Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/8.3.4.4
8.3.4.4 Betrokkenheid bij de beweerde schadeoorzaak en de schijn van partijdigheid
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701957:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Uitzondering is een uitspraak waarin de Afdeling oordeelde dat een stedebouwkundig adviesbureau – dat advies had uitgebracht in het kader van de verlening van een bouwvergunning – niet kan doorgaan als onafhankelijk en onpartijdig planschadeadviseur (ABRvS 5 maart 1996, ECLI:NL:RVS:1996:AN5056, AB 1996/251 (Lemsterland).
Bijvoorbeeld: ABRvS 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0667; ABRvS 13 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ3966.
Zie bijvoorbeeld: ABRvS 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0667, r.o. 5.2.
In de praktijk gebeurt dit dikwijls op initiatief van de ontwikkelaar die door de ruimtelijke ontwikkeling wordt begunstigd. Deze draait conform een planschadeverhaalsovereenkomst/afwentelingsovereenkomst immers op voor de planschadekosten. Uitgebreid: Kortmann & Boersen, Gst. 2013/46, i.h.b. § 4.
Het Bro knoopt aan bij de VNG-bepaling aan (Nota van Toelichting Bro Stb. 2008, 145, p. 66).
ABRvS 16 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM7755 (Baarn), r.o. 2.3.1.
Zie ook: Neerhof, AB 2011/30. Vergelijkbaar: ABRvS 15 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3736 (Geldrop-Mierlo).
ABRvS 15 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3736 (Geldrop-Mierlo).
ABRvS 15 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3736 (Geldrop-Mierlo), r.o. 5.1.
Van Heijst, BR 2015/27.
Een ander voorbeeld van een situatie waarin er ook een vermenging van partijdige en onpartijdige rollen plaatsvindt, is de situatie waarin de onafhankelijke (plan)schadeadviseur in een eerdere fase betrokken is geweest bij de beweerdelijk schadeveroorzakende handeling waarop de aanvraag betrekking heeft. In tegenstelling tot de voorgaande subparagraaf gaat het hier niet over advisering ten behoeve van andere besluitvormingsprocessen, maar over advisering ten aanzien van hetzelfde project waarover ook de planschadeaanvraag gaat. Gelet op de huidige norm, dat de enkele schijn van partijdigheid doorslaggevend is, lijkt een dergelijke samenloop niet door de beugel te kunnen. Ook hier stel ik echter vast dat de Afdeling bestuursrechtspraak een dergelijke vermenging van partijdige en onpartijdige rollen (nog) nooit als problematisch heeft gezien.1
In de eerste plaats wijs ik op de schadeafhandeling van het zogenoemde project ‘Fonteyne’. Dit megaproject omvatte onder andere de aanleg van een tweelaagse parkeergarage en nieuwbouw voor woningen en winkelruimtes in de binnenstad van Vlissingen. Het project leidde tot maar liefst 21 afzonderlijke Afdelingsuitspraken. In alle 21 uitspraken werd de onpartijdigheid van de SAOZ ter discussie gesteld omdat zij enerzijds het bestuursorgaan had geadviseerd over de begrenzing van het schadegebied en anderzijds (later) als onafhankelijk (plan)schadeadviseur was opgetreden.2 De Afdeling bestuursrechtspraak achtte de schijn van partijdigheid echter niet aanwezig, omdat ‘de schatting [van de SAOZ] was gemaakt in het kader van het begrotingsbeleid van de gemeente met het oog op het te reserveren budget’.3 Met andere woorden: de SAOZ was hier strikt genomen niet betrokken bij de voorbereiding van de beweerdelijk schadeveroorzakende handeling. Deze situatie leunt dicht aan tegen het uitbrengen van een planschaderisicoanalyse.
Om inzicht te krijgen in de mogelijke risico’s op planschade als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling, laten gemeenten vaak een planschaderisicoanalyse uitvoeren.4 In veel gemeentelijke procedureverordeningen planschade is – overeenkomstig de modelverordening van de VNG – bepaald dat de planschadeadviseur niet betrokken mag zijn geweest bij de planologische maatregel waarop de aanvraag betrekking heeft. De dubbele pet van planschaderisico-analist en onafhankelijk planschadeadviseur is dus nadrukkelijk verboden op grond van deze regelingen.5 Nu kon van de situatie in het project ‘Fonteyne’ nog gezegd worden dat het strikt genomen geen planschaderisicoanalyse betrof, maar dat kon niet in de situatie die ten grondslag lag aan de uitspraak Baarn. In die zaak stond het buiten kijf dat de SAOZ zowel de planschaderisicoanalyse had uitgevoerd, als de onafhankelijk planschadeadviseur was. De Afdeling overwoog:
“De omstandigheid dat de SAOZ ter zake van het bestemmingsplan ‘Prins Hendrikpark 2002’ een planrisicoanalyse heeft opgesteld biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de SAOZ ter zake van het onderhavige verzoek niet zonder vooringenomenheid heeft kunnen adviseren. Daartoe is redengevend dat binnen de organisatie van de SAOZ een scheiding bestaat tussen personeel dat zich bezighoudt met het opstellen en beoordelen van planschaderisicoanalyses enerzijds en personeel dat zich bezighoudt met planschadeadviezen anderzijds [onderstreping – SS]. De personen die de onderhavige planschadeadviezen hebben opgesteld zijn niet dezelfde als de personen die bij de planschaderisicoanalyse betrokken zijn geweest. Ter zitting is daaraan toegevoegd dat geen informatiewisseling plaatsvindt tussen beiden afdelingen van de SAOZ.”6
De optrekking van zogenaamde ‘Chinese walls’ binnen de organisatie van de SAOZ was dus redengevend voor het oordeel dat er geen probleem was met de onpartijdigheid.7 Deze ‘Chinese walls’ achtte de Afdeling ook van doorslaggevende betekenis in de uitspraak Geldrop-Mierlo. In die zaak was een (taxatie)adviesbureau zowel vertegenwoordiger bij de grondverwerving en ontwikkeling van het plangebied als onafhankelijk planschadeadviseur.8 Ook hier overwoog de Afdeling dat binnen het (taxatie)adviesbureau een strikte scheiding bestaat tussen het personeel dat zich bezighoudt met het opstellen van planschaderisicoanalyses enerzijds, en het personeel dat zich bezighoudt met planschadeadviezen anderzijds.9
Het is de vraag of bovenstaande uitspraken, die zijn gedaan vóór de uitspraken Helmond I en Raalte, thans dezelfde uitkomst zouden hebben gehad. Gelet op de huidige norm, dat de grens reeds wordt getrokken bij de enkele schijn van partijdigheid, lijkt mij dat onwenselijk. Voor de beoordeling van de schijn van partijdigheid maakt het immers geen wezenlijk verschil of een adviseur tevens als advocaat de belangen van de gemeente behartigt of bijvoorbeeld als grondverwerver of planschaderisico-analist.10 In al deze situaties gaat het om de vermenging van een ‘partijdige’ adviestaak met een onpartijdige en onafhankelijke opdracht als planschadeadviseur. Opvallend genoeg wijst ook de rechtspraak met betrekking tot de kantoorgenoten van niet-advocaten erop dat de Afdeling bestuursrechtspraak minder streng is voor vermengingen buiten de advocatuur.