Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/5.8.10.1:5.8.10.1 Algemeen
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/5.8.10.1
5.8.10.1 Algemeen
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648986:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Rotterdam 29 september 2015, JOR 2015/295.
Hof Amsterdam (OK) 9 december 2015, JOR 2016/7.
HR 31 maart 2017, JOR 2017/221, NJ 2018/26.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met de hardheid van een vordering wordt gedoeld op de waarschijnlijkheid dat een vordering daadwerkelijk bestaat en wat de omvang daarvan is. Wanneer partijen twisten over de verschuldigdheid en de hoogte van een vordering, is het lastig om te bepalen of een vordering daadwerkelijk zal kunnen worden afgedwongen. Er dient een bepaalde mate van aannemelijkheid te zijn dat een vordering succesvol zal kunnen worden afgedwongen. In het kader van het verzetrecht van artikel 2:404 lid 5 BW dient te worden bepaald of een schuldeiser, die stelt een vordering te hebben, daadwerkelijk een vordering heeft en wat de hoogte daarvan is. Aangezien de consoliderende rechtspersoon een zekerheid zal moeten stellen voor die vordering op straffe van de gegrondverklaring van het verzet, kunnen de consequenties veel impact hebben. Het is onwenselijk dat een rechtspersoon die een 403-verklaring heeft afgegeven zekerheid moet stellen voor onrealistisch hoge claims. Aan de andere kant dient te positie van de schuldeiser te worden beschermd. Want is de overblijvende aansprakelijkheid eenmaal beëindigd en biedt het vermogen van de voorheen vrijgestelde rechtspersoon weinig tot geen verhaal, dan kan een schuldeiser met lege handen achterblijven.
Verschillende gerechten hebben de gelegenheid gehad om zich uit te laten over de vraag hoe hard een vordering van een eisende partij moet zijn om als verzetsgerechtigde te worden aangemerkt. De Rechtbank Rotterdam,1 de Ondernemingskamer2 en de Hoge Raad3 kregen in korte tijd de gelegenheid om invulling te geven aan het begrip ‘schuldeiser’ zoals bedoeld in artikel 2:404 lid 4 en lid 5 BW.