Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.6.2
4.6.2 Begroting van de verrijking: marktconforme vergoeding
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS498827:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Linssen 2001, p. 561-573 ontwikkelt een systeem waarbij de rechthebbende de nettowinst van de inbreukmaker kan vorderen. De nettowinst wordt berekend als de omzet minus de gemaakte kosten. Eigen inspanningen van de inbreukmaker moeten als een aparte kostenpost worden berekend die op de omzet in mindering moet worden gebracht. Als de nettowinst lager is dan een gebruiksvergoeding kan een gebruiksvergoeding worden gevorderd.
De Hoge Raad deed dit – naar mijn mening ten onrechte – wel in HR 22 juni 2007, NJ 2007/451 (De Haan/Hulshof). Het redeneerschema dat de Hoge Raad hanteerde in het arrest HR 29 januari 1993, NJ 1994/172 (Vermobo/Van Rijswijk) is daarom te verkiezen. In dit arrest oordeelde de Hoge Raad dat de natrekking van een gebouw een verrijking van eigenaar C oplevert ten koste van aannemer A, die kan verminderen door een (verplichting tot) vergoeding van C aan aanbesteder B. Ook Van Maanen (2001, p. 16-17) meent dat de vaststelling van de verrijking plaatsvindt door een saldering van de voor- en nadelen. Het gaat volgens hem om de toename van de omvang van een vermogen en niet om een willekeurige verandering. Een voorbeeld van een willekeurige verandering is het geval waarin partijen een koopovereenkomst sluiten ter zake van een boek. De koper betaalt het boek en heeft een vordering tot levering. Als het boek wordt geleverd, wordt de vordering tot levering vervangen door het eigendomsrecht. Van een verrijking is in de benadering van Van Maanen nooit sprake geweest.
Zie par. 4.6.4 en 4.6.5.
Hierboven is geconcludeerd dat het wenselijk is om artikel 6:212 te beperken tot inbreuken op exclusieve rechtsposities van de verarmde. De bevoegdheid tot gebruik, genot en exploitatie komt alleen toe aan de verarmde. Buiten hem om mag niemand de exclusieve rechtspositie gebruiken of exploiteren. Doet een ander dat toch, dan heeft hij het gebruik, genot of de exploitatie van een rechtspositie dat hem niet toekomt. Daarbij is dus niet van belang of de rechthebbende concrete schade heeft geleden. De omvang van de verrijking die in beginsel moet worden afgedragen, moet daarom worden begroot op de waarde die dergelijk gebruik, genot of exploitatie in het rechtsverkeer heeft. Deze waarde is gelijk aan de vergoeding die marktpartijen plegen overeen te komen voor het gebruik van de exclusieve rechtspositie.
Soms geniet een verrijkte voordelen die zowel het resultaat zijn van een inbreuk als zijn eigen inspanningen. Ik meen dat voor zover de verrijkte voordelen geniet door eigen inspanningen, dit niet een ongerechtvaardigde verrijking is ten koste van de rechthebbende. Stel bijvoorbeeld dat A eigenaar is van een leegstaande kas. B besluit om in de kas van A tomaten te kweken zonder daartoe toestemming van A te hebben verkregen. De activiteiten van B zijn bijzonder winstgevend en A verlangt afdracht van de ongerechtvaardigde verrijking van B. De vraag is dan vervolgens, welk deel van het voordeel van B is een ongerechtvaardigde verrijking ten koste van A?1 Volgens mij moet worden onderscheiden tussen het gebruik van de kas en de werkzaamheden die nodig zijn bij de kweek van tomaten. Immers, de opbrengst van de tomatenkweek zou zonder het illegale gebruik van de kas van A niet zijn behaald, terwijl tomatenkweek niet een activiteit is die uitsluitend mag worden beoefend door A. Ik meen dat de verrijking moet worden begroot op een marktconforme vergoeding voor het gebruik van de kas, omdat alleen het gebruik van de kas exclusief toekomt aan de eigenaar. De marktconforme vergoeding kan worden begroot op de huurprijs die marktpartijen voor de kas zouden hebben betaald.
Kortom, in de hier verdedigde systematisering van artikel 6:212 moet de verrijking worden begroot op een redelijke gebruiksvergoeding. De omvang van de verrijking dient dus niet te worden bepaald door behaalde voordelen bij elkaar op te tellen en daarvan de nadelen af te trekken.2 Dat neemt niet weg dat deze voor- en nadelen wel van belang kunnen zijn. Soms heeft een verrijkte kosten gemaakt in het kader van het onbevoegde gebruik. Deze kosten zijn van belang in een latere fase dan de begroting van de verrijking. Namelijk in de fase waarin de aansprakelijkheid uit ongerechtvaardigde verrijking vaststaat en de verrijkte het verweer voert dat hij zijn verrijking niet op haar marktwaarde waardeert of dat de verrijking inmiddels is verminderd.3 Deze verweren zien op de omvang van de verplichting tot afdracht van de verrijking, niet op de omvang van de verrijking zelf. In de volgende subparagrafen bespreek ik deze verweren.