Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/8.3.1
8.3.1 Klachten over de deskundigheid
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702088:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
ABRvS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582, AB 2016/399 (Overzichtsuitspraak planschade), r.o. 8.3; ABRvS 4 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1306 (Renkum), r.o. 6.
Onder meer: ABRvS 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0631 (Laarbeek); ABRvS 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5953; ABRvS 31 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR6373; ABRvS 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2195, AB 2020/388.
Tot dezelfde conclusie kwam eerder al Van Ravels: Van Ravels, Ars Aequi 2010/7-8, p. 548; Van Ravels, O&A 2015/88, p. 167.
ABRvS 28 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3983. De uitspraak is gedaan na de voltooiing van dit boek. Omwille van de bijzonderheid van de uitspraak laat ik hem niet onvermeld. Zie voor een uitgebreide duiding van deze uitspraak in het licht van de overige afdelingsjurisprudentie: Schuite, AB 2023/44.
Van Ravels, Ars Aequi 2010/7-8, p. 548.
Van Ettekoven, O&A 2016/53, p. 92.
Anders dan in het onteigeningsrecht komen klachten met betrekking tot het kwaliteitsaspect ‘deskundigheid’ in het nadeelcompensatierecht regelmatig voor. De voornaamste reden daarvoor is gelegen in de aard van de bestuursrechtelijke nadeelcompensatieprocedure.
Een benadeelde dient een aanvraag om nadeelcompensatie of plan-schadevergoeding in bij het betrokken bestuursorgaan. Conform de Awbbesluitvormingsprocedure beslist het bestuursorgaan op de aanvraag, waarbij in beginsel steeds een deskundigenadvies wordt ingewonnen. Wanneer een benadeelde zich niet kan vinden in het – met inachtneming van het advies genomen – besluit, staat de benadeelde procedureel tegen-over het bestuursorgaan. In de daaropvolgende beroepsfase geldt het meermaals genoemde uitgangspunt dat het bestuursorgaan in beginsel van het ingewonnen advies mag uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel naar voren zijn gebracht.1 Een benadeelde zal iedere mogelijke strohalm – waaronder de persoon van de deskundige en diens competenties – aangrijpen om gemotiveerd twijfel te zaaien over het advies. Een gebrek aan deskundigheid is dan ook een klacht die regelmatig wordt aangevoerd.2
De logische vervolgvraag is dan of dergelijke klachten door de bestuursrechter vaak worden gehonoreerd. Het antwoord op die vraag luidt ontkennend.3 Mij is slechts één uitspraak bekend waarin de bestuursrechter tot de conclusie kwam dat de ingeschakelde adviseur onvoldoende deskundig was, althans dat deze ongenoegzaam heeft aangetoond hij ‘objectief en controleerbaar’ kan worden aangemerkt als deskundige ter zake van het taxeren van onroerend goed.4
Eén reden waarom de bestuursrechter vrijwel nooit oordeelt dat de ingeschakelde adviseur onvoldoende deskundig is, kan zijn dat bestuursorganen alleen maar goede en deskundige adviseurs inschakelen zoals in het onteigeningsrecht veelal het geval is.5 Er zijn zeker gerenommeerde spelers op de markt die sinds jaar en dag consistent en op niveau adviseren. De realiteit is echter ook dat er tal van personen of instanties actief zijn die de vereiste deskundigheid missen.6 Er is geen specifieke opleiding tot nadeelcompensatiedeskundige, noch zijn “planschadeadviseur” of “nadeelcompensatiedeskundige” of iets dergelijks een beschermd beroep of titel. Eenieder kan zich zo noemen en dus voor een juridisch relevante benoeming in aanmerking komen. Het is aldus waarschijnlijk dat er andere redenen zijn waarom de bestuursrechter nog niet tot de conclusie is gekomen dat de ingeschakelde adviseur onvoldoende deskundig was.
8.3.1.1 Bepaalde adviseurs zijn deskundig op het gebied van planschade en nadeelcompensatie8.3.1.2 De bestuursrechter is terughoudend in de toetsing8.3.1.3 De invloed van de kennisparadox8.3.1.4 Conclusie deskundigheid