De systematiek van de vermogensdelicten
Einde inhoudsopgave
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/2.4:2.4 Conclusie
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/2.4
2.4 Conclusie
Documentgegevens:
mr. V.M.A. Sinnige, datum 02-01-2017
- Datum
02-01-2017
- Auteur
mr. V.M.A. Sinnige
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2627, NJ 2013, 159 m.nt. Mevis.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De wetsgeschiedenis geeft geen steun aan de stelling dat de vergaande differentiatie in de vermogensdelicten wordt verklaard door een systematische keuze voor formeel omschreven delictsomschrijvingen, zo daar al sprake van is. De wetgever heeft er, op één uitzondering na, geen blijk van gegeven expliciet bij het onderscheid tussen formeel en materieel omschreven delicten stil te hebben gestaan. Ook blijkt uit de wetsgeschiedenis niet van een vooropgezette bedoeling de vermogensdelicten formeel te omschrijven. Wel kan worden vastgesteld dat de wetgever voor differentiatie heeft gekozen en de verschillende vermogensdelicten scherp van elkaar heeft willen afgrenzen. Wat daarvoor de reden is geweest, is niet heel helder. Uit de Notulen van de Commissie De Wal blijkt dat zij zich heeft laten inspireren door andere (binnenlandse en buitenlandse) wetgevingen. Wellicht is het meest waarschijnlijk dat die wetgevingen de inspiratie hebben gevormd voor de gedifferentieerde strafbaarstellingen. Aan de differentiatie zouden dan vooral historische en praktische argumenten ten grondslag liggen. Meer in het algemeen kan de vraag worden gesteld of wel kan worden gesproken over formele en materiële delicten, in die zin dat beide soorten delicten scherp van elkaar kunnen worden onderscheiden. Uit het vervolg van het onderzoek zal blijken dat delicten zowel formele als materiële trekken kunnen hebben. Een goed voorbeeld daarvan geeft het delict diefstal. De Hoge Raad eist voor het (handelings)bestanddeel ‘wegnemen’ – dat diefstal onderscheidt van de andere genoemde vermogensdelicten – ook een gevolg, namelijk het verschaffen van de feitelijke heerschappij dan wel het onttrekken aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende.1
Het ligt ook voor de hand dat de wetgever niet een messcherp onderscheid maakt tussen formele en materiële delicten. Waarom zou de wetgever het trekken van grenzen tussen delicten niet zowel in de aard van de handeling als in de aard van de gevolgen kunnen zoeken, zodat beide kenmerken in één delictsomschrijving aanwezig kunnen zijn? Mogelijk was dat ook wat de Commissie De Wal voor ogen had. Het feit dat de Commissie onder verwijzing naar de bestaande jurisprudentie het trekken van de grens tussen poging en voltooid delict bij diefstal aan de rechter wilde overlaten, vormt een aanwijzing dat wegnemen in de visie van de Commissie een zeker gevolg in zich borg. Als wegnemen hetzelfde is als verplaatsen, is de grens immers duidelijk.