Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/4.2.1.3
4.2.1.3 Interpretatie EVRM
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS620284:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
De rechtspraak over schending van de redelijke termijn laat zien dat de verdragsinterpretatie door het EHRM soms noopt tot aanpassing van het in het nationale recht gehanteerde toetsingskader. Ook de nationale implementatie van de zogenaamde Salduz- rechtspraak biedt hiervan een voorbeeld. Waar in Nederland bij de beoordeling van de bruikbaarheid van een bekentenis eerder de materiële toets werd aangelegd of een bekentenis onder ontoelaatbare druk tot stand was gekomen, dwong de rechtspraak van het EHRM tot het aanleggen van de veel formelere maatstaf waarin wordt getoetst of de verdachte voorafgaand aan zijn politieverhoor is gewezen op zijn rechten en of hij van die rechten gebruik heeft kunnen maken.
Veel normen in het EVRM hebben een open karakter, zodat de ruimte voor rechterlijke interpretatie groot is. Het is daarbij aan de rechter – in hoogste instantie het EHRM – om aan de hand van concrete zaken te beoordelen welke eisen bijvoorbeeld voortvloeien uit het recht op een ‘eerlijk proces’ en wat geldt als een ‘redelijke termijn’, een en ander zoals bedoeld in art. 6 EVRM. Bij de interpretatie van door verdragsrecht genormeerde gevallen moet de nationale rechter rekening houden met de daaraan door de supranationale gerechten gegeven uitleg. De in het nationale recht gehanteerde uitleg moet compatibel zijn met de interpretatie van die supranationale gerechten. Dat betekent overigens niet dat als het EHRM een maatstaf hanteert met veel ruimte voor het meewegen van bijzondere omstandigheden van het geval, de Nederlandse rechtspraak ook per se voor een dergelijke aanpak moet kiezen. Mits aan de verdragsrechtelijke minimumeisen wordt voldaan, is ook een andere aanpak mogelijk.1