante resolución judicial, una vez que la condenada se encuentre en territorio nacional.
Se informa a las partes que esta resolución es apelable dentro del plazo legal.
Bijlage 1b
Hearing 13.02.2025 — RIT 5847-2018
Good morning. We now commence this hearing. Media recording has been permitted under the condition that no personal data concerning the convicted person's relatives, Mrs. [betrokkene], is disclosed. Subject to this condition, the presence of the media in this hearing is authorised, and they may record the proceedings.
Mr. Fidel, you have the floor.
Thank you, Your Honour. On behalf of Mrs. [betrokkene], this hearing has been requested by the defence pursuant to Article 33 of Law 18.216, as amended by Law 20.603. The latter introduced a system of substitute penalties, replacing the previous model of alternative measures. This legislative amendment reflects an evolution in Chilean criminal policy, shifting towards a model that effectively promotes social reintegration, recognising the need for flexible mechanisms for serving sentences without undermining the general preventive principles and objectives of penal sanctions.
We shall begin with an analysis of the requirements set forth in Article 33, followed by a discussion of substantive matters concerning specific reports.
Regarding the first requirement, Your Honour, paragraph (a) of Article 33 stipulates that the imposed penalty must be five years and one day of imprisonment or a lesser sentence. We understand that this requirement must be interpreted systematically within the framework of criminal law.
This condition has been duly established by the judgment issued by the Oral Criminal Trial Court of Antofagasta in case RIT 147, dated 18 January 2021, in which Mrs. [betrokkene] was sentenced to five years and one day of imprisonment in its minimum degree, without eligibility for alternative benefits, in addition to accessory penalties.
This judgment was incorporated into the digital case file on 19 January 2021. Subsequently, on 24 March 2022, once the appeals were resolved and reviewed by the Supreme Court, a resolution was issued in the following terms:
‘There is no record in the case file indicating that the convicted person, [betrokkene], Identity Card No. 13.870.077-1, is serving the imposed custodial sentence. A detention order shall be issued against her so that she may be transferred to the nearest penitentiary facility to serve the five-year and one-day prison sentence in its minimum degree, with the deductions established in the judgment.’
Accordingly, Your Honour, in light of the judgments rendered and the evidence incorporated into this case file, it is conclusively established that the imposed sentence meets the requirement set forth in paragraph (a) of Article 33 of Law 18.216.
Second Requirement: No Other Convictions
The second requirement, Your Honour, stipulates that the convicted person must not have any prior convictions for crimes or misdemeanours, subject to the provisions of Article 15 bis of Law 18.216.
To demonstrate compliance with this requirement, the defence has submitted two criminal record certificates for Mrs. [betrokkene] to the tribunal and the other parties. Additionally, this information can be officially verified through the judicial management platform, which is connected to the Civil Registry and Identification Service. Likewise, the Antofagasta Public Prosecutor's Office can confirm, by reviewing the convicted person's criminal history, that there are no additional records apart from the sentence imposed in this case (RIT 147).
Therefore, Your Honour, from the perspective of the second requirement, we submit that it is also duly fulfilled. Furthermore, as Mrs. [betrokkene] has only one conviction, from a criminological and social reintegration standpoint, there is a greater likelihood that she can successfully comply with the substantive requirements of the substitute penalty.
In this regard, a report issued by the State of Chile states the following concerning Mrs. [betrokkene]:
‘Due to the specific characteristics of Mrs. [betrokkene], should she be extradited to Chile, given that she previously held a public office and that her case is widely known, she will be placed in a facility housing women with a low criminal profile, with the necessary security measures to safeguard her physical and psychological integrity.’
This official recognition by the State of Chile confirms that Mrs. [betrokkene] has a low criminal profile, reinforcing the argument that she meets the criteria for social reintegration and rehabilitation.
Third Requirement: Completion of One-Third of the Sentence
The third requirement, set forth in paragraph (c) of Article 33, states that the convicted person must have served at least one-third of their custodial sentence.
To substantiate this claim, the defence has compiled official documentation from both the Kingdom of the Netherlands and Chile. The relevant chronological events in this case are as follows:
- 1.
On 18 January 2021, the Oral Criminal Trial Court rendered a conviction against Mrs. [betrokkene].
- 2.
On 24 March 2022, a detention order was issued for Mrs. [betrokkene] to enforce compliance with the judgment.
- 3.
On 30 March 2022, the Court of Appeal granted the extradition request and referred the ruling to the Ministry of Foreign Affairs to coordinate diplomatic efforts with the Kingdom of the Netherlands.
- 4.
On 13 July 2022, Mrs. [betrokkene] was detained in a refugee centre near Rotterdam. Her location was known to the Dutch authorities, and upon receiving the detention order, they proceeded with her arrest and transfer.
This event received significant public attention, as on the same day of her arrest, the Antofagasta Prosecutor's Office gave an interview to CNN, which remains available on their website. Later, on 13 March 2023, another interview was given regarding a decision by the Rotterdam Tribunal, which formally recognised the dates of her detention.
To further substantiate this, the defence requested the [PI] Penitentiary Service to certify the exact date on which Mrs. [betrokkene] entered the detention facility. In response, the service issued an official document, stating:
‘It is confirmed that Mrs. [betrokkene] commenced her detention at the [PI] Penitentiary, Nieuwersluis facility, on 13 July 2022.’
This certification, which has been officially translated by a certified translator accredited by the Embassy of the Kingdom of the Netherlands, has been incorporated into the case file and made available to the tribunal and the parties involved.
Based on this calculation, Your Honour, as of today, Mrs. [betrokkene] has served 945 days of effective imprisonment, equating to 51.7% of the imposed sentence. Given that the total sentence is 1,826 days (corresponding to five years and one day of imprisonment in its minimum degree), the number of days served far exceeds the one-third threshold required by law.
It is also crucial to highlight that the State of Chile has formally recognised the period of imprisonment served abroad. In its report dated 25 January 2024, it explicitly states:
‘If extradited to Chile, Mrs. [betrokkene] shall not be subject to pre-trial detention but will serve the remaining balance of her sentence, deducting the period of effective incarceration in the Netherlands due to the extradition request submitted by the Republic of Chile.’
This recognition is based on the principle of international reciprocity, the principle of estoppel, and the provisions of the American Convention on Human Rights (Pact of San José de Costa Rica).
Fourth Requirement: Behaviour of the Convicted Person
The fourth requirement, set out in paragraph (d) of Article 33, states that the convicted person must have maintained a ‘very good’ or ‘good’ behaviour rating in the three two-month periods preceding the request, in accordance with Supreme Decree No. 2,442 of 1926 issued by the Ministry of Justice, which regulates the Parole Law.
To substantiate this, the defence requested information from the [PI] Penitentiary Service regarding Mrs. [betrokkene]' conduct during her imprisonment. In response, the penitentiary authorities provided a formal report addressing the following queries:
- 1.
Has Mrs. [betrokkene] participated in recreational activities, studies, or work while in the [PI] penitentiary?
- ○
Response:Since the beginning of her incarceration, Mrs. [betrokkene] has engaged in work-related activities, including working in the prison workshop and, for a period, serving as a cleaning assistant in the communal living area. Additionally, she has completed various training courses and educational programmes.
- 2.
Has she maintained proper hygiene in her cell?
- ○
Response:Mrs. [betrokkene] has consistently maintained both her personal hygiene and the cleanliness of her cell. Due to her diligence in this regard, she was selected as a cleaning assistant for the communal area, where she was responsible for sanitation, laundry management, and food distribution.
- 3.
Was Mrs. [betrokkene] involved in a fight within the penitentiary?
- ○
Response:It is confirmed that, according to an official letter dated 25 January 2024, signed by Ms. [directeur], Director of the [PI] Penitentiary, Mrs. [betrokkene] was not involved in any altercation. The information disseminated by the media was inaccurate.
- 4.
How was her behaviour evaluated between March and October 2024?
- ○
Response:During this period, Mrs. [betrokkene] maintained a satisfactory record of behaviour. She received only one minor disciplinary sanction for failing to complete an administrative procedure within the facility.
The [PI] Penitentiary Service's official statements confirm that Mrs. [betrokkene] has demonstrated adequate conduct throughout her imprisonment, engaging in work-related and educational activities, while not being involved in any major disciplinary incidents.
It is also important to highlight that this information was validated through official documents, translated by a certified translator accredited by the Embassy of the Kingdom of the Netherlands, and made available to the tribunal and all parties involved.
Additionally, Your Honour, the defence considers it necessary to refute the inaccurate information published by national and international media regarding the alleged involvement of Mrs. [betrokkene] in a prison fight.
On 29 December 2023, the British newspaper The Telegraph published an article titled:
‘Former Mayor Engages in Fistfight at [a-plaats] Prison’,
in which Mrs. [betrokkene] was directly identified by name and photograph. Subsequently, on 27 December 2023, the Chilean media outlet El Mostrador reproduced the story without verifying its authenticity or citing the original source.
In response to this misinformation, the defence formally requested an official statement from the [PI] Penitentiary Directorate, which issued a letter dated 25 January 2024, explicitly certifying that Mrs. [betrokkene] was not involved in any altercation of any kind.
In conclusion, Your Honour, the evidence demonstrates that the convicted person has maintained behaviour consistent with the standards required for the granting of a mixed sentence.
Technical Feasibility of Electronic Monitoring
Considering that the State of Chile has indicated that, in the event of extradition, Mrs. [betrokkene] will be placed in a penitentiary facility within the Metropolitan Region and not in Antofagasta, the defence requested a technical feasibility assessment regarding the application of electronic monitoring in both locations.
The Technical Report No. 247058, issued on 30 October 2024, confirms that electronic monitoring for Mrs. [betrokkene] is feasible both in Antofagasta and the Metropolitan Region.
With this, the final formal requirement for the application of the mixed sentence has been fulfilled.
On the Report from the Chilean Gendarmerie
Under the literal interpretation of Article 33 of Law 18.216, a Gendarmerie report is a formal requirement for the admissibility of a mixed sentence application.
However, in several past cases, mixed sentences have been granted without such a report, demonstrating that its absence is not an absolute requirement, but rather may be substituted with alternative technical reports.
For reference, we cite three cases in which a mixed sentence was granted without a Gendarmerie report:
- 1.
Case RIT 1200694329-0,12th Criminal Court of Santiago (2014):
- ○
A mixed sentence was granted to a convicted individual for armed robbery, despite the absence of a Gendarmerie report.
- ○
The Public Prosecutor's Office appealed before the San Miguel Court of Appeal, but the decision was upheld.
- 2.
Case RIT 37-2015, Court of Appeal of Talca:
- ○
A mixed sentence was granted, even though the Gendarmerie had issued an unfavourable report.
- ○
The Court of Appeal reversed the trial court's decision and granted the benefit.
- 3.
Case RIT 09-012-5368-4, Oral Criminal Court of Valdivia (2009):
- ○
A mixed sentence was granted, rejecting the Gendarmerie report for lacking sufficient justification.
These precedents illustrate that a Gendarmerie report is not an insurmountable requirement, and that its absence may be compensated with independent expert reports.
For this reason, the defence has submitted two expert reports prepared by specialists in social reintegration and criminology, who have conducted a detailed analysis of Mrs. [betrokkene]' situation.
Independent Expert Evaluation
As the Chilean State has not issued a Gendarmerie report, the defence has sought independent expert reports, applying the same evaluation criteria used by the Gendarmerie when assessing substitute sentences.
To this end, two renowned experts with over 20 years of experience in the field of criminal rehabilitation and social reintegration were consulted:
- 1.
[naam 2]:
- ○
A social worker with extensive experience at the Chilean Gendarmerie.
- ○
Expert in social reintegration and author of multiple technical penitentiary reports.
- ○
Specialist in evaluating candidates for alternative sentencing measures.
- 2.
[Second Expert's Name]:
- ○
A professional with vast experience in criminological and forensic reporting for the Chilean judicial system.
- ○
Evaluator of cases related to alternative sentencing and social reintegration processes.
These reports strictly follow the same methodology employed by the Chilean Gendarmerie, and include:
- •
Personal and family background of the convicted person.
- •
Interviews with the convicted person and their immediate family members.
- •
Analysis of criminological factors and reintegration prospects.
- •
Assessment of the feasibility of electronic monitoring.
Additionally, the defence formally registered before the [PI] Penitentiary Service as legal counsel for Mrs. [betrokkene], enabling the conduct of a videoconference interview with the convicted person.
Through this videoconference, the experts directly assessed Mrs. [betrokkene], obtaining an objective professional opinion regarding her reintegration process.
Conclusions of the Expert Reports
The expert reports conclude that:
- 1.
Mrs. [betrokkene] possesses sufficient personal, familial, and social resources to comply with a mixed sentence regime.
- 2.
Her behaviour during her imprisonment has been satisfactory, with no record of fights or major infractions.
- 3.
She has actively participated in work programmes and vocational training while in custody.
- 4.
Her family support network facilitates her reintegration into Chilean society.
- 5.
There is confirmed technical feasibility for the implementation of electronic monitoring.
Consequently, these reports establish that Mrs. [betrokkene] meets the reintegration criteria required under Law 18.216, thus allowing the application of a mixed sentence.
Legal Grounds for Granting the Mixed Sentence
From a legal perspective, the granting of a mixed sentence is based on the following principles and legal frameworks:
- 1.
Principle of Social Reintegration:
- ○
Law 18.216 aims to rehabilitate convicted individuals through substitute sentences as an alternative to full custodial imprisonment.
- 2.
Applicable International Norms:
- ○
Article 5(6) of the American Convention on Human Rights (Pact of San José de Costa Rica):
- ■
‘Prison sentences shall be aimed at the reform and social rehabilitation of the convicted person.’
- ○
Article 46(d) of the United Nations Convention against Corruption:
- ■
‘The time spent in detention abroad shall be considered when determining the sentence to be served in the requesting state.’
- 3.
Relevant National Jurisprudence:
- ○
Judgment of the Court of Appeal of La Serena (Case No. 70-2013):
- ■
‘The execution of sentences must be interpreted in harmony with international human rights treaties.’
- ○
Judgment of the Court of Appeal of Concepcion (Case No. 189-2014):
- ■
‘Custodial sentences should be applied restrictively, favouring reintegration-oriented alternatives whenever feasible.’
- 4.
Precedents in the Application of Mixed Sentences:
- ○
As previously mentioned, there are multiple precedents where mixed sentences were granted without a Chilean Gendarmerie report.
Defence's Request
Based on the arguments presented, the defence respectfully requests that this tribunal grant Mrs. [betrokkene] a mixed sentence, thereby ordering:
- 1.
The replacement of the custodial sentence with a system of electronic monitoring.
- 2.
The transfer of the convicted person to Chile, where she shall serve the remainder of her sentence under supervision.
As a subsidiary request, should this tribunal consider that a Chilean Gendarmerie report is necessary, the defence proposes a virtual interview between a Gendarmerie officer and Mrs. [betrokkene], using the videoconference system of the [PI] Penitentiary Service.
To facilitate this, a secure videoconference link has already been arranged for 18 February 2025 at 10:00 AM (Chile Time), allowing a Chilean Gendarmerie delegate to directly assess the convicted person and issue the required report.
During the COVID-19 pandemic, numerous penitentiary evaluations were conducted remotely, demonstrating that there is no legal or technical impediment for the Chilean Gendarmerie to conduct this assessment via videoconference, thus ensuring compliance with due process.
Position of the Public Prosecutor's Office
Thank you, Your Honour.
The Public Prosecutor's Office opposes the defence's request, both in its principal and subsidiary forms. Our opposition is based on the following legal and procedural arguments:
- 1.
The convicted person is not in Chile; therefore, a substitute sentence cannot be granted while she remains abroad.
- ○
Mrs. [betrokkene] has not begun serving her sentence within Chilean territory, as her detention in the Netherlands was due to extradition proceedings and not the actual execution of her sentence.
- ○
A mixed sentence can only be granted when the convicted person has already begun serving their sentence and seeks to interrupt its execution.
- 2.
The Chilean Gendarmerie report is a mandatory requirement.
- ○
Article 33 of Law 18.216 expressly states that the tribunal may only grant a mixed sentence upon receiving a favourable report from the Chilean Gendarmerie.
- ○
While the defence has submitted private reports, these cannot replace the official report required by law.
- 3.
Electronic monitoring cannot be implemented outside Chile.
- ○
If the tribunal were to grant a mixed sentence while the convicted person remains abroad, this would effectively result in an order for her release in the Netherlands, which falls outside Chilean jurisdiction.
- 4.
Failure to meet the requirements of Article 33.
- ○
Paragraph (b): The defence has presented a Chilean criminal record certificate, but it has not demonstrated that the convicted person has no criminal records or pending cases in foreign jurisdictions.
- ○
Paragraph (c): The convicted person has not begun serving her sentence in Chile, meaning that one-third of the sentence has not been served within Chilean penitentiary facilities.
- ○
Paragraph (d): The report from the [PI] Penitentiary Service is an informal communication that does not meet the evidentiary standard required under Supreme Decree No. 2,442, which regulates the assessment of inmate behaviour for mixed sentence eligibility in Chile.
For these reasons, the Public Prosecutor's Office formally requests that this tribunal reject the defence's application, requiring Mrs. [betrokkene] to serve her full sentence within a Chilean penitentiary facility, in accordance with the final judicial ruling.
Position of the State Defence Council
Thank you, Your Honour.
On behalf of the State Defence Council, we align with the Public Prosecutor's Office and oppose the defence's request, based on the following legal considerations:
- 1.
Absence of the Chilean Gendarmerie Report
- ○
As previously stated, Article 33 of Law 18.216 requires a favourable technical report from the Chilean Gendarmerie, which has not been submitted.
- ○
The tribunal cannot waive this requirement, as it is expressly set forth in the law.
- ○
The defence's attempt to substitute this report with private evaluations is legally invalid.
- 2.
Failure to Begin Serving the Sentence in Chile
- ○
A mixed sentence may only be granted if the convicted person has already commenced their imprisonment and is seeking partial substitution.
- ○
In this case, Mrs. [betrokkene] has never entered a Chilean penitentiary facility, meaning that her sentence has not begun execution within Chilean jurisdiction.
- ○
Her detention in the Netherlands was solely for extradition purposes, which does not constitute actual sentence compliance under Chilean law.
- 3.
Electronic Monitoring Must Be Implemented in Chile
- ○
The defence claims that technical feasibility for electronic monitoring exists within Chile, yet such a measure cannot be applied while the convicted person remains abroad.
- ○
If granted, this would constitute an extraterritorial enforcement order, which exceeds Chilean legal authority.
- 4.
The Sentence Abatement Must Be Determined Upon Arrival in Chile
- ○
While the defence argues that the Chilean State has acknowledged the time served in the Netherlands, this must be formally determined by judicial resolution once the convicted person has been extradited to Chile.
- ○
The abatement of days served cannot be preemptively decided at this stage.
For these reasons, the State Defence Council respectfully requests the rejection of the defence's application, as the legal requirements for granting a mixed sentence have not been met.
Tribunal's Ruling
After hearing the arguments presented by all parties, this tribunal proceeds to resolve the defence's request, in accordance with Article 33 of Law 18.216 and the general principles governing the execution of sentences.
- 1.
On the Absence of the Chilean Gendarmerie Report
- •
Law 18.216 explicitly establishes that a mixed sentence may only be granted upon receipt of a Chilean Gendarmerie report.
- •
In this case, no such report has been submitted, thereby preventing this tribunal from conducting a formal assessment of the request.
- 2.
On the Commencement of the Sentence in Chile
- •
The mixed sentence regime is intended to partially replace an ongoing sentence.
- •
Mrs. [betrokkene] has not entered a Chilean penitentiary facility, meaning that her sentence has not commenced execution under Chilean jurisdiction.
- •
Her detention in the Netherlands was an extradition measure and does not equate to the actual serving of a sentence under Chilean law.
- 3.
On the Computation of Time Served
- •
Pursuant to Article 46(d) of the United Nations Convention against Corruption, time spent in detention abroad may be credited towards the sentence to be served in Chile.
- •
However, this credit must be formally determined through a judicial resolution once the convicted person has been transferred to Chile.
- 4.
On the Behavioural Assessment
- •
The defence submitted a report from the [PI] Penitentiary Service, indicating that Mrs. [betrokkene] maintained satisfactory conduct while in detention.
- •
However, this report does not meet the evidentiary standards required under Supreme Decree No. 2,442, which regulates behavioural assessments in Chilean penitentiaries.
- 5.
On the Feasibility of Electronic Monitoring
- •
The defence has demonstrated that technical feasibility exists for the implementation of electronic monitoring within Chile.
- •
However, electronic monitoring can only be applied once the convicted person is within Chilean territory.
- •
It is not legally permissible for this tribunal to issue a measure that would effectively grant liberty to the convicted person in a foreign jurisdiction.
Final Decision of the Tribunal
In light of the foregoing, this tribunal rejects the defence's request for a mixed sentence on behalf of Mrs. [betrokkene], on the grounds that the requirements set forth in Article 33 of Law 18.216 have not been met.
Additionally, this tribunal orders the following:
- 1.
The convicted person shall be extradited to Chile to serve her sentence in a Chilean penitentiary facility.
- 2.
Upon arrival in Chile, the convicted person may request a review of her sentence in accordance with applicable legal provisions.
- 3.
The computation of time served in the Netherlands shall be determined by judicial resolution once the convicted person is in Chilean territory.
The parties are hereby informed that this ruling may be appealed within the statutory timeframe.
Bijlage 2a
Individualización de Audiencia de ley 18.216
Fecha | Antofagasta, trece de febrero de dos mil veinticinco |
Magistrado | MARCO ANTONIO ESCOBAR MARTÍNEZ |
Fiscal | ATRICIO MARTINEZ FELIP |
Defensor particular | [naam 1] |
Defensor particular | GUSTAVO BALMACEDA |
Abogado querellante | ROCIO ROJAS NOVOA |
Hora inicio | 10:48AM |
Hora termino | 12:35PM |
Sala | PRIMERA SALA |
Tribunal | Juzgado de Garantie de Antofagasta |
Acta | Nuria Meneses Barahona |
RUC | 1700480634-4 |
RIT | 5847 — 2018 |
NO COMPARECE, CONDENADA POR LA PRESENTE CAUSA
NOMBRE IMPUTADO | RUT | DIRECCION | COMUNA |
|---|---|---|---|
[betrokkene] | 13.870.077-1 |
Se autoriza a los medios de comunicación grabar la presente audiencia, con la advertencia de no difundir datos personales en relación a familiares que seran mencionados por la defensa.
La defensa solicita se le otorgue la pena mixta a su defendida, por estimar que cumple con los requisitos legales, agregando que no posee informe favorable de Gendarmeríe de Chile, pero que se han realizado las gestiones para una entrevista entre su defendida y Gendarmería, vía remota, para la próxima semana, para la confección de dicho informe.
Por su parte, el Ministerio Público y la Querellante se oponen, indicando, entre otros argumentos, que la sentenciada no ha dado inicio al cumplimiento de su condena, en Chile, por lo tanto, no podría optar a pena mixta sin este requisite esencial.
El Tribunal resuelve:
No dar lugar a la pena mixta, por cuanto la sentenciada no cumple con los requisitos exigidos por la ley, principalmente, el hecho de no dar aún inicio a su condena. En relación a los abonos que señala la defensa, deberán ser analizados, una vez que la sentenciada haya sido trasladada y finalizada la extradición activa que ha sido solicitada y que aún no se ha cumplido, puesto que no ha sido puesta a disposición del Estado de Chile, para que cumpla la pena a la que ha sido sentenciada.
Como se pide, dése copia de audio a fiscal, defensas y querellante y del registro visual de la audiencia a la defensa.
Dirigió la audiencia y resolvió — MARCO ANTONIO ESCOBAR MARTINEZ, Juez de Garantía de Antofagasta. |
Bijlage 2b
Individualisering van hoorzitting 18.216
Datum | Antofagasta, dertien februari tweeduizend vijfentwintig |
Magistraat | MARCO ANTONIO ESCOBAR MARTÍNEZ |
Aanklager | PATRICIO MARTÍNEZ FELIP |
Particuliere ombudsman | [naam 1] |
Particuliere ombudsman | GUSTAVO BALMACEDA |
Aanklagende raadsman | ROCÍO ROJAS NOVOA |
Starttijd | 10:48AM |
Eindtijd | 12:35PM |
Kamer | EERSTE KAMER |
Rechtbank | Hof van garantie van Antofagasta |
Notulen | Nuria Meneses Barahona |
RUC | 1700480634-4 |
RIT | 5847 — 2018 |
NIET VERSCHENEN, VEROORDEELD IN DE ONDERHAVIGE PROCEDURE
NAAM BETAALD | RUT | ADRES | GEMEENSCHAP |
|---|---|---|---|
[betrokkene] | 13.870.077-1 |
De media mogen deze hoorzitting opnemen, met de waarschuwing geen persoonlijke gegevens uit te zenden van familieleden die door de verdediging genoemd zullen worden.
De verdediging verzoekt zijn een gemengde straf toe te kennen, omdat hij van mening is dat hij aan de wettelijke vereisten voldoet, en voegt daaraan toe dat hij geen gunstig rapport van Gendarmería de Chile heeft, maar dat er afspraken zijn gemaakt voor een interview tussen zijn cliënt en Gendarmería, op afstand, voor volgende week, ter voorbereiding van dit rapport.
Van hun kant verzetten het Openbaar Ministerie en Klager zich hiertegen, onder meer met het argument dat de veroordeelde niet is begonnen met het uitzitten van haar straf in Chili, en daarom zonder dit essentiële vereiste niet in aanmerking zou kunnen komen voor een gemengde straf.
Het Hof besluit:
Geen aanleiding geven tot de gemengde straf, aangezien de veroordeelde niet voldoet aan de vereisten van de wet, voornamelijk het feit dat zij nog niet aan haar straf is begonnen, de door de verdediging aangegeven kredieten betreft, deze zullen moeten worden geanalyseerd zodra de veroordeelde is overgedragen en de actieve uitlevering is voltooid, waarom is verzocht en waaraan nog niet is voldaan, aangezien zij niet ter beschikking van de staat Chili is gesteld om de straf uit te zitten waartoe zij is veroordeeld.
Geef op verzoek een kopie van het geluid aan de aanklager, verdediging en klager en een kopie van het visuele verslag van de hoorzitting aan de verdediging.
De hoorzitting werd geleid en besloten — MARCO ANTONIO ESCOBAR MARTÍNEZ, Juez de Garantía de Antofagasta. |
Bijlage 3a
Antofagasta, a veintiséis de febrero de dos mil veinticinco.
VISTOS:
Fidel Salvador Castro Allendes, abogado, en representación de [betrokkene], en causa RUC 1700480634-4, RIT No 5847-2018 del Juzgado de Garantía de Antofagasta, dedujo recurso de apelación en contra de la sentencia interlocutoria de fecha 13 de febrero de 2025, mediante la cual se rechazó la solicitud de pena mixta presentada por dicha parte y en forma subsidiaria requirió, se hiciera por parte de un delegado de Libertad Vigilada de Gendarmería una entrevista vía telemática a su representada el día 18 de febrero recién pasado, de lo que alega no se habría pronunciado la sentencia recurrida.
Se procedió a la vista de la causa en la audiencia del martes 25 del presente, interviniendo la defensa técnica, la parte querellante del Consejo de Defensa del Estado, representado por la abogada doña Rocío Rojas Novoa, y el Ministerio Público representado por el abogado asesor señor José Troncoso Valdés.
CONSIDERANDO:
PRIMERO: Que, la defensa de [betrokkene] ha construido su impugnación, sobre el presupuesto fáctico que su representada fue condenada a una pena de cinco años y un día de presidio mayor en su grado mínimo, que cumple los requisitos del artículo 33 de la ley 18.216, y que el abono del tiempo que lleva privada de libertad debe ajustarse a lo dispuesto en el literal d) del párrafo 11 del artículo 46 de la Convención de las Naciones Unidas contra la Corrupción.
Precisa que la resolución recurrida ha fundado su negativa a la petición de la defensa principalmente en la ausencia del informe de Gendarmería de Chile; en que la condenada no ha iniciado el cumplimiento de su pena en Chile, y en que el cómputo de abonos debe determinarse una vez que la condenada ingrese al país.
Da cuenta que la resolución recurrida yerra al interpretar restrictivamente los requisitos del artículo 33 de la Ley 18.216, desconociendo la evolución del sistema de penas sustitutivas y los principios que lo informan, especificando que respecto del informe de gendarmería existen precedentes jurisprudenciales que toleran emitir un pronunciamiento favorable a solicitudes del mismo tenor, omitiendo el informe al que se alude, pormenorizando los roles respectivos.
Sobre el tiempo de privación de libertad en Países Bajos que sufre hasta el día de hoy su representada, indica que dicha temporalidad, debe computarse como parte del cumplimiento efectivo de la pena, conforme al artículo 46 de la Convención de las Naciones Unidas contra la Corrupción. Y que el Estado de Chile ha reconocido expresamente la procedencia del abono del tiempo de reclusión en el extranjero, según consta en su informe de 25 de enero de 2024.
Enfatiza que su defendida cumple con todos los requisitos establecidos en el artículo 33 ya mencionado, desde que la pena impuesta es de cinco años y un día de presidio mayor en su grado mínimo; no registra otras condenas por crímenes o simples delitos; ha cumplido más del 51,7% de la pena (945 días) , superando el tercio exigido por la ley; que su comportamiento ha sido calificado como satisfactorio (bueno, conforme la escala del Derecho chileno) por el Servicio Penitenciario de [PI] y existe factibilidad técnica para el monitoreo telemático tanto en Antofagasta como en la Región Metropolitana.
Luego alude a diversos principios del Derecho Penal y Tratados Internecionales y de acuerdo a lo anterior, solicita se revoque la resolución impugnada, en tanto rechaza la aplicación de la pena mixta respecto de la condenada [betrokkene], y en su luger, se declare que ella es procedente conforme a antecedentes invocados en la audiencia respectiva, disponiendo que cumpla el saldo de la condena mediante monitoreo telemático en los domicilios que se han fijado en la causa y conforme al plan de intervención que al efecto Gendarmería de Chile elabore una vez que se hagan las entrevistas a su defendida.
SEGUNDO: Que la representante del Consejo de Defensa del Estado, como el abogado asesor del Ministerio Público se opusieron a la petición formulada por la defensa, por no concurrir los requisitos legales para ello.
TERCERO: Que la propuesta sobre la que nos obliga a reflexionar la defensa se vincula preferentemente al cumplimiento de los presupuestos fácticos y normativos del artículo 33 de la ley 18.216, y de la letra d) del párrafo 11 del artículo 46 de la Convención de las Naciones Unidas contra la Corrupción.
El artículo 33 de la ley 18.216, señala que
‘El tribunal podrá, de oficio o a petición de parte, previo informe favorable de Gendarmería de Chile, disponer la interrupción de la pena privative de libertad originalmente impuesta, reemplazándola por el régimen de libertad vigilada intensiva, siempre que concurran los siguientes requisitos:
- a)
Que la sanción impuesta al condenado fuere de cinco años y un díe de presidio o reclusión mayor en su grado mínimo, u otra pena inferior;
- b)
Que al momento de discutirse la interrupción de la pena privativa de libertad, el penado no registrare otra condena por crimen o simple delito, sin perjuicio de lo dispuesto en el inciso segundo del artículo 15 bis;
- c)
Que el penado hubiere cumplido al menos un tercio de la pena privativa de libertad de manera efectiva, y
- d)
Que el condenado hubiere observado un comportamiento calificado como ‘muy bueno’ o ‘bueno’ en los tres bimestres anteriores a su solicitud, de conformidad a lo dispuesto en el decreto supremo No2442, de 1926, del Ministerio de Justicia, Reglamento de la Ley de Libertad Condicional…’
En tanto el artículo 46 de la Convención de las Naciones Unidas contra la Corrupción, bajo el título ‘Asistencia judicial reciproca’, en lo que nos interesa, indica en su párrafo 10)
‘La persona que se encuentre detenida o cumpliendo una condena en el territorio de un Estado Parte y cuya presentia se solicite en otro Estado Parte para fines de identificación, para prestar testimonio o para que ayude de alguna otra forma a obtener pruebas necesarias para investigaciones, procesos o actuaciones judiciales respecto de delitos comprendidos en la presente Convención podrá ser trasladada si se cumplen las condiciones siguientes:
- a)
La persona, debidamente informada, da su libre consentimiento;
- b)
Las autoridades competentes de ambos Estados Parte están de acuerdo, con sujeción a las condiciones que éstos consideren apropiadas.’
Luego a propósito y para los fines que dicho párrafo prevé, en su párrafo 11)
‘A los efectos del párrafo 10 del presente artículo:
- a)
El Estado Parte al que se traslade a la persona tendrá la competencia y la obligación de mantenerla detenida, salvo que el Estado Parte del que ha sido trasladada solicite o autorice otra cosa;
- b)
El Estado Parte al que se traslade a la persona cumplirá sin dilación su obligación de devolverla a la custodia del Estado Parte del que ha sido trasladada, según convengan de antemano o de otro modo las autoridades competentes de ambos Estados Parte;
- c)
El Estado Parte al que se traslade a la persona no podrá exigir al Estado Parte del que ha sido trasladada que inicie procedimientos de extradición para su devolución;
- d)
El tiempo que la persona haya permanecido detenida en el Estado Parte al que ha sido trasladada se computará como parte de la pena que ha de cumplir en el Estado del que ha sido trasladada.’.
CUARTO: Que, siempre en el contexto que se relaciona, vale indicar que las denominadas ‘penas mixtas’, reguladas en el artículo 33 de la ley 18.216, no tienen la naturaleza jurídica que su nomenclatura anuncia. En efecto, es el propio legislador, al introducir la modificación a dicho texto normativo, mediante la dictación de la ley 20.603, el que se sincera ab initio sosteniendo que ‘en estricto rigor no constituyen una pena sustitutiva en particular, sino un mecanismo para llegar a imponer la libertad vigilada intensiva, por consistir en una forma adicional de poner término al cumplimiento de penas privativas de libertad, junto a las ya existentes, tales como el cumplimiento efectivo de la pena, la obtención de la libertad condicional o de la rebaja de condena, o la aplicación de indultos generales y particulares.’ (Gobierno de Chile Ministerio de Justicia. Nuevo Sistema de Penas Sustitutivas Ley No 18.216. Análisis de las modificaciones introducidas por la Ley No20.603. Chile 2013. p. 52).
Lo anterior se ve corroborado, del simple examen que puede realizarse a la literalidad del inciso primero del artículo 1o de la ley 18.216, donde precisamente no se le menciona entre las penas sustitutivas que dicho compendio normativo regula, regla en la cual se dota de tal carácter a la remisión condicional, reclusión parcial, libertad vigilada, libertad vigilada intensiva, expulsión en el caso señalado en el artículo 34 y la prestación de servicios en beneficio de la comunidad. Lo que se viene indicando debe integrar el análisis que decida el asunto en el caso concreto.
Lo que se pretende entonces por la defensa, coincidente con el espíritu y literalidad de la normativa en incidencia, es interrumpir la pena privativa de libertad que está pesando sobre la condenada, para imponer otra pena sustitutiva al castigo corporal dispuesto, y que, en la especie, solo puede ser la libertad vigilada intensiva.
QUINTO: Que se debe estar con el juez de la causa cuando niega la pretensión principal y subsidiaria de la defensa por no concurrir los requisitos legales.
En efecto, los presupuestos de hecho que como premisas enarbola la defensa, para estimar cumplidos los requisitos que para estos efectos el legislador demanda, aparecen artificiosamente construidos, y necesitan de algo más que los principios generales del derecho para ser aceptados.
Las conclusiones precedentes devienen categóricas, si se reflexiona, sobre algunos aspectos pacíficos de la discusión, como lo es, el hecho que la condenada [betrokkene], se encuentra en Los Países Bajos, sujeta a una medida cautelar de privación de libertad, en tanto no se resuelva el proceso de extradición que se sigue a su respecto. Lo anterior desde ya, supone o permite concluir de acuerdo con lo dispuesto en el artículo 20 del Código Penal, que no se encuentra cumpliendo una pena, pues dicha norma expresamente señala que no se reputan penas, la restricción o privación de libertad de los detenidos o sometidos a prisión preventiva u otras medidas cautelares personales, sin perjuicio del abono correspondiente según lo establece el artículo 348 del Código Procesal Penal.
Lo dicho en forma inmediatamente precedente, debe vincularse al requisito que impone el literal c) del artículo 33 de la ley 18.216, en cuanto demanda que ‘el penado hubiere cumplido al menos un tercio de la pena privativa de libertad de manera efectiva’. No puede sostenerse entonces, a efectos de la regla que gobierna el instituto de reemplazo que la defensa demanda, que [betrokkene] haya cumplido un tercio de la pena privativa de libertad de manera efectiva, pues la denominación ‘efectiva’, tiene el carácter de una privación de libertad al amparo de un régimen penitenciario de cumplimiento de condena. Afirmamos lo anterior, pues los fines de la pena que impone un proceso penal, solo se comienzan a cumplir, a efecto del artículo 33 ya referido, cuando se ingresa a un recinto penitenciario en esa condición, esto es, en calidad de condenado.
Lo que se expone tiene directa relación, si se es consecuente con la naturaleza juridica de una pena mixta, desde la perspectiva de lo que ella representa como una interrupción de la sanción corporal impuesta al condenado, en cuanto dicha interrupción, ‘es una manifestación del principio de progresividad, en virtud del cual, en la medida que el penado encarcelado va entregando indicios claros de rehabilicación y búsqueda de reinserción social, es factible entonces que éste, cumpliendo con los requisitos que la norma exige, pueda entonces acceder a este régimen más laxo de cumplimiento de la pena en libertad, pero sujeto a un estricto régimen de control de la misma tanto a través de la supervigilancia de los delegados de libertad vigilada intensiva como asimismo con la imposición del monitoreo telemático obligatorio.’ (Godoy Hormazábal, Alejandra: ‘Las penas mixtas de la ley 18.216, modificada por la ley 20.603’, Afet para optar al grado de Magister en Derecho con Mención en Derecho Público, Universidad de Chile, 2015).
La norma del literal d) del párrafo 11 del artículo 46 de la Convención de las Naciones Unidas contra la Corrupción, no concurre en auxilio de la defensa, desde que la misma indica expresamente que:
‘A los efectos del párrafo 10 del presente artículo…d) El tiempo que la persona haya permanecido detenida en el Estado Parte al que ha sido trasladada se computará como parte de la pena que ha de cumplir en el Estado del que ha sido trasladada.’.
Sin embargo, las hipótesis del párrafo 10, no se ajustan al caso concreto, pues dicha regia señala a literalidad:
‘La persona que se encuentre detenida o cumpliendo una condena en el territorio de un Estado Parte y cuya presencia se solicite en otro Estado Parte para fines de identificación, para prestar testimonio o para que ayude de alguna otra forma a obtener pruebas necesarias para investigaciones, procesos o actuaciones judiciales respecto de delitos comprendidos en la presente Convención podrá ser trasladada si se cumplen las condiciones siguientes…’.
De otra suerte, la cita que hace la defensa, al instrumento de la cancillería que incorpora y refiere en su alegato de fecha 25 de enero de 2024, en el que ‘El Estado de Chile ha reconocido expresamente que debe abonarse el tiempo de reclusión en el extranjero de su defendida’, corresponde a una interpretación libre que dicho interviniente hace del mismo, pues lo único que este documento expresa, es que en caso de que la condenada regrese al país, no será sometida a la cautelar de prisión preventiva, y ello se corresponde con la calidad que tiene, pues su ingreso lo será en calidad de rematada al recinto penal correspondiente.
QUINTO: Que, respecto a las alegaciones que se formulan en el orden a que [betrokkene], dio inicio al cumplimiento de su condena, deberá estarse a los fundamentos precedentes, pues una cosa es encontrarse privado de libertad sujeto a una medida cautelar y otra encontrarse privado de libertad cumpliendo una condena.
Con todo, y aun concediendo el cumplimiento de los requisites de las letras a), b) y c) del artículo 33 ya tantas veces aludido, bajo ningún respecto puede aceptarse como concurrente el requisito contemplado en el literal d) de la misma norma, esto es, ‘ Que el condenado hubiere observado un comportamiento calificado como ‘muy bueno’ o ‘bueno’ en los tres bimestres anteriores a su solicitud, de conformidad a lo dispuesto en el decreto supremo No2442, de 1926, del Ministerio de Justicia, Reglamento de la Ley de Libertad Conditional.’.
La conclusión que se adelanta es categórica, si se tiene en razón, que la defensa lo pretende cumplido, por la manifestación subjetiva de la autoridad encargada del penal en que se encuentra recluida [betrokkene], lo que debería ser derivado de la expresión:
‘… generalmen te buena’.
Si se está atento al requisite que impone el legislador, se debe coincidir con estos juzgadores, en orden a que se trata de un comportamiento calificado de ‘bueno’ o ‘muy bueno’, pero bajo las formas y requisitos del Decreto Supremo No2442 de 1926, del Ministerio de Justicia, Reglamento de la Ley de Libertad Condicional que se ajusta a lo dispuesto en los artícules 4 y siguientes del Decreto Ley No 321, por cierto, el documento con el que se pretende practicar dicho imperativo no cumple formal ni sustantivamente con aquella demanda.
SEXTO: Que un aspecto insalvable también, para las pretensiones de la defensa, lo constituye el no haberse incorporado en la petición el informe favorable de Gendarmeriá de Chile, requisito previo que abre el examen de las demás exigencias.
En efecto, la defensa en este capítulo acude al auxilio de referentes jurisprudenciales que individualiza, pero dichos antecedentes se refieren o resuelven casos que no se ajustan al fáctico que nos convoca, en particular en todos los casos, los condenados se encontraban en el país, y hebían dado comienzo a la ejecución de sus penas. De tal suerte que no corresponde hacerse cargo de dichas alegaciones en esa consecuencia.
Con todo, la petición subsidiaria de la defensa tampoco puede ser atendida, lo anterior si se tiene presente las exigencias que se imponen al informe aludido, a la sazón, — solo por mencionar alguna- ‘Una opinión técnica favorable que permita orientar sobre los factores de riesgo de reincidencia, a fin de conocer las posibilidades del condenado para reinsertarse adecuadamente en la sociedad, mediante una pena a cumplir en libertad. Dicha opinión contendrá, además, los antecedentes sociales y las características de personalidad del condenado y una propuesta de plan de intervención individual que deberá cumplirse en libertad. Considerará, asimismo, la existencia de investigaciones formalizadas o acusaciones vigentes en contra del condenado.’. Resulta complejo aceptar desde ya, que dicho informe, que en términos reales constituye una suerte de peritaje social integrado, pueda ser evacuado solo mediante entrevistas realizadas vía telefónica o en forma telemática.
Así las cosas, solo corresponde confirmar la resolución apelada, que no dio lugar a la petición principal y subsidiaria de la defensa, según se expresará en lo resolutivo de esta sentencia.
Por estas consideraciones y visto lo dispuesto en los artículos 277, 352 y 370 del Código Procesal Penal, SE CONFIRMA sin costas, la resolución en alzada de trece de febrero de dos mil veinticinco, dictada en causa RUC 1700480634-4, RIT 5847-2018 del Juzgado de Garantía de Antofagasta, que no dio lugar a la petición principal y subsidiaria formulada por el abogado defensor particular señor Fidel Salvador Castro Allendes, en representación de la condenada señora [betrokkene].
Regístrese y comuníquese.
Rol 121-2025 (PENAL)
Redactada por el ministro Titular Jaime Rojas Mundaca
Pronunciado por la Primera Sala de la C.A. de Antofagasta integrada por Ministra Presidente Virginia Elena Soublette M., Ministro Jaime Anibal Rojas M. y Abogado Integrante Fernando Orellana T. Antofagasta, veintiseis de febrero de dos mil veinticinco.
En Antofagasta, a veintiseis de febrero de dos mil veinticinco, notifiqué en Secretaría por el Estado Diario la resolución precedente.
Bijlage 3b
Antofagasta, zesentwintig februari tweeduizend vijfentwintig.
TEN AANZIEN VAN:
Fidel Salvador Castro Allendes, advocaat, in vertegenwoordiging van [betrokkene], in zaak RUC 1700480634-4, RIT Nr. 5847-2018 van de Rechtbank van Garantie van Antofagasta, heeft beroep aangetekend tegen het tussenvonnis van 13 februari 2025, waarbij het door genoemde partij ingediende verzoek om een gecombineerde straf werd afgewezen en hij subsidiair verzocht dat een Reclasseringsambtenaar van de Gevangenisdienst op 18 februari een verhoor via beeldscherm op afstand met zijn cliënte zou afnemen, waarover het vonnis waartegen in beroep wordt gegaan volgens hem geen uitspraak zou hebben gedaan.
Er werd overgegaan tot behandeling van de zaak op de hoorzitting van dinsdag 25 van deze maand, met deelname van deskundigen van de verdediging, van de eiser van de Staatsraad voor de Verdediging, vertegenwoordigd door advocaat mevrouw Rocio Rojas Novoa, en van het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door adviserend advocaat de heer José Troncoso Valdés.
OVERWEGENDE:
TEN EERSTE: dat de verdediging van [betrokkene] haar betwisting heeft gebaseerd op de feitelijke veronderstelling dat haar cliënt is veroordeeld tot de maximale gevangenisstraf van kortere duur van vijf jaar en één dag, hetgeen voldoet aan de vereisten van artikel 33 van wet 18.216, en dat de aftrek van de tijd die zij van haar vrijheid beroofd is in overeenstemming moet zijn met het bepaalde in lid d) van paragraaf 11 van artikel 46 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen Corruptie.
Hij preciseert dat het besluit waartegen in beroep wordt gegaan de afwijzing daarin van het verzoek van de verdediging voornamelijk heeft gebaseerd op het ontbreken van het rapport van de Gevangenisdienst van Chili; op het feit dat de veroordeelde nog niet is begonnen met het uitzitten van haar straf in Chili, en op het feit dat de berekening van aftrek gedaan moet worden zodra de veroordeelde het land binnenkomt.
Hij stelt dat het besluit waartegen in beroep wordt gegaan blijk geeft van een onjuiste opvatting door de vereisten van artikel 33 van wet 18.216 restrictief uit te leggen, geen rekening houdend met de ontwikkeling van het systeem van subsidiaire straffen en de beginselen die daaraan ten grondslag liggen, en specificeert dat er met betrekking tot het rapport van de gevangenisdienst precedenten in de rechtspraak voorkomen op grond waarvan een gunstige uitspraak kan worden gedaan over verzoeken van dezelfde strekking, waarbij het bedoelde rapport achterwege wordt gelaten en de respectieve rollen in detail worden beschreven.
Over de periode van de gevangenschap in Nederland die zijn cliënt tot op de dag van vandaag ondergaat, geeft hij aan dat de duur daarvan moet worden meegeteld als onderdeel van het daadwerkelijk uitzitten van de straf, in overeenstemming met artikel 46 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen Corruptie. En dat de Staat Chili uitdrukkelijk de toelaatbaarheid heeft erkend van de aftrek van de tijd van gevangenschap in het buitenland, zoals blijkt uit het rapport daarover van 25 januari 2024.
Hij benadrukt dat zijn cliënt voldoet aan alle vereisten die zijn vastgelegd in het reeds genoemde artikel 33, aangezien de opgelegde straf de maximale gevangenisstraf van kortere duur van vijf jaar en één dag is; zij heeft geen andere veroordelingen voor misdrijven of eenvoudige overtredingen; zij heeft meer dan 51,7% van de straf (945 dagen) uitgezeten, waarmee zij het wettelijk vereiste derde deel daarvan heeft overschreden; dat haar gedrag als bevredigend (goed, volgens de gradatie van de Chileense wet) gekwalificeerd is door de Penitentiaire Dienst van [PI] en dat er zowel in Antofagasta als in de Regio Santiago technische haalbaarheid is voor toezicht op afstand.
Vervolgens verwijst hij naar verschillende beginselen van Strafrecht en Internationale Verdragen en verzoekt hij, in overeenstemming met het voorgaande, het besluit waartegen in beroep gegaan is te herroepen, dat de toepassing van de gecombineerde straf met betrekking tot de veroordeelde [betrokkene] afwijst, en dat er in plaats daarvan, overeenkomstig de in de desbetreffende hoorzitting aangehaalde achtergrondinformatie, verklaard wordt zo'n straf toelaatbaar is en gelast wordt dat zij het restant van haar straf uitzit met behulp van videobewaking op afstand op de adressen die in de zaak zijn vastgelegd en overeenkomstig het interventieplan dat de Chileense Gevangenisdienst daartoe zal opstellen nadat zijn verdachte is gehoord.
TEN TWEEDE: Dat zowel de vertegenwoordiger van de Staatsraad voor de Verdediging als de adviserend advocaat van het Openbaar Ministerie zich tegen het verzoek van de verdediging hebben verzet, omdat er niet aan de wettelijke vereisten daarvoor wordt voldaan.
TEN DERDE: Dat het voorstel waarover de verdediging ons noopt na te denken bij voorkeur gekoppeld is aan de naleving van de feitelijke en normatieve uitgangspunten van artikel 33 van wet 18.216, en van letter d), paragraaf 11 van artikel 46 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen Corruptie.
In artikel 33 van wet 18.216 staat dat:
‘De rechtbank kan ambtshalve of op verzoek van een partij, na een gunstig rapportverslag van de Gevangenisdienst van Chili, de onderbreking van de oorspronkelijk opgelegde vrijheidsstraf gelasten en deze vervangen door een regime van intensieve proeftijd, op voorwaarde dat aan de volgende vereisten is voldaan:
- a)
Dat de aan de veroordeelde opgelegde straf de maximale gevangenisstraf van kortere duur van vijf jaar en een dag is, of een andere lagere straf;
- b)
dat de veroordeelde, op het tijdstip waarop de onderbreking van de vrijheidsstraf besproken wordt geen andere veroordeling wegens een misdrijf of gewone overtreding op zijn/haar naam heeft staan, onverminderd het bepaalde in lid twee van artikel 15 bis;
- c)
Dat de veroordeelde ten minste een derde van de vrijheidsstraf daadwerkelijk heeft uitgezeten, en
- d)
Dat de veroordeelde blijk heeft gegeven van gedrag dat als ‘zeer goed’ of ‘goed’ gekwalificeerd kan worden in de drie periodes van twee maanden voorafgaand aan zijn/haar verzoek, in overeenstemming met het bepaalde in opperst decreet nr. 2442 uit 1926 van het Ministerie van Justitie, Reglement van de Wet op de Voorwaardelijke Invrijheidstelling…’.
Daarbij staat in artikel 46 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen Corruptie, onder de titel ‘Wederzijdse rechtshulp’, voor zover hetgeen voor ons van belang is, in lid 10) bepaald
‘Degene die in detentie zit of een straf uitzit op het grondgebied van een Staat die dit Verdrag ondertekend heeft en om wiens aanwezigheid in een andere Staat die dit Verdrag ondertekend heeft wordt verzocht ten behoeve van identificatie, om te getuigen of om op enigerlei wijze te helpen bij het verkrijgen van voor onderzoeken, processen of rechtshandelingen benodigd bewijsmateriaal in verband met misdrijven die onder dit Verdrag vallen, kan onder de volgende voorwaarden worden overgedragen:
- a)
Betrokkene, naar behoren geïnformeerd, geeft zijn/haar vrijwillige toestemming;
- b)
De bevoegde autoriteiten van beide Staten die dit Verdrag ondertekend hebben zijn het erover eens, onder de door hen passend geachte voorwaarden.’
Vervolgens met betrekking tot en voor de doeleinden in genoemde paragraaf staat in paragraaf 11):
‘Voor de gevolgen van paragraaf 10 van dit artikel:
- a)
De Staat die dit Verdrag ondertekend heeft en waarnaar betrokkene wordt overgebracht, heeft de bevoegdheid en de plicht om hem/haar in detentie te houden, tenzij de Staat die dit Verdrag ondertekend heeft en van waaruit hij/zij is overgedragen, om iets anders verzoekt of iets anders toestaat;
- b)
De staat die dit Verdrag ondertekend heeft en waarnaar betrokkene wordt overgebracht, voldoet onverwijld aan zijn verplichting om hem/haar weer onder de hoede van de staat die dit Verdrag ondertekend heeft en van waaruit hij is overgebracht te brengen, overeenkomstig overeenkomst vooraf of anderszins tussen de bevoegde autoriteiten van beide Staten die dit Verdrag ondertekend hebben;
- c)
De staat die dit Verdrag ondertekend heeft en waarnaar betrokkene is overgebracht kan van de Staat die dit Verdrag ondertekend heeft en van waaruit hij/zij is overgebracht niet eisen uitleveringsprocedures te starten om hem/haar terug te krijgen;
- d)
De duur van de periode waarin betrokkene in detentie geweest is in de Staat die dit Verdrag ondertekend heeft en waarnaar hij/zij is overgebracht, wordt meegerekend bij de straf die hij/zij moet uitzitten in de Staat van waaruit hij/zij is overgebracht.’.
TEN VIERDE: Dat het, steeds in deze context, van belang is aan te geven dat de zogenaamde ‘gecombineerde straffen’, waarvoor de regelgeving staat in artikel 33 van wet 18.216, niet de juridische aard hebben die hun benaming doet vermoeden. In feite is het de wetgever zelf die zich, bij het doorvoeren van de herschikking van de tekst daarvan, door het uitvaardigen van wet 20.603, ab initio vrijuit uitlaat door te stellen dat deze ‘Strikt genomen geen subsidiaire straf zijn, maar een manier om te komen tot het opleggen van intensieve proeftijd, aangezien zij een aanvullende wijze zijn om het uitzitten van vrijheidsstraffen te beëindigen, naast de reeds bestaande, zoals het daadwerkelijk uitzitten van de straf, het verkrijgen van voorwaardelijke invrijheidstelling of strafvermindering, of de toepassing van algemene en bijzondere kwijtschelding’. (Chileense regering, Ministerie van Justitie. Nieuw stelsel van Subsidiaire Straffen, Wet nr. 18.216. Analyse van de bij wet nr. 20.603 ingevoerde herschikkingen. Chili 2013. blz. 52).
Het voorafgaande wordt bevestigd door een eenvoudige bestudering van de formulering van het eerste lid van artikel 1 van Wet 18.216, waarin deze juist niet genoemd wordt bij de subsidiaire straffen waarvoor de regelgeving in dit compendium staan, regelgeving waarin die aard wel wordt toegekend aan voorwaardelijke kwijtschelding, opsluiting in deeltijd, proeftijd, intensieve proeftijd, uitwijzing in het geval bedoeld in artikel 34 en dienstverlening aan de gemeenschap. Wat hier zojuist aangegeven is moet deel uitmaken van de analyse die de zaak in dit specifieke geval beslist.
Waar de verdediging dus aanspraak op maakt, in overeenstemming met de geest en de bewoording van de betrokken regelgeving, is het onderbreken van de aan de veroordeelde opgelegde vrijheidsstraf om een andere straf op te leggen die subsidiair is voor de uitgevaardigde lijfstraf en die in casu alleen de intensieve proeftijd kan zijn.
TEN VIJFDE: Dat de kant van de rechter die de zaak behandelt gekozen moet worden wanneer deze de subsidiaire hoofdaanspraak van de verdediging afwijst omdat er niet aan de wettelijke vereisten is voldaan.
In feite lijken de feitelijke veronderstellingen die de verdediging als premissen aanvoert om de vereisen die de wetgever daartoe stelt als nageleefd te kunnen beschouwen kunstmatig te zijn geconstrueerd; ze hebben iets meer nodig dan de algemene rechtsbeginselen om te worden aanvaard.
De bovenstaande conclusies worden categorisch als er wordt nagedacht over enkele vreedzame aspecten van de discussie, zoals het feit dat de veroordeelde [betrokkene] zich in Nederland bevindt, onderworpen aan een voorzorgsmaatregel van vrijheidsberoving, totdat het uitleveringsproces tegen haar is opgelost. Het voorafgaande veronderstelt of laat reeds de conclusie toe, overeenkomstig het bepaalde in artikel 20 van het Wetboek van Strafrecht, dat zij geen straf uitzit, want genoemde regelgeving stelt uitdrukkelijk dat de beperking of vrijheidsberoving van gedetineerden of personen in preventieve hechtenis of op wie andere persoonlijke voorzorgsmaatregelen zijn toegepast niet als straf worden beschouwd, onverminderd de desbetreffende aftrek zoals vastgelegd in artikel 348 van het Wetboek van Strafrechtelijke Rechtsvordering.
Wat hier onmiddellijk vooraf gezegd is moet in verband worden gebracht met het vereiste van lid c) van artikel 33 van wet 18.216, voor zover daarin wordt geëist dat ‘de gestrafte ten minste een derde van de vrijheidsstraf daadwerkelijk heeft uitgezeten’. Derhalve kan, in de zin van de door de verdediging opgeëiste regel inzake het vervangende instituut, niet worden beweerd, dat [betrokkene] een derde van de vrijheidsstraf daadwerkelijk heeft uitgezeten; immers, de term ‘daadwerkelijk’ wordt gekenmerkt door een vrijheidsbeneming in het kader van een penitentiair regime van het uitzitten van een straf. Wij benadrukken het voorgaande, aangezien het doel van de in een strafproces opgelegde straf, overeenkomstig voornoemd artikel 33, pas begint te worden bereikt wanneer men in die hoedanigheid, te weten die van veroordeelde, in een penitentiaire inrichting wordt opgenomen.
Het gezegde houdt rechtstreeks verband, als men zich houdt aan de juridische aard van een gecombineerde straf, vanuit het perspectief van wat deze vertegenwoordigt als een onderbreking van de lijfelijke sanctie opgelegd aan de veroordeelde, voor zover deze onderbreking ‘een manifestatie is van het progressiviteitsbeginsel, krachtens welk, voor zover de in de gevangenis opgesloten gestrafte duidelijke tekenen van reclassering vertoont en sociale re-integratie nastreeft, het dus mogelijk is dat deze, door te voldoen aan de eisen van de wet, toegang krijgt tot dit soepeler regime van het uitzitten van de straf in vrijheid, maar onderhevig aan een strikt regime van controle daarover, zowel door degenen die met de intensieve reclassering belast zijn als door het instellen van verplicht toezicht op afstand.’
(Godoy Hormazábal, Alejandra:
‘De gecombineerde straffen van wet 18.216, herschikt door wet 20.603’,
een met Eindwerkstuk vergelijkbare Opleidingsactiviteit ter verkrijging van de graad van Magister in de Rechten met een Speciale Vermelding van Publiekrecht, Universidad de Chile, 2015).
De regel uit lid d) van paragraaf 11 van artikel 46 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen Corruptie helpt de verdediging niet, aangezien deze uitdrukkelijk stelt:
‘Voor de gevolgen van paragraaf 10 van dit artikel… d) De duur van de periode waarin betrokkene in detentie geweest is in de Staat die dit Verdrag ondertekend heeft en waarnaar hij/zij is overgebracht, wordt meegerekend bij de straf die hij/zij moet uitzitten in de Staat van waaruit hij/zij is overgebracht.’.
De vooronderstellingen van paragraaf 10 zijn echter niet van toepassing op dit specifieke geval, aangezien deze regel letterlijk luidt:
‘Degene die in detentie zit of een straf uitzit op het grondgebied van een Staat die dit Verdrag ondertekend heeft en om wiens aanwezigheid in een andere Staat die dit Verdrag ondertekend heeft wordt verzocht ten behoeve van identificatie, om te getuigen of om op enigerlei wijze te helpen bij het verkrijgen van voor onderzoeken, processen of rechtshandelingen benodigd bewijsmateriaal in verband met misdrijven die onder dit Verdrag vallen, kan onder de volgende voorwaarden worden overgedragen…’.
Anderzijds is hetgeen de verdediging citeert uit de door haar in haar memorie van 25 januari 2024 overgenomen en aangehaalde akte van het ministerie van Buitenlandse Zaken, en wel dat ‘de Chileense Staat uitdrukkelijk heeft erkend dat de door hun cliënt in het buitenland in gevangenschap uitgezeten tijd in aftrek moet worden gebracht’ slechts een vrije interpretatie daarvan door die interveniënt; immers, het enige wat in dit document tot uitdrukking wordt gebracht is dat, mocht de veroordeelde naar het land terugkeren, zij niet zal worden onderworpen aan de voorzorgsmaatregel van voorlopige hechtenis,
en dit komt overeen met haar hoedanigheid, want zij zal de desbetreffende penitentiaire inrichting ingaan in de hoedanigheid van afgehandelde.
TEN VIJFDE [sic]: Dat met betrekking tot de geuite bewering als zou [betrokkene] begonnen zijn haar straf uit te zitten de voorafgaande grondslagen moeten worden gevolgd; immers, van je vrijheid benomen te zijn vanwege een voorzorgsmaatregel is iets anders dan van je vrijheid benomen te zijn omdat je een straf uitzit.
Maar zelfs als we erin meegaan dat er voldaan is, aan de vereisten onder de letters a), b) en c) van artikel 33, waar al zo vaak naar verwezen is, kan in geen geval worden aanvaard dat er voldaan is aan het vereiste onder lid d) van hetzelfde artikel, te weten:
‘Dat de veroordeelde blijk heeft gegeven van gedrag dat als ‘zeer goed’ of ‘goed’ gekwalificeerd kan worden in de drie periodes van twee maanden voorafgaand aan zijn/haar verzoek, in overeenstemming met het bepaalde in opperst decreet nr. 2442 uit 1926 van het Ministerie van Justitie, Reglement van de Wet op de Voorwaardelijke Invrijheidstelling.’.
De te trekken conclusie is categorisch, als we rekening houden met het feit dat de verdediging stelt dat hieraan voldaan is, vanwege een subjectieve verklaring van de autoriteit die de leiding heeft over de gevangenis waar [betrokkene] opgesloten zit, wat zou moeten worden afgeleid uit de uitdrukking:
‘…over het algemeen goed’.
Als er gelet wordt op de door de wetgever opgelegde eis, moet men het met deze beoordelaars eens zijn, in die zin dat het gaat om gedrag dat als ‘goed’ of ‘zeer goed’ gekwalificeerd kan worden; echter, ten aanzien van de vormen en vereisten van Opperste Decreet nr. 2442 uit 1926 van het Ministerie van Justitie, Reglement van de Wet op de Voorwaardelijke Invrijheidsstelling die in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 4 en volgende van Wetsdecreet nr. 321, voldoet het document waarmee men denkt aan deze eis te voldoen daar tussen twee haakjes noch formeel noch inhoudelijk aan.
TEN ZESDE: Dat een ander eveneens onoverkomelijk aspect voor de aanspraken van de verdediging het feit is dat in het verzoekschrift niet opgenomen is het welgezinde rapport van de Gevangenisdienst van Chili, een eerste vereiste dat aan het begin staat van het onderzoek naar de overige vereisten.
Inderdaad neemt de verdediging hieromtrent haar toevlucht tot rechtswetenschappelijke referenties die een voor een genoemd worden; echter, deze precedenten verwijzen naar of leveren een oplossing voor zaken die niet passen bij wat ons feitelijk bezighoudt, om precies te zijn: in alle gevallen bevonden de veroordeelden zich in het land en waren ze begonnen hun straffen uit te zitten. Het klopt daarom niet om in dit verband rekening te houden met deze beweringen.
Daarbij kan het subsidiaire verzoek van de verdediging evenmin worden ingewilligd; dit als men de eisen in gedachten houdt die aan het bewuste rapport worden gesteld, indertijd — om er maar een paar te noemen — ‘Een gunstig deskundig oordeel dat ideeën geeft over de risicofactoren van recidive, teneinde wat betreft de veroordeelde de mogelijkheden te weten te komen om adequaat in de maatschappij te re-integreren door middel van een op vrije voeten uit te zitten straf. Dit oordeel dient tevens de sociale achtergrond en persoonlijkheidskenmerken van de veroordeelde te bevatten en een voorstel voor een individueel interventieplan dat in vrijheid moet worden uitgevoerd. Er moet verder ook rekening gehouden worden met eventueel bestaande formele onderzoeken of aanklachten die tegen de veroordeelde persoon lopen’.
Het is moeilijk nu al te geloven dat een dergelijk rapport, dat in feite een soort geïntegreerd sociaal deskundigenrapport is, kan worden opgemaakt slechts met behulp van telefonische interviews of ondervragingen op afstand.
Nu de zaken er zo voorstaan kan het besluit waartegen in beroep gegaan is, waarbij het primaire en subsidiaire middel van het verweer niet zijn toegewezen, slechts worden bevestigd, zoals in het dictum van dit arrest zal worden uiteengezet.
Op grond van deze overwegingen en gelet op het bepaalde in artikel 277, 352 en 370 van het Wetboek van Strafrechtelijke Rechtsvordering, wordt het besluit in hoger beroep van dertien februari tweeduizend vijfentwintig, gewezen in zaak RUC 1700480634-4, RIT 5847-2018 van de Rechtbank van Garantie van Antofagasta, waarbij het hoofd- en subsidiair verzoek van particuliere advocaat van de verdediging Fidel Salvador Castro Allendes, namens de veroordeelde mevrouw [betrokkene], niet is ingewilligd, zonder gerechtelijke kosten BEVESTIGD.
Gelieve te registreren en door te geven.
Rol 121-2025 (STRAFRECHTELIJK)
Opgesteld door Praktiserend rechter Jaime Rojas Mundaca

Uitgesproken door de Eerste Kamer van het Hof van Beroep van Antofagasta, samengesteld uit Voorzittend Rechter Virginia Elena Soublette M., Rechter Jaime Anibal Rojas M. en toegevoegd Advocaat Fernando Orellana T.
Antofagasta, zesentwintig februari tweeduizend vijfentwintig.
Te Antofagasta, op de zesentwintigste dag van februari van tweeduizend vijfentwintig, heb ik kennis gegeven van voorafgaand besluit in de griffie middels het Dagboek.
Huizen, 13 maart 2025
LS
Gewaarmerkt zijnde een woordgetrouwe en nauwkeurige vertaling van het brondocument in de Spaanse taal naar het Nederlands.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 18‑03‑2025
Appeldagvaarding, prod. 21.
Arrest rov. 3.1.
Arrest rov. 3.2; CvA prod. 1.
Arrest rov. 3.3; Inl. Dagv. prod. 2.
Arrest rov. 3.4; Inl. Dagv. prod. 3.
Inl. Dagv. prod. 4.
Inl. Dagv. prod. 5.
Arrest rov. 3.5.
Arrest rov. 3.6; Inl. Dagv. prod. 1.
Arrest rov. 3.9.
Rb Den Haag, zittingsplaats Amsterdam d.d. 17 januari 2025, zaaknummer NL24.41540, V-nummer: 291.372.8327.
Rb Den Haag, zittingsplaats Amsterdam d.d. 31 januari 2025, zaaknummer NL25.3350T, V-nummer: 29137228327.
Appeldagvaarding par. 43 en 55 en Inl. Dagv. par. 45 en 46. De Staat heeft dit niet betwist en het hof heeft dit in het midden gelaten (rov. 6.16, slot).
ECHR 17 January 2012 (8139/09) ECLI:CE:ECHR:2012:0117JUD000813909 (Ohtman v. United Kingdom), (https://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-108629) punt 187 –189.
Inl. Dagv. Prod. 7.
Inl. Dagv. par. 52.
Appeldagvaarding par 58 en 59 en producties 23 –27; Inl. Dagv. par. 41, 61–63, 65 en 80.
Appeldagvaarding par 66; Inl. Dagv. par. 76 – 81.
Appeldagvaarding par. 51; Inl. Dagv. par. 55 en prod. 8.
Appeldagvaarding par. 51; Inl. Dagv. par. 55 en prod. 8.
Bijlage 1 — Transcript (geautomatiseerde vertaling), p. 9: ‘Mrs. [betrokkene] has not begun serving her sentence within Chilean territory,as her detention in theNetherlandswas due toextradition proceedingsand not the actual execution of her sentence.’ en ‘The convicted personhas not begun serving her sentence in Chile,meaning thatone-third of the sentence has not been served within Chilean penitentiary facilities.’
Bijlage 1 — Transcript (geautomatiseerde vertaling) p. 10: ‘In this case,Mrs. [betrokkene] has never entered a Chilean penitentiary facility,meaning that her sentence hasnot begun execution within Chilean jurisdiction.Her detention in theNetherlands was solely for extradition purposes,which does not constituteactual sentence compliance under Chilean law.’ en ‘While the defence argues thatthe Chilean State has acknowledged the time served in the Netherlands,thismust be formally determined by judicial resolution once the convicted person has been extradited to Chile. The abatement of days served cannot be preemptively decided at this stage.’
Bijlage 1 — Transcript (geautomatiseerde vertaling), p. 11 en Bijlage 2 -Beslissing d.d. 13 februari 2025 van het gerecht van Antofagasta (geautomatiseerde vertaling).
Bijlage 3 — Hof van Beroep van Antofagasta 26 februari 2025, p. 8/9 (officiële vertaling) ‘Anderzijds is hetgeen de verdediging citeert uit de door haar in haar memorie van 25 januari 2024 overgenomen en aangehaalde akte van het ministerie van Buitenlandse Zaken, en wel dat ‘de Chileense Staat uitdrukkelijk heeft erkend dat de door hun cliënt in het buitenland in gevangenschap uitgezeten tijd in aftrek moet worden gebracht’ slechts een vrije interpretatie daarvan door die interveniënt; immers, het enige wat in dit document tot uitdrukking wordt gebracht is dat, mocht de veroordeelde naar het land terugkeren, zij niet zal worden onderworpen aan de voorzorgsmaatregel van voorlopige hechtenis, en dit komt overeen met haar hoedanigheid, want zij zal in de desbetreffende penitentiaire inrichting ingaan in de hoedanigheid van afgehandelde.’
Die ook al duidelijk was uit het verslag d.d. 3 juni 2024 (arrest rov. 3.7).
Zie o.m.: EHRM 14 November 2019, ECLI:CE:ECHR:2019:1114JUD002524418 (https://hudoc.echr.coe.int/?i=001-198465) (N.A. v. Finland), rov. 74. ‘With regard to the assessment of evidence, it has been established in the Court's case-law that ‘the existence of the risk must be assessed primarily with reference to those facts which were known or ought to have been known to the Contracting State at the time of expulsion’ (see F.G. v. Sweden, cited above, § 115, and J.K. and Others v. Sweden, cited above, § 87). The Court acknowledges that it must avoid allowing its assessment be influenced by the benefit of hindsight. The Court is not precluded, however, from having regard to information which comes to light subsequent to the deportation. This may be of value in confirming or refuting the assessment that has been made by the Contracting Party of the well-foundedness or otherwise of an applicant's fears (see Mamatkulov and Askarov, cited above, § 69, and X v. Switzerland, no. 16744/14, § 62, 26 January 2017). The Contracting State therefore has the obligation to take into account not only the evidence submitted by the applicant but also all other facts which are relevant in the case under examination.’ enEHRM 26 January 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0126JUD001674414 () (X v. Switzerland) rov. 62: ‘With regard to the material date, the existence of the risk must be assessed primarily with referent to those facts which were known or ought to have been known to the Contracting State at the time of removal […]. The Court is not preclude, however, from having regard to information which comes to light subsequent to the deportation. This may be of value in confirming or refuting the appreciation that has been mad by the Contracting Party of the well-foundedness or otherwise of an applicant's fears […].’ enEHRM 4 February 2005, ECLI:CE:ECHR:2005:0204JUD004682799 (https://hudoc.echr.coe.int/?i=001-68183) (Mamatkulov and Askarov v. Turkey) rov. 69: ‘In determining whether substantial grounds have been shown for believing that a real risk of treatment contrary to Article 3 exits, the Court will assess the issue in light of all the material placed before it, or, if necessary , material obtained proprio motu. Since the nature of the Contracting State's responsibility under Article 3 in cases of this kind lies in the act of exposing an individual to the risk of illtreatment, the existence of the risk must be assessed primarily with reference to those facts which were known or ought to have been known to the Contracting State at the time of the extradition; the Court is not precluded, however from having regard to information which comes to light subsequent to the extradition. This may of value in confirming or refuting the appreciation that has been made by the Contracting Party of the well-foundedness or otherwise of an applicant's fears […]’.
EHRM 10 april 2014, ECLI:CE:ECHR:2012:04 JUD002402707 (Babar Ahmad e.a. t. het Verenigd Koninkrijk), rov. 168; EHRM 4 september 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:0904JUD000014010 (Trabelsi t. België), rov. 116.
RvS 14 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2216, rov. 2.2.