Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/10.6:10.6 Tot besluit
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/10.6
10.6 Tot besluit
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wanneer het totale pakket aan juridische regelingen die betrekking hebben op de getuigenverklaring in ogenschouw wordt genomen, dan valt op dat ten aanzien van de totstandkoming van de getuigenverklaring in de fase van de opsporing in het Wetboek van Strafvordering nauwelijks iets is geregeld. Er geldt wel een aantal voorschriften ten aanzien van het verhoren van getuigen door de politie en de verslaglegging, maar deze worden hoofdzakelijk afgeleid uit hetgeen is geregeld ten aanzien van de verdachte en ten aanzien van het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris. Het relatieve gebrek aan wettelijke normering van het verhoor in het opsporingsonderzoek valt historisch wel te verklaren: bij het opstellen van ons wetboek van 1926 lag immers het accent op het gerechtelijk vooronderzoek en het onderzoek ter terechtzitting. De wetgever had – zoals in het vorige hoofdstuk duidelijk werd – een onmiddellijke procedure voor ogen, die zich mede als gevolg van de de auditu-jurisprudentie nooit heeft verwezenlijkt. Hierdoor is het accent komen te liggen op de totstandkoming van de verklaring tijdens het politieverhoor. Getuigenverklaringen kunnen nadien weliswaar nog veranderen, maar de basis van de verklaring zoals aan de rechter wordt voorgelegd, wordt in de meeste gevallen gelegd bij de politie die de getuige veelal als eerste hoort. In dit licht van de bestaande schriftelijke procescultuur waarbij voor het bewijs veelvuldig gebruik wordt gemaakt van getuigenverklaringen afgelegd bij de politie, is het opmerkelijk dat een wettelijke regeling op dit punt ontbreekt.
Dat nadere wettelijke normering van het getuigenverhoor bij de politie tot dusver achterwege is gebleven, kan worden verklaard uit het feit dat in de Nederlandse juridische procedure traditioneel weinig aandacht bestaat voor de totstandkoming van verklaringen, zeker daar waar het de verklaringen van getuigen betreft. Als het gaat om verklaringen van verdachten bestaat nog wel discussie over de verhoormethoden en het uitoefenen van druk, die de waarheidsgetrouwheid van de af te leggen verklaring kunnen beïnvloeden en zelf tot valse bekentenissen leiden, maar daarbuiten wordt de inrichting en vormgeving van het verhoor hoofdzakelijk aan de politie overgelaten. De vraag is of de constatering dat de wet een leemte vertoont, moet leiden tot de conclusie dat de wettelijke regeling in de fase van het opsporingsonderzoek tekortschiet en zou moeten worden aangepast.1 Het antwoord op deze vraag zal in het derde deel van dit boek aan de orde komen.
Wat betreft de inhoudelijke afweging om een verklaring al dan niet voor het bewijs te gebruiken, staat de vrije selectie en waardering van de bewijsmiddelen voorop. Men kan in de wet dan ook geen aanknopingspunten vinden voor de inhoudelijke beoordeling van getuigenverklaringen en men treft evenmin regels aan omtrent de bewijswaarde die aan individuele verklaringen moet worden toegekend. De wet kent wel regels omtrent de hoeveelheid beschikbaar bewijsmateriaal dat naast de belastende getuigenverklaring(en) aanwezig moet zijn alvorens de rechter tot de conclusie mag komen dat de verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan. Deze bewijsminima hebben indirect consequenties voor de bewijswaarde. Door aanvullend bewijs te eisen wordt de bewijswaarde van een enkele getuigenverklaring ingeperkt. De waarborgen liggen op dit punt echter meer bij de kwantiteit dan bij de kwaliteit van het beschikbare bewijsmateriaal.
Als gevolg van de invulling die door de Hoge Raad werd gegeven aan de wettelijke regels, was het waarborgkarakter van de wettelijke regeling lange tijd betrekkelijk gering. De bewijsminimumregels werden in het verleden dermate formeel uitgelegd dat daar nauwelijks beschermende werking van uitging en ook ontbrak een plicht tot nadere motivering op het moment dat de waarheidsgetrouwheid van een getuigenverklaring gemotiveerd werd betwist. Sinds 2009 is de Hoge Raad het waarborgkarakter van de bewijsminimumregels voor de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing gaan benadrukken en wordt de eis gesteld dat een inhoudelijk verband bestaat tussen de dragende getuigenverklaring en het overige te bezigen bewijsmateriaal. Hoewel daar een belangrijk signaal van uitgaat voor de feitenrechter, lijkt er geen sprake te zijn van een grote verschuiving.2 Nog steeds kan met een relatief geringe hoeveelheid bijkomend bewijsmateriaal worden volstaan. Dit lijkt anders te liggen in die gevallen waarin de verdediging niet op enig moment in de procedure de gelegenheid heeft gehad om de getuige die de dragende verklaring heeft afgelegd, te kunnen ondervragen. In dat geval geldt op basis van de rechtspraak van het EHRM een zwaarder criterium. Ook de in 2005 ingevoerde responsieplicht die door de Hoge Raad ook op betrouwbaarheidsverweren van toepassing wordt geacht, heeft ertoe geleid dat beslissingen ten aanzien van de betrouwbaarheid in beginsel moeten worden gemotiveerd op het moment dat de verdediging op dat punt uitdrukkelijk verweer heeft gevoerd en de bewezenverklaring staat of valt met de geloofwaardigheid van de getuige.
Ondanks de trend om meer van de rechter te verlangen als het gaat om de motivering en de toepassing van de bewijsminimumregels,3 kan worden geconstateerd dat nog veel onduidelijkheid bestaat omtrent de mate van steunbewijs die aanwezig moet zijn en de omvang van de responsieplicht. Daar komt bij dat de bewijsminimumregels slechts een methodologisch minimum bieden waaraan de beslissing moet voldoen, maar geenszins een garantie vormen voor een accurate feitenvaststelling. De wettelijke motiverings- en responsieverplichting bieden dat evenmin. Nu gaat het bij beslissen in het recht altijd om een waarschijnlijkheidsoordeel, dus garanties kunnen in die zin ook niet worden geboden, maar geconstateerd moet worden dat als het gaat om de inhoudelijke beoordeling van getuigenverklaringen, de rechter op basis van de wettelijke regeling goeddeels met lege handen staat. Een helder toetsingskader waarin is opgenomen waar de rechter op moet letten bij de beoordeling van getuigenverklaringen ontbreekt niet alleen in de wet, maar ook in de jurisprudentie van de Hoge Raad.