Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/5.7.3.2:5.7.3.2 Schuldigbevinding
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/5.7.3.2
5.7.3.2 Schuldigbevinding
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859292:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 4.6 § 1, 3° BBW vereist een schuldigbevinding aan een daarin genoemd strafbaar feit.1 Deze schuldigbevinding moet worden uitgesproken door de strafrechter.2
Er is op grond van de wet geen ruimte voor de civiele rechter om een schuldigbevinding uit te spreken. Overlijdt de dader voor of tijdens het strafproces, waardoor een schuldigbevinding door de strafrechter niet kan volgen, dan blijft onwaardigheid volgens de letter van de wet buiten beeld. Het is lastiger om in een dergelijk geval door middel van een verdragsconforme interpretatie te komen tot onwaardigheid. Het is immers niet zo dat een schuldigbevinding automatisch tot onwaardigheid leidt. Er dient nog een beoordeling plaats te vinden door de strafrechter of onwaardigheid op zijn plaats is.3 Het zal van de omstandigheden van het geval afhangen of op basis van verdragsconforme interpretatie de strafbare feiten als genoemd in artikel 4.6 § 1, 3° BBW tot onwaardigheid kunnen leiden zonder dat een schuldigbevinding door de strafrechter is uitgesproken.4