Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming
Einde inhoudsopgave
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/2.4.1:2.4.1 Identiteit en collectief verband
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/2.4.1
2.4.1 Identiteit en collectief verband
Documentgegevens:
Robert Knegt, datum 01-05-2021
- Datum
01-05-2021
- Auteur
Robert Knegt
- JCDI
JCDI:ADS288476:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Brand 1992, p. 63, 96.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tot de 18e eeuw was persoonlijke identiteit veel sterker dan nu gekoppeld aan de collectieven waarmee men zich verbonden achtte of waarmee men actief verbinding aanging. Ambachtslieden in de steden organiseerden zich tenminste vanaf de 12e eeuw in gilden, die beslist niet alleen maar beroepsorganisaties waren, maar een veel ruimere betekenis hadden voor de identiteit en het sociale bestaan van haar leden. Gildeleden presenteerden zich in hun solidariteit in de sociale ruimte van de stad, stelden eer in hun vakbroederschap, onderhielden een altaar of kapel in de lokale kerk, belegden gezamenlijke maaltijden, droegen gestorven broeders ten grave en onderhielden fondsen voor arbeidsongeschikte leden en voor weduwen. We kunnen daar wel met behulp van onze huidige categorieën als religiositeit, arbeid, zorg en sociale zekerheid naar kijken, als we ons maar realiseren dat die vele aspecten van het gildelid zijn voor tijdgenoten één geheel vormden dat sterk met collectieve status en eer (orde c) verbonden was.
Ook leerlingen en gezellen, die bij ambachtsmeesters in dienst waren, hadden een (zij het mindere) status binnen het gilde. Later ontstonden aparte organisaties van gezellen, in Nederland vooral rond ‘bussen’ (gemeenschappelijk opgebouwde fondsen die konden voorzien in een inkomensvervangende uitkering bij arbeidsongeschiktheid), in de Duitse steden langs de Rijn ook als een effectieve kracht in een opkomende strijd van de gezellen met ambachtsmeesters om collectieve arbeidsvoorwaarden. Daarin was de collectieve ‘eer’ van de gezellen dat waarin de gilde-idealen samenkwamen, de code aan de hand waarvan handelen, van henzelf zowel als van meesters, werd beoordeeld en waarin zij zich wisten te onderscheiden van de buitenwereld.1 Eer was dus van existentieel belang, op een manier die wij ons nu nog maar moeilijk kunnen indenken.