De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland
Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/4.2.8:4.2.8 'Europese subsidieverplichtingen' gericht tot de lidstaat of nationale uitvoeringsorganen
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/4.2.8
4.2.8 'Europese subsidieverplichtingen' gericht tot de lidstaat of nationale uitvoeringsorganen
Documentgegevens:
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS401942:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie artikel 57 van de Verordening nr. 1083/2006 (structuurfondsen).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 4.2.4.5 is besproken dat Europese verordeningen ook verplichtingen voor eindontvangers van Europese subsidies kunnen bevatten die rechtstreeks door nationale uitvoeringsorganen kunnen worden toegepast in de subsidierelatie met de eindontvanger van de Europese subsidie. Lastiger ligt het met betrekking tot bepalingen in een Europese subsidieverordening die verplichtingen bevatten die zijn gericht tot de lidstaat en geen beoordelingsmarge inhouden, maar waarvan duidelijk is dat de lidstaat alleen aan deze verplichtingen kan voldoen indien de eindontvanger zich ook aan deze verplichtingen houdt. Helder is dat de Europese Commissie de lidstaten aan deze bepalingen kan houden. Indien een lidstaat de verplichtingen niet naleeft, kan de Commissie besluiten om over te gaan tot financiële correcties of zelfs het inleiden van een infractieprocedure. De vraag of deze verplichtingen rechtstreeks door nationale uitvoeringsorganen kunnen worden toegepast ten aanzien van de eindontvanger van de Europese subsidie is echter een andere vraag. Met andere woorden: zijn eindontvangers van de Europese subsidie rechtstreeks gebonden aan tot de lidstaat gerichte verplichtingen? Gelet op het in hoofdstuk 3 besproken rechtszekerheidsbeginsel dient doorslaggevend te zijn in hoeverre de eindontvanger in staat is exact de omvang van de aan hem opgelegde verplichtingen te kennen.
Een eerste, nog gemakkelijk voorbeeld biedt artikel 60, aanhef en onder b, van de Verordening nr. 1083/2006 waarin is bepaald dat het nationaal uitvoeringsorgaan moet verifiëren of de voor de concrete acties door de eindontvanger van de Europese subsidie gedeclareerde uitgaven daadwerkelijk zijn gedaan. Deze verplichting kan mijns inziens niet rechtstreeks worden toegepast door het nationaal uitvoeringsorgaan ten opzichte van de eindontvanger van de Europese subsidie, in die zin dat de laatste reeds op grond van deze bepaling verplicht is aan te tonen of de uitgaven daadwerkelijk zijn gedaan. Het nationaal uitvoeringsorgaan heeft immers een beoordelingsmarge ten aanzien van de manier waarop de eindontvanger moet aantonen dat de gedeclareerde uitgaven daadwerkelijk zijn gedaan. Hieruit vloeit voort dat de ontvanger op grond van de Europese bepaling alleen, niet in staat is exact de omvang van zijn verplichtingen te kennen. Gelet hierop, zal het nationaal uitvoeringsorgaan ervoor moeten zorgen dat de eindontvanger van de Europese subsidie de subsidieverplichting wordt opgelegd, om aan te tonen dat de gedeclareerde uitgaven daadwerkelijk zijn gedaan, bijvoorbeeld door het overleggen van bepaalde bewijsstukken. Naar Nederlands recht is het mogelijk dit in een nationale regeling op te nemen dan wel als subsidieverplichting in een subsidieverleningsbeschikking neer te leggen.
Een tweede, lastiger voorbeeld biedt de verplichting opgelegd aan nationale uitvoeringsorganen in het kader van ESF en EFRO om — kort gezegd — erop toe te zien dat bepaalde categorieën van projecten gedurende vijf jaar na de voltooiing ervan geen substantiële wijziging ondergaan.1 Kan de in deze bepaling neergelegde verplichting rechtstreeks door het nationale uitvoeringsorgaan worden toegepast ten aanzien van de eindontvanger van de Europese subsidie? Enerzijds kan worden betoogd dat het nationale uitvoeringsorgaan geen enkele beoordelingsmarge heeft ten aanzien van de op te leggen subsidieverplichting. Anderzijds is wel de vraag of deze bepaling voldoende kenbaar is voor de eindontvanger van de Europese subsidie. Hoewel de verplichting exact is omschreven, is de bepaling gericht tot de nationale uitvoeringsorganen en niet tot de eindontvanger van de Europese subsidie. De verplichting, om dicht bij het besproken arrest Deutsche Milchkontor te blijven, regelt dan ook niet de betrekkingen tussen het bevoegde nationale uitvoeringsorgaan en de eindontvangers van de Europese subsidie. De lidstaat is derhalve wel exact in staat om zijn verplichtingen te kennen; dit geldt echter niet voor de eindontvanger van de Europese subsidie omdat de bepaling niet tot hem is gericht. Mijns inziens zou dit laatste argument doorslaggevend moeten zijn. De bepaling kan dan ook niet rechtstreeks door het nationaal uitvoeringsorgaan worden toegepast in de relatie tot de eindontvanger van de Europese subsidie. Dit betekent dat bepalingen in Europese subsidieverordeningen naar mijn mening geen subsidieverplichtingen voor de eindontvanger inhouden, indien zij zijn gericht tot de lidstaten of nationale uitvoeringsorganen. Nationale uitvoeringsorganen zouden dergelijke bepalingen dan ook moeten doorvertalen in de nationale subsidieverhouding. Het Hof van Justitie heeft zich omtrent deze vraag echter nog niet expliciet uitgesproken.