Vormfouten
Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/4.2.1.1:4.2.1.1 Wetgeving: toenemende ruimte voor de rechter
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/4.2.1.1
4.2.1.1 Wetgeving: toenemende ruimte voor de rechter
Documentgegevens:
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS614268:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De nationale wetgever is in de loop der jaren meer gebruik gaan maken van ‘open normen’, waarvan de nadere invulling in concrete gevallen aan de rechter is overgelaten. Meende de wetgever in de samenleving van de jaren ‘20 nog te kunnen volstaan met regelgeving die was geënt op een min of meer tijdloze belangenafweging, het huidige dynamische karakter van de samenleving vereist dat strafvorderlijke bevoegdheden en opsporingsmethoden voortdurend worden afgestemd op maatschappelijke en technische ontwikkelingen, teneinde eigentijdse vormen van criminaliteit doelmatig te kunnen opsporen en bestraffen. Een dichtgetimmerde regeling van opsporingsbevoegdheden zal dan ook snel als te beknellend worden ervaren of loopt achter de feiten aan, dan wel, nodigt uit tot ontduiking, zo betogen Knigge en Kwakman.1 Zij wijzen op het spanningsveld tussen het waarborgkarakter van de grondrechten en de behoefte aan flexibele regelgeving in een dynamische samenleving bij de nadere afbakening van de reikwijdte van grondrechten door de wetgever en de rechter.2
Bij de ruimte voor rechterlijke interpretatie kunnen ook andere factoren dan de tekst van de wet en de uit de wetsgeschiedenis blijkende bedoeling van de wetgever een rol spelen. In het onderzoekproject Strafvordering 2001 is in dit verband samenvattend opgemerkt: ‘hoe duidelijker de regeling is geformuleerd, en hoe beter zij aansluit bij de maatschappelijke realiteit, en hoe meer zij recht doet aan de achterliggende belangen, hoe kleiner de armslag van de rechter zal zijn’. Daartegenover wordt de situatie gesteld waarin ‘de wetgeving verouderd is, innerlijk niet consistent en op gespannen voet staat met de eisen die de mensenrechtenverdragen stellen’.3