Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/7.6.2.2:7.6.2.2 Minton v. Cavaney
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/7.6.2.2
7.6.2.2 Minton v. Cavaney
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS409075:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Minton v. Cavaney, 56 Cal. 2d 576, 15 Cal. Rptr. 641, 864 P.2d 473 (1961).
Minton v. Cavaney, 56 Cal. 2d 576, 15 Cal. Rptr. 641, 864 P.2d 473 (1961), p. 580.
Zie bijvoorbeeld Bainbridge 2002, p. 163 en Presser 2010, § 25.
Nilsson, Robbins, Dalgarn, Berliner, Carson & Wurst v. Louisiana Hydrolec, 854 F.2d 1538, 11 Fed. R. Serv. 3d 1219 (9th Cir. 1988).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook uit een latere uitspraak van het California Supreme Court inzake Minton v. Cavaney lijkt te volgen dat onderkapitalisatie op zichzelf voldoende kan zijn voor doorbraak.1 In deze zaak was de dochter van de eisers verdronken in een zwembad dat werd geëxploiteerd door Seminol Hot Springs Corporation (Seminol). Deze vennootschap had nimmer aandelen uitgegeven zodat er ook nooit op aandelen was gestort. De vennootschap had daarom geen enkel eigen vermogen tot haar beschikking. Nadat in rechte was komen vast te staan dat Seminol aansprakelijk was vanwege het ongeluk, trachtten de ouders hun vordering te verhalen op de bestuurder (en beoogd aandeelhouder) van de vennootschap: de heer Cavaney. Het California Supreme Court overwoog dat er drie gevallen waren waarin de equitable owners van een vennootschap in privé aansprakelijk zijn voor de schulden van de vennootschap: “[i] when they treat the assets of the corporation as their own and add or withdraw capital from the corporation at will”, [ii] “when they hold themselves out as being personally liable for the debts of the corporation”, of [iii] “when they provide inadequate capitalization and actively participate in the conduct of corporate affairs.” Vervolgens stelde het Court vast dat er sprake was geweest van de laatste omstandigheid:
“[I]n the instant case the evidence is undisputed that there was no attempt to provide adequate capitalization. [The corporation] never had any substantial assets [….]. Its capital was ‘trifling’ compared with the business to be done and the risks of loss.”2
Aangezien in de onderhavige zaak op basis van louter de derde omstandigheid tot doorbraak werd besloten, leidt een aantal juridische auteurs daaruit af dat onderkapitalisatie op zichzelf voldoende is voor doorbraak.3 Ook het Court of Appeals (9th Cir.) heeft in 1988 onder verwijzing naar de uitspraak inzake Minton v. Cavany overwogen: “the California Supreme Court has held that undercapitalization alone will justify piercing the corporate veil”.4 Toch lijkt ook uit Minton v. Caveney niet zonder meer te volgen dat onderkapitalisatie genoeg is voor doorbraak. Het California Supreme Court overwoog immers dat het moet gaan om onderkapitalisatie in combinatie met een directe betrokkenheid van de aandeelhouders bij de vennootschap. Daarnaast lijkt het Supreme Court de aandeelhouders te verwijten dat zij hebben gehandeld in strijd met vormvereisten, zoals de formele vereisten die gelden ten aanzien van een emissie van aandelen.