De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland
Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/4.2.6:4.2.6 Relatie 'rechtstreeks toepasselijk' en 'geen Europese gemeenschappelijke regels'
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/4.2.6
4.2.6 Relatie 'rechtstreeks toepasselijk' en 'geen Europese gemeenschappelijke regels'
Documentgegevens:
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS394891:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJEU 28 oktober 2010, C-367/09 (SGS Belgium), Jur. 2010, p.1-10761, r.o. 28, vraag 1; HvJEG 24 juni 2004, C-278/02 (Herbert Handlbauer) Jur. 2004, 1-6171, r.o. 22, vraag 1; HvJEG 11 januari 2001, C-403/98 (Azienda Agricola Monte Arcosu), Jur. 2001, p. 1-103, r.o. 17, vraag 1.
HvJEG 21 september 1983, gevoegde zaken 205/82-215/82 (Deutsche Milchkontor), Jur.1983, p. 2633, r.o. 8, vraag 5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Alvorens wordt ingegaan op de noodzaak om nationale uitvoeringsorganen aan te wijzen of op te richten die zijn belast met de uitvoering van een Europese verordening, wordt in deze paragraaf bezien wat de relatie is tussen hetgeen in de paragrafen 4.2.4 en 4.2.5 is besproken. Het gaat daarbij dus om de vraag hoe moet worden beoordeeld of toepassing van nationaal recht noodzakelijk is. In paragraaf 4.2.4 is aan de orde geweest dat uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat een bepaling uit een Europese verordening niet rechtstreeks toepasselijk is, indien de desbetreffende bepaling een beoordelingsmarge laat aan de lidstaten (de beoordelingsmarge-lijn). In dat geval is toepassing of vaststelling van nationaal recht noodzakelijk. In paragraaf 4.2.5 is ingegaan op de jurisprudentielijn dat gemeenschappelijke Europese regels ontbreken en derhalve toepassing of vaststelling van het nationale recht noodzakelijk is. De vraag rijst wat het verband is tussen beide jurisprudentielijnen en of duidelijk is in welke gevallen een bepaalde lijn door het Hof van Justitie wordt gekozen.
Voorop staat dat, indien met betrekking tot een bepaald aspect van de uitvoering van een Europese subsidieverordening in het geheel geen gemeenschappelijke Europese regels bestaan, eenvoudigweg niet de mogelijkheid bestaat om te beoordelen of sprake is van een beoordelingsmarge voor de lidstaat. In dat geval zijn er immers geen bepalingen om rechtstreeks toe te passen. Indien wel een Europese bepaling bestaat, maar onduidelijkheid bestaat over de vraag in hoeverre toepassing van het nationale recht noodzakelijk is, lijkt de keuze voor een van de hiervoor beschreven lijnen afhankelijk te zijn van de vraagstelling van de nationale rechter. Indien door de nationale rechter de vraag wordt gesteld of de desbetreffende bepaling rechtstreekse werking heeft dan wel rechtstreeks van toepassing is, doet het Hof van Justitie de zaak af via de beoordelingsmarge-lijn.1 In het arrest Deutsche Milchkontor — een voorbeeld van een arrest waarin het Hof van Justitie beoordeelt of sprake is van gemeenschappelijke Europese regels — stelde de nationale rechter de vraag of de feitelijke voorwaarden voor terugvordering in artikel 8, eerste lid, van de Verordening nr. 720/70 uitputtend zijn geregeld.2 Het Hof van Justitie beantwoordt deze vraag aan de hand van een beoordeling of artikel 8 een Europese gemeenschappelijke regeling inhoudt.
Zowel wanneer het Hof van Justitie tot de conclusie komt dat sprake is van een beoordelingsmarge voor de lidstaat als wanneer het Hof oordeelt dat geen sprake is van een gemeenschappelijk Europese regeling, is toepassing of vaststelling van nationaal recht noodzakelijk. Er bestaat derhalve geen tegenstelling tussen beide jurisprudentielijnen. Het voorbeeld besproken in paragraaf 4.2.5.7 over artikel 98 van de Verordening nr. 1083/2006 laat echter wel zien dat het mogelijk is dat ten aanzien van een bepaling moet worden geoordeeld dat, hoewel geen sprake is van een beoordelingsmarge voor de lidstaat, toch tot het oordeel moet worden gekomen dat geen sprake is van een gemeenschappelijke Europese regeling, omdat de bepaling niet uitputtend is bedoeld. In dat geval zou moeten worden aangenomen dat pas kan worden gecondudeerd dat de toepassing van nationaal recht niet noodzakelijk is indien de bepaling èn geen beoordelingsmarge bevat, èn sprake is van een gemeenschappelijke Europese regeling. Hieromtrent bestaat echter nog geen jurisprudentie van het Hof van Justitie.
Wanneer een nationaal uitvoeringsorgaan tot de conclusie komt dat een bepaling van een Europese subsidieverordening geen beoordelingsmarge laat dan wel sprake is van een gemeenschappelijke Europese regeling, betekent dit nog niet dat toepassing van nationaal recht niet noodzakelijk is. In de twee nu volgende paragrafen wordt ingegaan op een tweetal situaties waarin toch nog nationaal recht nodig is, dan wel op zijn minst de vraag daarnaar moet worden gesteld.