Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/4.4.4
4.4.4 Veiler
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS605782:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 22 lid 2 jo lid 5 Verordening (EU) 1031/2010.
Artikel 16.23 lid 2 Wm jo artikel 31 Rhe.
Artikel 22 lid 2 Verordening (EU) 1031/2010. Het EEX heeft de toegang tot zijn platform van veilers automatisch toegestaan (https://www.eex.com/en/trading/auctioneers (geraadpleegd op 11 januari 2017)).
Stcrt. 2012, 11952.
Zie de toelichting bij Stcrt. 2012, 11952.
Artikel 34 lid 2 jo artikel 22 lid 2 Verordening (EU) 1031/2010.
Artikel 23 Verordening (EU) 1031/2010.
MvT, Kamerstukken II 2003/04, nr. 3, p. 46 en 47.
Artikel 2.5 Wm, dat kort gezegd een verbod bevat voor leden van de NEa om direct of indirect bij de handel in emissierechten betrokken te zijn, behoudens voor zover die betrokkenheid noodzakelijk is ter uitvoering van het bepaalde bij of krachtens de Wet milieubeheer. Overtreding van dit verbod is strafbaar gesteld in artikel 1a onder 1 jo artikel 2 lid 1 WED, met een hechtenis van ten hoogste een jaar, taakstraf, of geldboete van de vierde categorie (artikel 6 lid 1 onder 4 WED). In geval de overtreding opzettelijk wordt begaan, wordt zij als misdrijf gekwalificeerd en is de overtreding strafbaar met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, taakstraf, of geldboete van de vijfde categorie (artikel 6 lid 1 onder 1 WED).
Hierboven zijn de veiler en de rol die hij speelt al terloops aan de orde geweest. Wie de veiler is, en wat zijn taken zijn, is expliciet vastgelegd in hoofdstuk V Verordening (EU) 1031/2010.
Uit dit hoofdstuk volgt dat iedere lidstaat een veiler dient aan te wijzen. Indien geen veiler is aangewezen, kan een lidstaat ook geen emissierechten veilen.1 In Nederland is het bestuur van de NEa als veiler aangewezen.2 De veiler diende ook voldoende lang voor de aanvang van de veilingen te worden aangewezen, zodat hij met het veilingplatform, inclusief het daarmee verbonden clearing- of afwikkelsysteem, de nodige regelingen kon treffen en ten uitvoer kon leggen die de veiler in staat stellen de emissierechten van de lidstaat te veilen.3 Het bestuur van de NEa is aangewezen op 1 juli 2012, dus vijf maanden voor de start van de derde handelsperiode.4 Naar het oordeel van de Staatssecretaris gaf dit voldoende tijd voor het bestuur van de NEa om de genoemde regelingen met het veilingplatform te kunnen treffen.5 Overigens was de veiler ook verplicht deze regelingen met het veilingplatform te treffen.6
De taken van de veiler zijn hierboven eveneens terloops aan de orde geweest. Artikel 23 Verordening (EU) benoemt de taken evenwel expliciet, waardoor in een oogopslag de omvang van het takenpakket van de veiler kan worden geraadpleegd:
veilt de hoeveelheid emissierechten die elke lidstaat die hem heeft aangewezen, ter veiling aanbiedt;
ontvangt de veilingopbrengsten die aan elke lidstaat die hem heeft aangewezen, verschuldigd zijn;
keert de veilingopbrengsten uit die aan elke lidstaat die hem heeft aangewezen, verschuldigd zijn.’7
Deze taken worden verder uitgewerkt in de bepalingen van de Verordening die op de betreffende taken zien. Deze uitwerkingen zijn hierboven onder subparagraaf 4.4.3 reeds aan de orde geweest.
Artikel 34 lid 1 Verordening (EU) 1031/2010 bevat verder nog inhoudelijke eisen die gelden ten aanzien van de veiler:
Bij de aanwijzing van een veiler en van de veilingtoezichthouder houden de lidstaten rekening met de mate waarin de kandidaten:
het geringste risico vertonen van belangenconflicten of marktmisbruik, gelet op:
hun eventuele activiteiten op de secundaire markt;
eventuele interne processen en procedures die zij toepassen om het risico van belangenconflicten en marktmisbruik te beperken;
in staat zijn de taken van een veiler respectievelijk een veilingtoezichthouder tijdig en in overeenstemming met de hoogste professionele en kwaliteitsnormen te vervullen.’
Aangezien het bestuur van de NEa een zelfstandig bestuursorgaan is, dat sinds de oprichting in 2005 veel ervaring met het ETS heeft opgedaan, inclusief alle sindsdien inwerking getreden wijzigingen, moet het geacht worden aan de eisen van sub b te voldoen. Verder mag worden verwacht dat het bestuur van de NEa, als toezichthoudend orgaan in het kader van de Nederlandse implementatie van de ETS, een gering risico op belangenconflicten of marktmisbruik vertoont. Het bestuur van de NEa is juist in het leven geroepen met het doel een onafhankelijke partij te creëren die onafhankelijk toezicht op de naleving door (vliegtuig)exploitanten kan houden.8 Deze onafhankelijkheid is dan ook wettelijk gewaarborgd.9