Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.3:7.3.3 Gradaties van bewijskracht: woord vooraf
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.3
7.3.3 Gradaties van bewijskracht: woord vooraf
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940317:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij de bespreking van de bewijsregels in de hiernavolgende paragrafen komen de gradaties van bewijskracht, zoals die in fiscalibus gelden, onvermijdelijk aan de orde. Enerzijds lijkt het daarom voor de hand liggend om die gradaties voorafgaand aan de andere onderwerpen te behandelen. Anderzijds zou dat indruisen tegen de logische volgorde waarin de verschillende deelvragen normaliter – al dan niet tijdens een fiscale procedure – aan de orde komen. Ik heb de voorkeur gegeven aan die logische volgorde: de bewijsgradaties worden bijgevolg behandeld na de paragraaf over bewijsvoering en vóór de paragraaf over de keuze, weging en waardering van de bewijsmiddelen (te weten in paragraaf 7.3.8).
Om ingewikkelde formuleringen en krampachtige vermijding van de gehanteerde terminologie in de paragrafen vóór paragraaf 7.3.8 te voorkomen, geef ik op deze plaats alvast een schot voor de boeg. In fiscalibus komen in beginsel slechts twee gradaties van bewijskracht voor: aannemelijk maken en (doen) blijken (ook wel: overtuigend aantonen). Het zijn normen voor de vereiste overtuigingskracht van het bewijs. Als hoofdregel geldt dat degene op wie de bewijslast rust, zijn stellingen ten minste ‘aannemelijk maakt’: zijn lezing van de feiten ligt dan voor de hand, hoewel alternatieve scenario’s goed denkbaar zijn. Soms vereist de wet echter een zwaardere gradatie van bewijskracht: dan moeten de stellingen ‘blijken’. Dat betekent niet dat er onomstotelijk bewijs moet zijn, maar wel dat een alternatieve gang van zaken nauwelijks denkbaar is.