Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/10.5:10.5 Verantwoording van het gebruik van getuigenverklaringen voor het bewijs
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/10.5
10.5 Verantwoording van het gebruik van getuigenverklaringen voor het bewijs
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 28 november 2006, NJ 2007, 122.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals uit het voorgaande reeds duidelijk werd, hoeft de rechter zijn beslissing om een getuigenverklaring al dan niet voor het bewijs te gebruiken niet ambtshalve te motiveren. Als het gaat om de motivering van de bewijsbeslissing als geheel dan volstaat in beginsel de opsomming van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen in het vonnis of arrest en hoeft niet afzonderlijk, in een nadere bewijsoverweging aandacht te worden besteed aan de betrouwbaarheid en redengevendheid van de individuele bewijsmiddelen, ook niet als zich in het dossier bewijsmateriaal bevindt dat in een andere richting wijst. De rechter hoeft evenmin – in geval dat de bewijsconstructie in belangrijke mate steunt op de verklaring van één getuige – uit eigen beweging aan te geven waarom hij van oordeel is dat aan het wettelijke bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan. Niettemin kan het in het licht van de recente jurisprudentie raadzaam zijn om dat wel te doen, omdat bij de toets in cassatie of aan het bewijsminimum is voldaan volgens de Hoge Raad van belang kan zijn of de rechter zijn oordeel op dit punt nader heeft gemotiveerd. Dit is echter hiervoor in § 10.4.2.1 al aan de orde geweest. Een uitzondering op de regel dat het gebruik van de getuigenverklaring in beginsel niet ambtshalve hoeft te worden gemotiveerd, kan gevonden worden in artikel 360 Sv. Daarin staat dat als de rechter gebruik wil maken van bijvoorbeeld een proces-verbaal houdende de verklaring van (beperkt) anonieme of afgeschermde getuigen, het vonnis op straffe van nietigheid een bijzondere motivering moet bevatten (art. 360 lid 4 Sv). Dit houdt in dat de rechter rekenschap moet geven van de betrouwbaarheid van de gebezigde getuigenverklaring. Weliswaar rust op de rechter buiten de gevallen genoemd in artikel 360 Sv geen ambtshalve motiveringsplicht, hij dient op bepaalde verweren van de verdediging wel te responderen. De tweede volzin van artikel 359 lid 2 Sv schrijft thans voor dat indien de rechter een beslissing neemt die afwijkt van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de verdachte of de officier van justitie, hij in het vonnis in het bijzonder de redenen opgeeft die daartoe hebben geleid. Deze wettelijke responsieplicht geldt ook voor verweren aangaande de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen of verweren die zien op het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv.1
10.5.1 Wettelijke responsieplicht in relatie tot de vrije selectie en waardering van het bewijs10.5.2 Uitdrukkelijk onderbouwde standpunten10.5.3 Reikwijdte van de responsieplicht