Einde inhoudsopgave
De invloed van de woonplaats op de fiscale behandeling (FM nr. 158) 2019/9.2
9.2 Belastingneutraliteit en gelijke behandeling
Mr. dr. N.P. Schipper, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
Mr. dr. N.P. Schipper
- JCDI
JCDI:ADS382588:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Woon- en vestigingsplaats
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Inkomstenbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Europese verdragsvrijheden
Europees belastingrecht / Discriminatie
Voetnoten
Voetnoten
P. Kapteyn (e.a.), Het recht van de Europese Unie en de Europese Gemeenschappen, Deventer: Kluwer 2003, p. 104 en D.M. Weber, Belastingontwijking en de EG-Verdragsvrijheden, FM nr. 105, Deventer: Kluwer 2003, p. 21.
R. Griffith, J. Hines & P.B. Sørensen, ‘International Capital Taxation’ in: Mirrlees Review, Reforming the Tax System for the 21st Century, Londen: Institute for Fiscal Studies2008, p. 914-1027, p. 925.
Zie over belastingneutraliteit in algemene zin onder meer: P. Richman (Musgrave), Taxation of foreign investment income. An Economic analysis, Baltimore: Johns Hopkins Press 1963, K. Vogel, ‘Worldwide vs. Source taxation of income – A review and re-evaluation of arguments’, Intertax 1988/10, p. 310-320, T. Bender, De vrijstellingsmethode ter voorkoming van internationale dubbele belasting, origineel proefschrift Universiteit Leiden 2000, p. 33-36, D.M. Weber, Belastingontwijking en de EG-Verdragsvrijheden, FM nr. 105, Deventer: Kluwer 2003, p. 125-127 en D.A. Weisbach, ‘The Use of Neutralities in International Tax Policy’, University of Chicago, Coase-Sandor Institute for Law & Economics Working Paper No. 697, 2014.
R. Griffith, J. Hines & P.B. Sørensen, ‘International Capital Taxation’ in: Mirrlees Review, Reforming the Tax System for the 21st Century, Londen: Institute for Fiscal Studies2008, p. 914-1027, p. 952. Zie ook D.M. Weber, Belastingontwijking en de EG-Verdragsvrijheden, FM nr. 105, Deventer: Kluwer 2003, p. 126 onder verwijzing naar onder meer P. Richman (Musgrave), Taxation of foreign investment income. An Economic analysis, Baltimore: Johns Hopkins Press 1963, p. 7-8 die deze twee vormen van belastingneutraliteit introduceerde.
Dit in navolging van Kemmeren die de productiefactor arbeid in zijn dissertatie naast kapitaal opneemt in zijn afkortingen voor import- en exportneutraliteit. Hij spreek in dit kader van ‘KAEN’ en ‘KAIN’. Zie E.C.C.M. Kemmeren, Principle of origin in tax conventions – a rethinking of models, Dongen: Pijnenburg 2001, p. 72-74.
Zie hierover onder meer P. Richman (Musgrave), Taxation of foreign investment income. An Economic analysis, Baltimore: Johns Hopkins Press 1963, C. van Raad, Nondiscrimination in International Tax Law, Deventer: Kluwer 1986, p. 254, E.C.C.M. Kemmeren, Principle of origin in tax conventions – a rethinking of models, Dongen: Pijnenburg 2001, p. 71-72, R. Griffith, J. Hines & P.B. Sørensen, ‘International Capital Taxation’ in: Mirrlees Review, Reforming the Tax System for the 21st Century, Londen: Institute for Fiscal Studies2008, p. 914-1027, p. 925-926 en D.A. Weisbach, ‘The Use of Neutralities in International Tax Policy’, University of Chicago, Coase-Sandor Institute for Law & Economics Working Paper No. 697, 2014, p. 3.
T. Bender, De vrijstellingsmethode ter voorkoming van internationale dubbele belasting, origineel proefschrift Universiteit Leiden 2000, p. 37-38 spreekt in dit kader meer specifiek over toepassing van het universaliteitsbeginsel (gelet op de toegepaste methode ter voorkoming van dubbele belasting, waarbij het wereldinkomen effectief in de belastinggrondslag wordt betrokken, zij het met verrekening van de buitenlandse belastingen).
Zie hierover onder meer C. van Raad, Nondiscrimination in International Tax Law, Deventer: Kluwer 1986, p. 258, E.C.C.M. Kemmeren, Principle of origin in tax conventions – a rethinking of models, Dongen: Pijnenburg 2001, p. 71-72 en R. Griffith, J. Hines & P.B. Sørensen, ‘International Capital Taxation’ in: Mirrlees Review, Reforming the Tax System for the 21st Century, Londen: Institute for Fiscal Studies2008, p. 914-1027, p. 926.
D.A. Weisbach, ‘The Use of Neutralities in International Tax Policy’, University of Chicago, Coase-Sandor Institute for Law & Economics Working Paper No. 697, 2014, p. 3.
T. Bender, De vrijstellingsmethode ter voorkoming van internationale dubbele belasting, origineel proefschrift Universiteit Leiden 2000, p. 56.
R. Griffith, J. Hines & P.B. Sørensen, ‘International Capital Taxation’ in: Mirrlees Review, Reforming the Tax System for the 21st Century, Londen: Institute for Fiscal Studies2008, p. 914-1027, p. 952. Zie ook het voorbeeld van Graetz in M.J. Graetz, ‘Taxing International Income: Inadequate Principles, Outdated Concepts, and Unsatisfactory Policies’, Tax Law Review 2001/2, p. 261-336, p. 272.
Zie voor een behandeling hiervan: D.A. Weisbach, ‘The Use of Neutralities in International Tax Policy’, University of Chicago, Coase-Sandor Institute for Law & Economics Working Paper No. 697, 2014. Zie voor nadere literatuurverwijzingen tevens K. Vogel, ‘Worldwide vs. Source taxation of income – A review and re-evaluation of arguments’, Intertax 1988 (8/9), p. 216-299 (10), p. 310-320 (11), p. 393-402, T. Bender, De vrijstellingsmethode ter voorkoming van internationale dubbele belasting, origineel proefschrift Universiteit Leiden 2000, p. 39-50, E.C.C.M. Kemmeren, Principle of origin in tax conventions – a rethinking of models, Dongen: Pijnenburg 2001, p. 74-78, D.M. Weber, Belastingontwijking en de EG-Verdragsvrijheden, FM nr. 105, Deventer: Kluwer 2003, p. 128-132 en H. Niesten, Belastingvoordelen van de grensoverschrijdende economisch actieve EU-persoon, Mechelen: Wolters Kluwer 2018, p. 414-420 (randnr. 469-472) en p. 518-532 (randnr. 580-603).
P. Richman (Musgrave), Taxation of foreign investment income. An Economic analysis, Johns Hopkins Press, Baltimore 1963, P. Musgrave, ‘Interjurisdictional equity in company taxation: principles and applications to the European Union’, in: S. Cnossen (red.), Taxing capital income in the European Union, issues and options for reform, Oxford: Oxford University Press 2000, p. 46-77 en R. Griffith, J. Hines & P.B. Sørensen, ‘International Capital Taxation’ in: Mirrlees Review, Reforming the Tax System for the 21st Century, Londen: Institute for Fiscal Studies2008, p. 914-1027, p. 952-953. Zie ook de andere literatuur genoemd in K. Vogel, ‘Worldwide vs. Source taxation of income – A review and re-evaluation of arguments’, Intertax 1988/10, p. 310-320, T. Bender, De vrijstellingsmethode ter voorkoming van internationale dubbele belasting, origineel proefschrift Universiteit Leiden 2000, p. 39 (voetnoot 104), M.J. Graetz, ‘Taxing International Income: Inadequate Principles, Outdated Concepts, and Unsatisfactory Policies’, Tax Law Review 2001/2, p. 261-336, p. 272 en D.A. Weisbach, ‘The Use of Neutralities in International Tax Policy’, University of Chicago, Coase-Sandor Institute for Law & Economics Working Paper No. 697, 2014, p. 3-5.
R. Griffith, J. Hines & P.B. Sørensen, ‘International Capital Taxation’ in: Mirrlees Review, Reforming the Tax System for the 21st Century, Londen: Institute for Fiscal Studies2008, p. 914-1027, p. 952-953.
P. Musgrave, ‘Interjurisdictional equity in company taxation: principles and applications to the European Union’, in: S. Cnossen (red.), Taxing capital income in the European Union, issues and options for reform, Oxford: Oxford University Press 2000, p. 46-77, p. 48-50 en 75, D.M. Weber, Belastingontwijking en de EG-Verdragsvrijheden, FM nr. 105, Deventer: Kluwer 2003, p. 128-129 met verdere verwijzingen en R. Griffith, J. Hines & P.B. Sørensen, ‘International Capital Taxation’ in: Mirrlees Review, Reforming the Tax System for the 21st Century, Londen: Institute for Fiscal Studies2008, p. 914-1027, p. 915.
P. Musgrave, ‘Interjurisdictional equity in company taxation: principles and applications to the European Union’, in: S. Cnossen (red.), Taxing capital income in the European Union, issues and options for reform, Oxford: Oxford University Press 2000, p. 46-77, p. 48-50 en 75 en R. Griffith, J. Hines & P.B. Sørensen, ‘International Capital Taxation’ in: Mirrlees Review, Reforming the Tax System for the 21st Century, Londen: Institute for Fiscal Studies2008, p. 914-1027, p. 952. Zie voor een beschrijving van de opvatting van de klassieke stroming ook: M.J. Graetz, ‘Taxing International Income: Inadequate Principles, Outdated Concepts, and Unsatisfactory Policies’, Tax Law Review 2001/2, p. 261-336, p. 270 met verdere verwijzingen en E.C.C.M. Kemmeren, Principle of origin in tax conventions – a rethinking of models, Dongen: Pijnenburg 2001, p. 76 (en voetnoot 36). Graetz en Kemmeren plaatsen beiden kanttekeningen bij deze visie.
Onder meer door Vogel, Bender, Kemmeren en Weber, die allen voorstander zijn van KIN. Zie K. Vogel, ‘Worldwide vs. Source taxation of income – A review and re-evaluation of arguments’, Intertax 1988/10, p. 310-320, p. 312-313, T. Bender, De vrijstellingsmethode ter voorkoming van internationale dubbele belasting, origineel proefschrift Universiteit Leiden 2000, p. 45, E.C.C.M. Kemmeren, Principle of origin in tax conventions – a rethinking of models, Dongen: Pijnenburg 2001, p. 75-76 en D.M. Weber, Belastingontwijking en de EG-Verdragsvrijheden, FM nr. 105, Deventer: Kluwer 2003, p. 128-129.
Zie onder meer K. Vogel, ‘Worldwide vs. Source taxation of income – A review and re-evaluation of arguments’, Intertax 1988/10, p. 310-320, p. 313-315. Vergelijk ook de argumenten vóór internationale belastingconcurrentie, zoals benoemd in R. Griffith, J. Hines & P.B. Sørensen, ‘International Capital Taxation’ in: Mirrlees Review, Reforming the Tax System for the 21st Century, Londen: Institute for Fiscal Studies2008, p. 914-1027, p. 935-937 die opmerken dat veel rekenmodellen als uitgangspunt nemen dat, kort gezegd, de overheidsmiddelen efficiënt worden besteed (waarna verschillende argumenten worden benoemd om dit uitgangspunt te betwisten).
E.C.C.M. Kemmeren, Principle of origin in tax conventions – a rethinking of models, Dongen: Pijnenburg 2001, p. 76 onder verwijzing naar O. Gandenberger, ‘Die Einfluß der Einkommen- und Körperschaftsteuer auf die internationalen Wirtschaftströme’, in: K. Vogel (red.), Grundfragen des intemationalen Steuerrechts, Keulen: Verlag Dr. Otto Schmidt 1985, p. 44.
T. Bender, De vrijstellingsmethode ter voorkoming van internationale dubbele belasting, origineel proefschrift Universiteit Leiden 2000, p. 41-45 onder verwijzing naar Vogel die dit argument eerder uitwerkte in K. Vogel, ‘Worldwide vs. Source taxation of income – A review and re-evaluation of arguments’, Intertax 1988/10, p. 310-320, p. 311-315.
E.C.C.M. Kemmeren, Principle of origin in tax conventions – a rethinking of models, Dongen: Pijnenburg 2001, p. 75.
Weber heeft in dit kader betoogd dat belastingconcurrentie als zodanig juist in aanmerking zou moeten worden genomen bij de vaststelling van het optimale allocatieproces. Dit aangezien minder belastingheffing immers leidt tot minder overheidsinmenging en hogere opbrengsten van de productiefactoren. Concurrentie tussen de rechtstelsels (naast die tussen marktpartijen) leidt in deze visie juist tot meer welvaart. Zie D.M. Weber, Belastingontwijking en de EG-Verdragsvrijheden, FM nr. 105, Deventer: Kluwer 2003, p. 129-130 en nadien in D.M. Weber, ‘VPB 2007. Een stelsel gebaseerd op het territorialiteitsbeginsel: EG-aspecten en contouren’, WFR 2004/1297, paragraaf 3.2.1 onder verwijzing naar M.J. Graetz, ‘Taxing International Income: Inadequate Principles, Outdated Concepts, and Unsatisfactory Policies’, Tax Law Review 2001/2, p. 261-336, p. 284.
P.J. Wattel, O.C.R. Marres & H. Vermeulen (red.), Terra/Wattel European Tax Law. Volume 1 – General Topics and Direct Taxation (Fiscale Handboeken nr. 10), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 708.
E.C.C.M. Kemmeren, Principle of origin in tax conventions – a rethinking of models, Dongen: Pijnenburg 2001, p. 76 onder verwijzing naar G.C. Hufbauer en J.M. van Rooij, US Taxation of Intemational Income, Blueprint for Reform, Washington D.C.: Institute for International Economics 1992, p. 58.
A.J. Auerbach, M.P. Devereux & H. Simpson, ‘Taxing Corporate Income’ in: Mirrlees Review, Reforming the Tax System for the 21st Century, Londen: Institute for Fiscal Studies2008, p. 837-913, p. 869 en 882.
E.C.C.M. Kemmeren, Principle of origin in tax conventions – a rethinking of models, Dongen: Pijnenburg 2001, p. 75-76 en 130.
Vergelijk ook R. Griffith, J. Hines & P.B. Sørensen, ‘International Capital Taxation’ in: Mirrlees Review, Reforming the Tax System for the 21st Century, Londen: Institute for Fiscal Studies2008, p. 914-1027, p. 915-916, 954 en 959. Deze vooraanstaande economen bepleiten dat het Verenigd Koninkrijk moet overstappen naar de vrijstellingsmethode ten aanzien van dividenduitkeringen die Britse vennootschappen ontvangen van hun buitenlandse dochtermaatschappijen (in afwijking van de huidige verrekeningsmethode).
P. Pistone, The Impact of Community Law on Tax Treaties: Issues and Solutions, EUCOTAX series on European Taxation, Londen: Kluwer Law International 2002, p. 197-200 en 299, E.C.C.M. Kemmeren, Principle of origin in tax conventions – a rethinking of models, Dongen: Pijnenburg 2001, p. 132-133 en 138-140, P.J. Wattel, O.C.R. Marres & H. Vermeulen (red.), Terra/Wattel European Tax Law. Volume 1 – General Topics and Direct Taxation (Fiscale Handboeken nr. 10), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 705-708, K. Vogel, Taxation of Cross-Border Income, Harmonization, and Tax Neutrality under European Community Law: An institutional Approach, Deventer: Kluwer 1994, p. 29, D.M. Weber, ‘VPB 2007. Een stelsel gebaseerd op het territorialiteitsbeginsel: EG-aspecten en contouren’, WFR 2004/1297, paragraaf 3.2.1 (slot) en H. Niesten, Belastingvoordelen van de grensoverschrijdende economisch actieve EU-persoon, Mechelen: Wolters Kluwer 2018, p. 416-418 (randnr. 471).
P. Pistone, The Impact of Community Law on Tax Treaties: Issues and Solutions, EUCOTAX series on European Taxation, Londen: Kluwer Law International 2002, p. 299.
Waarbij ik toewijzing van het primaire heffingsrecht aan de bronstaat veronderstel (vaste inrichting).
T. Bender, De vrijstellingsmethode ter voorkoming van internationale dubbele belasting, origineel proefschrift Universiteit Leiden 2000, p. 36.
Waarbij ik abstraheer van het feit dat hun product en kostprijs vrijwel nooit identiek zullen zijn.
In gelijke zin: J.J.A.M. Korving, Internal Market Neutrality, origineel proefschrift Universiteit Maastricht 2017, p. 161 (paragraaf 4.2.4.2). Korving doet in zijn dissertatie aanbevelingen om sneller tot meer harmonisatie over te gaan teneinde neutraliteit te bereiken binnen de interne markt.
Bijvoorbeeld de Nederlandse compensatieregeling voor inwoners van Nederland die in België en/of Duitsland werkzaam zijn, zoals opgenomen in respectievelijk art. 27 van het belastingverdrag tussen Nederland en België (2001) en art. XII van het protocol behorende bij het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland (2012). Hierbij wordt een volledig gelijke behandeling ten opzichte van de buurman in de regel overigens ook niet bereikt, aangezien Nederland bij de (algemene) compensatieregeling voor de neutraliteit uitgaat van het fictieve scenario waarin de werknemer naast belastingen ook Nederlandse socialezekerheidsbijdragen verschuldigd is over het arbeidsinkomen (premie volksverzekeringen).
In gelijke zin: E.C.C.M. Kemmeren, Principle of origin in tax conventions – a rethinking of models, Dongen: Pijnenburg 2001, p. 82-83. Vogel beschouwt de toepassing van de verrekeningsmethode op buitenlands arbeidsinkomen als ‘highly non-neutral’. Zie K. Vogel, ‘Worldwide vs. Source taxation of income – A review and re-evaluation of arguments’, Intertax 1988/10, p. 310-320, p. 319.
Hetzij door buitenlandse werknemers die lokaal in dienst zouden treden, hetzij door gedetacheerde werknemers van buitenlandse ondernemingen. Aangezien de loonkosten een significant onderdeel uitmaken van de kostprijs van ondernemingen, zou dit uiteraard ook gevolgen hebben voor de concurrentiepositie van de desbetreffende werkgever. Dit is niet louter een theoretisch argument: er zijn in 2018 verschillende lidstaten in Oost-Europa die een laag (vlak) inkomstenbelastingtarief hanteren, waaronder Bulgarije (10%), Roemenië (10%), Hongarije (15%) en Slowakije (19%-25%). Bron: Country Surveys & Country Analyses, International Bureau of Fiscal Documentation (IBFD) (beschikbaar via www.ibfd.org, geraadpleegd op 8 oktober 2018). Er zijn grote aantallen werknemers uit deze landen werkzaam in West-Europese lidstaten. Zie European Commission (2018), 2017 Annual Report on intra-EU Labour Mobility, final report, p. 85 en p. 234-235 (tabel 64). Het introduceren van een compensatieregeling zou een stap in de verkeerde richting zijn in het licht van het gewenste gelijke speelveld.
Bijkomend probleem c.q. vraagstuk bij een dergelijke compensatieregeling is de budgettaire impact voor de woonstaat. Er zouden dan afspraken moeten worden gemaakt over de verdeling van deze last tussen de betrokken lidstaten. Een eerder voorstel van de Europese Commissie uit 1979 tot invoering van een compensatieregeling strandde naar verluidt (mede) hierdoor. Zie hierover ook hoofdstuk 10.
Anders: H. de Vries, ‘Keuzeregeling artikel 2.5 Wet IB 2001 – stand van zaken en hoe nu verder?’, WFR 2013/976, paragraaf 6 en H. Niesten, Belastingvoordelen van de grensoverschrijdende economisch actieve EU-persoon, Mechelen: Wolters Kluwer 2018, p. 1277-1278 (randnr. 1384) die voorstanders zijn van een algehele invoering van een compensatieregeling binnen de EU.
H. Niesten, Belastingvoordelen van de grensoverschrijdende economisch actieve EU-persoon, Mechelen: Wolters Kluwer 2018, p. 1223-1224 (randnr. 1352): ‘in dit proefschrift wordt een dubbele gelijkheid nagestreefd, namelijk een ‘gelijkheid met de buurman’ (in de woonstaat) en een ‘gelijkheid met de collega’s’ (op de werkvloer). Deze opvatting kan als ‘ideaalbeeld’ worden verwoord’. Niesten bepleit daarbij een combinatie van een nationale behandeling in de werkstaat en een compensatieregeling in de woonstaat. Zij beschrijft dit als een wijze waarop ‘een gelijke behandeling op de werkvloer en met de buurman kan worden bewerkstelligd’.
Vereniging voor Belastingwetenschap, ‘Grenswerkers in Europa: Een onderzoek naar fiscale, sociaalverzekerings- en pensioenaspecten van grensoverschrijdend werken’, Rapport van de Commissie grenswerkers (Geschrift nr. 257), 2017, p. 214. Zie in meer detail aanbeveling 11 van dit lezenswaardige rapport (p. 314).
Het tegelijkertijd bereiken van zowel gelijkheid op de werkvloer als gelijkheid met de buurman is strikt genomen immers niet mogelijk (behoudens het zeer uitzonderlijke geval waarin de feitelijke belastingdruk in beide staten identiek zou uitvallen). Indien een tegemoetkoming in het kader van de compensatieregeling wordt ontvangen is men immers beter af dan werknemers uit de werkstaat, terwijl indien de werkstaatbelasting lager uitvalt men beter af is dan andere inwoners van de woonstaat (althans, bij toepassing van de vrijstellingsmethode). Het voorstel van de commissie strekt in feite dan ook tot het verkrijgen van het meest voordelige van de twee scenario’s: woonstaat- versus werkstaatheffing. Ook Kavelaars begrijpt het voorstel in deze zin en acht een dergelijk systeem niet evenwichtig. Zie P. Kavelaars, ‘Grenswerkers in spagaat’, NTFR 2017/1682.
Zie het rapport van de Expert Group, ‘Ways to tackle cross-border tax obstacles facing individuals within the EU’ (2015), met name p. 25-26 en 37. In het rapport worden verschillende procedurele en materieelrechtelijke fiscale belemmeringen behandeld en hiervoor verschillende voorstellen gedaan tot het uitvaardigen van nadere aanbevelingen (soft law) of Uniewetgeving (hard law). Zie over dit rapport ook F.P.G. Pötgens & T.M. Vergouwen, ‘The Report Ways to Tackle Cross-Border Obstacles Facing Individuals within the EU’, EC Tax Review 2017/5, p. 246-256 alsmede E.W. Ros, ‘Europees burgerschap en fiscaliteit’, MBB 2017/12.
Rapport van de Expert Group, ‘Ways to tackle cross-border tax obstacles facing individuals within the EU’ (2015), p. 25-26. Dit door middel van een richtlijn of multilateraal belastingverdrag. Overigens suggereert de Expert Group op p. 28-29 van het rapport tevens om de fiscale woonplaats in het vervolg te bepalen overeenkomstig deze toewijzingsregels van de socialezekerheidsverordening. Zie hierover ook F.P.G. Pötgens & T.M. Vergouwen, ‘The Report Ways to Tackle Cross-Border Obstacles Facing Individuals within the EU’, EC Tax Review 2017/5, p. 246-256, p. 250 die in dit kader terecht opmerken dat de in het rapport gekozen formulering ten aanzien van de vaststelling van de fiscale woonplaats niet goed aansluit bij de toewijzingsregels voor de toepasselijke socialezekerheidswetgeving zoals opgenomen in Verordening (EG) 883/2004.
Op grond van de hoofdregel van art. 11 lid 3 onderdeel a Verordening (EG) 883/2004.
Het van toepassing blijven van de socialezekerheidswetgeving van de staat van voorafgaande verzekering is in de regel gebaseerd op art. 12 Verordening (EG) 883/2004 (detachering van maximaal 24 maanden). Op grond van art. 13 lid 1 onderdeel a Verordening (EG) 883/2004 is de socialezekerheidswetgeving van de woonstaat van toepassing indien een werknemer in meerdere lidstaten werkzaam is, waarbij hij een substantieel deel van zijn werkzaamheden in de woonstaat verricht (kort gezegd, indien ten minste 25% van de arbeidstijd en/of arbeidsbeloning gerelateerd is aan de werkzaamheden in de woonstaat, zie art. 14 lid 8 Verordening (EG) 987/2009).
Zie p. 26 van het rapport van de Expert Group.
Aangezien geen keuze wordt gemaakt tussen KIN of KEN liggen bepaalde in het rapport genoemde voorstellen c.q. varianten daarop ver uiteen qua onderliggende principes.
P. Pistone, The Impact of Community Law on Tax Treaties: Issues and Solutions, EUCOTAX series on European Taxation, Londen: Kluwer Law International 2002, p. 299.
Dit uitgangspunt dient mijns inziens ook te gelden voor klassieke grensarbeiders (die dagelijks terugkeren naar hun woonstaat). Anders: P. Kavelaars, Toewijzingsregels in het internationale fiscale- en sociaalverzekeringsrecht, Deventer: Kluwer 2003, p. 73 die voorstander is van een woonstaatheffing voor grensarbeiders. Zie tevens P. Kavelaars, ‘Grenswerkers in spagaat’, NTFR 2017/1682 en het inmiddels klassieke debat tussen Wattel en Kavelaars in P.J. Wattel en P. Kavelaars, ‘Fiscaal duel: Grensarbeidersregeling: werkstaat is beter dan woonstaat’, WFR 2001/58.
Op grond van art. 11 lid 3 onderdeel a Verordening (EG) 883/2004 (werkzaamheden in loondienst in één lidstaat). Zie over de verhouding van de socialezekerheidswetgeving ten opzichte van de belastingwetgeving ook paragraaf 7.4.
F. Pennings, ‘Co-ordination of Social Security on the Basis of the State of Employment Principle: Time for an Alternative?’, Common Market Law Review 2005/42, p. 67-89, p. 67-69 en B. Peeters & H. Verschueren, ‘The Impact of European Union Law on the Interaction of Members States’ Sovereign Powers in the Policy Fields of Social Protection and Personal Income Tax Benefits’, EC Tax Review 2016/5-6, p. 262-276, p. 265.
Onderdelen 16 en 17 van de considerans van Verordening (EG) 883/2004 (cursivering NS).
Dit is onder meer benoemd in de Staat van de Unie op 13 september 2017 van voorzitter Juncker: ‘in een Unie van gelijken horen er geen tweederangswerknemers te zijn. Werknemers moeten voor hetzelfde werk op dezelfde plek hetzelfde loon krijgen. De Commissie heeft daarom nieuwe EU-regels voor detachering van werknemers voorgesteld’. Zie ook het persbericht van de Europese Commissie van 24 oktober 2017, ‘Commissie verwelkomt steun van de Raad voor Europese pijler van sociale rechten en algemene oriëntatie van de Raad om de detacheringsrichtlijn te hervormen’, IP/17/4068.
Richtlijn (EU) 2018/957 van het Europees Parlement en de Raad van 28 juni 2018 tot wijziging van Richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten, PbEU 2018, L 173.
Dit geldt ongeacht het arbeidsrecht dat van toepassing is op de dienstbetrekking. Zie art. 3 lid 1 Richtlijn 96/71/EG. Het gaat hierbij specifiek om gedetacheerde werknemers die normaliter in een andere lidstaat werkzaam zijn; niet iedere grensoverschrijdende arbeidsactiviteit valt binnen de reikwijdte van deze richtlijn.
Zie art. 3 lid 1 onderdeel c Richtlijn 96/71/EG.
Dit is opgenomen in het nieuwe art. 3 lid 1bis Richtlijn 96/71/EG. Hierbij gelden enkele uitzonderingen, bijvoorbeeld voor aanvullende bedrijfspensioenregelingen. De coördinatie van het toepasselijke socialezekerheidsstelsel blijft daarnaast afzonderlijk geregeld door middel van Verordening (EG) 883/2004. Zie met betrekking tot dit laatste tevens onderdeel 14 van de considerans van Richtlijn (EU) 2018/957.
Onderdeel 1 van de considerans van Richtlijn (EU) 2018/957 (cursivering NS). Het belang van een ‘gelijk speelveld’ komt ook in andere onderdelen van de considerans in verschillende bewoordingen duidelijk naar voren.
In gelijke zin: P.J. Wattel, ‘Capital export neutrality and free movement of persons’, Legal Issues of European Integration 1996/1, p. 115-127, p. 126.
Het verkeer van werknemers binnen de Unie is vrij. Gelet hierop zou binnen de EU sprake moeten zijn van één gezamenlijke arbeidsmarkt, waarbij de productiefactor arbeid optimaal kan worden ingezet.1 Volgens de economische theorie zou de belastingheffing door de lidstaten ten aanzien van werknemers geen verstorende werking mogen hebben op dit allocatieproces maar zou sprake moeten zijn van belastingneutraliteit.2, 3
Hierbij dient direct te worden opgemerkt dat volledige belastingneutraliteit slechts kan worden bereikt door integrale harmonisatie van de belastingstelsels. Alleen dan zijn de belastingen immers niet van invloed op de bepaling in welke staat bepaalde economische activiteiten met de hoogste netto-opbrengst kunnen worden uitgevoerd. In de literatuur wordt dit begrip van (absolute) belastingneutraliteit dan ook niet gevolgd maar wordt, kort gezegd, uitgegaan van neutraliteit bezien vanuit het belastingstelsel van de woonstaat dan wel de bronstaat.4 Hierbij wordt meer in algemene zin onderscheid gemaakt tussen kapitaalexportneutraliteit (‘KEN’) en kapitaalimportneutraliteit (‘KIN’). Deze terminologie komt voort uit de neutraliteit van het doen van investeringen, doorgaans door ondernemingen (productiefactor kapitaal). Ten aanzien van grensoverschrijdende werknemers (productiefactor arbeid) kan in dit kader worden gesproken over arbeidexportneutraliteit en arbeidimportneutraliteit.5
Bij kapitaalexportneutraliteit (KEN) bestaat neutraliteit vanuit het perspectief van de woonstaat. Hierbij is de belastingdruk op buitenlandse (uitgaande) investeringen gelijk aan die van binnenlandse investeringen (gelijkheid op de thuismarkt).6 Denk hierbij aan de situatie waarin een ingezeten vennootschap een filiaal opent in het buitenland (uitgaande investering). De winsten van dit filiaal (vaste inrichting) zijn belastbaar in de bronstaat. Bij toepassing van KEN wordt dit inkomen ook in de woonstaat onderworpen aan belastingheffing, waarbij de door de bronstaat geheven belasting wordt verrekend met de binnenlandse belasting. Bij KEN gaat het dan ook om de verrekeningsmethode ter voorkoming van dubbele belasting. Dit betreft een vorm van belastingheffing op grond van het woonplaatsbeginsel (onbegrensde belastingplicht).7 In zijn pure vorm zou bij KEN de uiteindelijke belastingdruk altijd gelijk zijn ten opzichte van volledig binnenlandse situaties omdat de buitenlandse belasting volledig zou worden verrekend (full credit). Echter, binnen het internationale belastingrecht wordt de KEN-methode niet zuiver toegepast, aangezien de verrekenbare buitenlandse belasting in de praktijk vrijwel altijd beperkt is tot de toerekenbare binnenlandse belasting (ordinary credit). In dat geval wordt neutraliteit bij de verrekeningsmethode slechts bereikt indien de belastingdruk in de bronstaat lager is dan die in de woonstaat.
Bij kapitaalimportneutraliteit (KIN) bestaat neutraliteit vanuit het perspectief van de bronstaat. Hierbij is de belastingdruk op investeringen van buitenlandse ondernemingen in de bronstaat gelijk aan die van aldaar gevestigde ondernemingen (gelijkheid op de buitenlandse markt).8 In het bovenstaande voorbeeld worden bij KIN de winsten van het buitenlandse filiaal door de woonstaat namelijk vrijgesteld van belastingheffing. Dit betreft derhalve een vorm van belastingheffing op grond van het bron- of territorialiteitsbeginsel. Aldus wordt de onderneming ten aanzien van de buitenlandse activiteiten slechts geconfronteerd met de belastingdruk in de bronstaat. Op deze manier bestaat derhalve belastingneutraliteit ten opzichte van andere partijen die ook op die markt opereren.9 Deze neutraliteit wordt, anders dan in de praktijk bij KEN, bereikt ongeacht of de belastingdruk in de woon- of bronstaat hoger is (aangezien alleen de laatstgenoemde staat deze inkomsten in de belastingheffing betrekt).10
Samenvattend worden bij KEN binnenlandse en buitenlandse inkomstenbronnen gelijk behandeld (in de woonstaat), terwijl bij KIN gelijkheid bestaat tussen binnenlandse en buitenlandse belastingplichtigen (in de bronstaat). Zolang geen sprake is van volledige harmonisatie van de belastingstelsels, kan slechts één van deze twee neutraliteitsvormen worden gerealiseerd.11 Er is in de wetenschap dan ook al veelvuldig gediscussieerd over de vraag welke van de twee vormen van neutraliteit de voorkeur verdient.12
Door de klassiek economen wordt hierbij de lijn gevolgd dat KEN leidt tot een efficiëntere inzet van productiefactoren dan KIN.13 Centraal argument binnen deze stroming is dat bij KEN belastingneutraliteit bestaat ten aanzien van de locatie waarin de activiteiten van een onderneming worden verricht, waardoor de fiscaliteit geen verstorende invloed heeft op de keuze hiervan. Met andere woorden, in dat geval is de overheidsinterventie kleiner, waardoor de marktwerking beter tot zijn recht komt.14 KIN aan de andere kant zou leiden tot het gericht verplaatsen van activiteiten naar fiscaal voordelige jurisdicties, hetgeen volgens de klassiek economen verstorend werkt binnen dat optimalisatieproces.15 Als gevolg hiervan worden activiteiten namelijk potentieel verplaatst naar locaties waar de opbrengst vóór aftrek van belastingen lager uitkomt. Hierdoor zou de totale welvaart afnemen.16
In andere literatuur is deze visie echter bekritiseerd.17 Hierbij wordt onder meer betoogd dat de rol van de overheid in het productieproces niet kan worden genegeerd. De klassieke theorie gaat namelijk uit van een opbrengst vóór aftrek van belastingen en negeert de invloed van overheidsbestedingen op de aantrekkelijkheid van het vestigings- c.q. productieklimaat van een staat.18 Er bestaat echter in zijn algemeenheid een verband tussen de hoogte van de belastingen en de omvang van de publieke voorzieningen in een land.19 Zo zal voor een onderneming de aanwezigheid van bijvoorbeeld veiligheid, infrastructuur en goed opgeleide arbeidskrachten in een staat van belang zijn bij investeringsbeslissingen. In ontwikkelingslanden zal hierdoor de belastingdruk mogelijk lager zijn, maar in dat geval zal een ondernemer in de regel zelf bepaalde investeringen moeten doen. Aangezien bij KEN door de bronstaatoverheid gefinancierde infrastructuur (via de belastingen) wordt verrekend met de belastingschuld in de woonstaat (verrekeningsmethode ter voorkoming van dubbele belasting), maar de door de onderneming gedane uitgaven slechts tot kostenaftrek leiden, wordt het investeren in staten met een lager niveau van publieke voorzieningen minder aantrekkelijk.20 Aldus wordt de binnen KEN veronderstelde neutraliteit tussen binnenlandse en buitenlandse investeringen alsnog verstoord.21 Naar mijn mening wordt met deze factor inderdaad ten onrechte geen rekening gehouden bij KEN. Daarnaast is het mijns inziens niet onwenselijk dat staten onderling op een gezonde manier concurreren, waarbij een onderneming verhoudingsgewijs de beste randvoorwaarden voor productie c.q. hoogste economische aantrekkelijkheid (bijv. infrastructuur, overheidsdiensten, opleidingsniveau beroepsbevolking, klimaat) krijgt tegen de beste prijs (in de vorm van belastingen).22 Bij KEN wordt het concurrentievoordeel van meer efficiënte staten echter in feite tenietgedaan door een compenserende heffing van het woonland. Aldus heeft KEN een protectionistisch karakter.23
In de literatuur is daarnaast terecht betoogd dat ook bij toepassing van KEN de activiteiten regelmatig alsnog zullen plaatsvinden in de voordeligere belastingjurisdicties, althans indien dit leidt tot een hogere netto-opbrengst van de productiefactoren. In dat geval zullen deze echter worden uitgevoerd door lokaal gevestigde ondernemingen.24 Door de toenemende globalisering is daarnaast het verplaatsen van het hoofdkantoor naar fiscaal voordelige staten voor concerns tegenwoordig vaker een reële optie om de (concurrentie)nadelen van KEN te voorkomen.25 Al met al leidt KEN derhalve (ook) niet tot een onverstoorde en optimale allocatie van de productiefactoren.26, 27
Los van het bovenstaande verdient KIN mijns inziens sterk de voorkeur met het oog op het functioneren van de interne markt.28 In dat kader is het creëren van gelijke marktvoorwaarden voor binnenlandse en buitenlandse partijen immers een van de centrale pijlers om dit te bereiken (level playing field).29 Hiervoor is fiscale gelijkheid op de relevante markt van groot belang. Stel dat een buitenlandse vennootschap een grootschalig project wil uitvoeren in een bronstaat waar het belastingtarief 10% bedraagt.30 Laten we aannemen dat de woonstaat van deze vennootschap een tarief van 30% kent. Indien de woonstaat in dat geval KEN zou toepassen, betekent dit dat de eventuele winstgevendheid (na belastingen) substantieel lager zou zijn ten opzichte van in de bronstaat gevestigde partijen. Hierdoor bestaat derhalve een reëel concurrentienadeel voor deze onderneming.31 Andere partijen zouden immers tegen een lagere prijs dezelfde nettowinstmarge kunnen behalen.32 Gelet hierop is niet KEN maar KIN wenselijk voor het goed functioneren van de interne markt.33
Het vorenstaande geldt eveneens ten aanzien van de fiscale behandeling van grensoverschrijdende werknemers. Bij KEN zou werken in een andere lidstaat leiden tot gelijkheid met de buurman (die binnenlands werkzaam is). Zoals reeds opgemerkt, zou bij een zuivere toepassing van KEN de buitenlandse belasting volledig moeten worden verrekend door de woonstaat (full credit). Bij een hogere buitenlandse belastingdruk zou de woonstaat dan moeten voorzien in een compensatieregeling. Mede gezien de budgettaire impact hiervan gebeurt dit in de praktijk, op enkele uitzonderingen na34, niet en wordt volstaan met een beperkte verrekening. Hierdoor treedt fiscale gelijkheid met de buurman slechts op indien de buitenlandse belastingdruk lager is.
Los van deze inconsistenties – en belangrijker – heeft KEN nadelige gevolgen voor de (concurrentie)positie van binnenlandse en buitenlandse werknemers op de Europese arbeidsmarkt. Hetgeen hiervoor is opgemerkt ten aanzien van buitenlandse ondernemingen die gevestigd zijn in staten met een hogere belastingdruk geldt namelijk mutatis mutandis voor werknemers die in dergelijke lidstaten wonen. Indien zij dezelfde nettoloon-eis zouden hanteren als werknemers uit de werkstaat, betekent dit dat zij substantieel duurder zouden zijn voor werkgevers dan lokale werknemers. Immers, de werkgever zou deze buitenlandse werknemer een hoger brutoloon moeten bieden om op hetzelfde netto-inkomen uit te komen. Hierdoor zouden buitenlandse werknemers niet op gelijke voet kunnen concurreren op de arbeidsmarkt, aangezien bij gelijke geschiktheid het aannemen van een binnenlandse werknemer aantrekkelijker is.35 Bij toepassing van KIN treedt een dergelijke distorsie echter niet op, hetgeen bijdraagt aan het creëren van een gemeenschappelijke arbeidsmarkt binnen de Europese Unie.
Indien wel zou worden voorzien in een zuivere toepassing van KEN (volledige verrekening van de buitenlandse belastingen), dan zou dit eveneens de marktwerking kunnen verstoren in situaties waarin sprake is van een lagere belastingdruk in het woonland. Indien de belastingdruk in de werkstaat bijvoorbeeld 40% zou bedragen en die in het woonland slechts 15%, dan zouden buitenlandse werknemers hierdoor immers juist een concurrentievoordeel hebben ten opzichte van binnenlandse werknemers (hen kan immers hetzelfde nettoloon worden geboden tegen aanzienlijk lagere werkgeverslasten). Dit zou verdringing van binnenlandse werknemers op de arbeidsmarkt tot gevolg kunnen hebben.36 Een full credit (nauwkeuriger: een compensatieregeling in de woonstaat ter verrekening van hogere belastingen in de werkstaat) heeft aldus eveneens een marktverstorend effect.37 Toepassing hiervan is naar mijn mening daarom onwenselijk, ondanks de financiële en praktische voordelen die hier in bepaalde gevallen aan verbonden zijn voor werknemers.38 De opvatting van bijvoorbeeld Niesten39 en de Commissie grenswerkers dat binnen de EU ‘gestreefd [zou] moeten worden naar een gelijkheid op de werkvloer én gelijkheid met de buurman in de woonstaat’40, deel ik dan ook niet. Dat streven is bovendien innerlijk tegenstrijdig: het creëren van gelijkheid met de buurman (door middel van een compensatieregeling) zou de gelijkheid op de werkvloer immers alsnog doorbreken.41 Om een dergelijke dubbele gelijkheid te creëren zou alleen volledige harmonisatie van de inkomstenbelastingstelsels volstaan. Al met al verdient toepassing van KIN mijns inziens ook in het kader van de fiscale behandeling van grensoverschrijdende werknemers de voorkeur.
De Expert Group die is ingesteld door de Europese Commissie spreekt in het rapport ‘Ways to tackle cross-border tax obstacles facing individuals within the EU’ geen expliciete voorkeur uit voor KIN of KEN maar lijkt als uitgangspunt te streven naar exclusieve toewijzing van het heffingsrecht over het totale arbeidsinkomen van een werknemer aan één lidstaat.42 Er zouden hierbij naar het oordeel van de Expert Group binnen de EU nieuwe toewijzingsregels moeten komen voor de belastingheffing, bijvoorbeeld overeenkomstig die van Verordening (EG) 883/2004 inzake de toepasselijke socialezekerheidswetgeving.43 In een klassieke grensarbeiderssituatie waarin volledig in de werkstaat wordt gewerkt zou een dergelijke toewijzing leiden tot exclusieve werkstaatheffing (KIN).44 In bepaalde situaties zou het voorstel echter leiden tot woonstaatheffing (KEN), bijvoorbeeld bij detachering tot 24 maanden of bij werknemers die substantieel werken in hun woonstaat.45 Het rapport bevat tevens alternatieve voorstellen, waaronder een afwikkeling van de EU-brede belastingheffing met de belastingautoriteit van één lidstaat (one-stop-shop, met verdeling van de aldus geheven belasting tussen de betrokken lidstaten). Het laatstgenoemde voorstel lijkt een KEN-benadering in te houden (woonstaatheffing).46 Gelet op het voorgaande geeft het rapport geen duidelijke richting c.q. geschikte oplossing voor de vraag welke vorm van belastingneutraliteit dient te worden gerealiseerd voor grensoverschrijdende werknemers binnen de Europese Unie.47 Dit was ook niet het streven van de Expert Group. Zoals reeds uit de titel van het rapport kan worden afgeleid was de doelstelling om voorstellen te doen om grensoverschrijdende fiscale belemmeringen weg te nemen. Mijns inziens dient hieraan voorafgaand echter een principiële keuze te worden gemaakt of voor grensoverschrijdende werknemers gelijkheid dient te bestaan met de collega op de werkvloer (gelijke fiscale behandeling ten opzichte van belastingplichtigen die wonen in de werkstaat, KIN) of met de buurman (gelijke behandeling ten opzichte van belastingplichtigen die werken in de woonstaat, KEN).
Zoals opgemerkt verdient toepassing van KIN naar mijn mening in het kader van de fiscale behandeling van grensoverschrijdende werknemers de voorkeur. Het sluit bovendien aan bij het Unierechtelijke beginsel van gelijke behandeling, hetgeen een verplichting inhoudt voor de lidstaten om buitenlandse partijen onder gelijke voorwaarden toe te laten tot hun nationale markt.48 Voor werknemers is dit nader verankerd in art. 7 lid 2 Verordening (EU) 492/2011 waarin is opgenomen dat een werknemer, die onderdaan is van een lidstaat, in andere lidstaten dezelfde sociale en fiscale voordelen geniet als de nationale werknemers. Ten aanzien van grensoverschrijdende werknemers sluit gelijkheid op de werkvloer (i.e. in de werkstaat) hierbij het beste aan.49
Deze benadering is tevens in lijn met andere voor het vrije verkeer van werknemers relevante rechtsgebieden. In dit kader kan met name worden gedacht aan de Uniewetgeving op het terrein van het socialezekerheids- en arbeidsrecht, waarbij het werklandbeginsel ook als leidend principe is omarmd.
Onder Verordening (EG) 883/2004, inzake de coördinatie van het toepasselijke socialezekerheidsstelsel, geldt als hoofdregel dat een werknemer exclusief sociaal verzekerd is in de lidstaat waar hij zijn dienstbetrekking uitoefent (lex loci laboris).50 Dit principe wordt inmiddels al ruim zestig jaar gevolgd voor de bepaling van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving binnen Europa.51 Ook de considerans van de huidige verordening onderstreept het primaat van de werkstaat. Hierin wordt namelijk onder meer vermeld dat ‘het binnen de Gemeenschap in principe niet gerechtvaardigd [is] dat socialezekerheidsrechten afhankelijk gesteld worden van de woonplaats van de betrokkene (…)’ alsmede dat ‘om gelijke behandeling van alle personen die op het grondgebied van een lidstaat werken zo goed mogelijk te garanderen, (…) als algemene regel de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan de betrokkene zijn werkzaamheden, al dan niet in loondienst, verricht als toepasselijke wetgeving [dient] te worden aangewezen’.52 Aldus wordt non-discriminatie in dit kader op één lijn gesteld met toepassing van gelijkheid op de werkvloer.
Het is tevens in overeenstemming met de brede wens van de Europese Commissie om binnen de EU te komen tot ‘dezelfde beloning voor hetzelfde werk op dezelfde werkplek’.53 Hiertoe zijn bijvoorbeeld nadere stappen gezet door middel van de ‘nieuwe’ detacheringsrichtlijn.54 Op grond van de detacheringsrichtlijn dient ten aanzien van buitenlandse werknemers, die tijdelijk in een andere lidstaat worden tewerkgesteld, vanaf de eerste werkdag de zogenoemde ‘harde kern’ van de arbeidsvoorwaarden te worden gerespecteerd door hun werkgever.55 Dit betreft bijvoorbeeld het in de werkstaat geldende minimumloon.56 Onder de ‘nieuwe’ detacheringsrichtlijn wordt deze verplichting tot gelijke behandeling in de werkstaat bij detacheringen van langer dan twaalf maanden in beginsel uitgebreid tot alle toepasselijke arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden die zijn opgenomen in wettelijke bepalingen en/of collectieve arbeidsovereenkomsten.57 Het achterliggende doel van de Uniewetgever is om te ‘waarborgen dat voor ondernemingen een gelijk speelveld geldt en dat de rechten van werknemers worden geëerbiedigd’.58 Ook hier staat arbeidimportneutraliteit onmiskenbaar op de voorgrond.
Naar aanleiding van het bovenstaande concludeer ik dat een keuze voor fiscale gelijkheid op de werkvloer (in de werkstaat) niet alleen vanuit economisch oogpunt kan worden onderbouwd maar tevens volledig zou aansluiten bij de beleidskeuzes die de Uniewetgever heeft gemaakt voor de aanverwante rechtsgebieden. Om het beoogde doel van ‘dezelfde beloning’ van grensoverschrijdende werknemers daadwerkelijk te bereiken dient mijns inziens tevens sprake te zijn van ‘dezelfde belasting voor hetzelfde werk op dezelfde werkplek’. De genoemde gelijkheid zou naar mijn mening door de werkstaat moeten worden gecreëerd en vervolgens door de woonstaat moeten worden geëerbiedigd.59 De wijze van belastingheffing ter zake van het arbeidsinkomen van werknemers zou mijns inziens dan ook niet langer afhankelijk moeten zijn van hun woonplaats. Binnen de EU zou in dit kader een principiële keuze voor arbeidimportneutraliteit moeten worden gemaakt of – nauwkeuriger – dient deze voor andere rechtsgebieden reeds gemaakte keuze consequent te worden doorgetrokken naar de belastingheffing van grensoverschrijdende werknemers. Deze visie kan zowel vanuit economisch perspectief (belastingneutraliteit) als vanuit juridisch oogpunt (gelijke behandeling, vrij verkeer van werknemers) worden onderschreven. Hierna zal ik beoordelen op welke onderdelen het acquis communautaire, zoals hiervoor behandeld in deel II, hierin momenteel nog onvoldoende voorziet.