Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/IV.2.2.3.b
IV.2.2.3.b Bindende voordracht
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242802:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Het eerste lid van art. 2:133/243 BW luidt als volgt: “Bij de statuten kan worden bepaald dat de benoeming door de algemene vergadering geschiedt uit een voordracht.” Het eerste lid ziet dus puur op de benoeming van bestuurders door de algemene vergadering. De regeling is niettemin van overeenkomstige toepassing wanneer de benoeming geschiedt door een soort- of aanduidingsvergadering, zo volgt uit art. 2:243 lid 5 BW.
Zie art. 13.3 van de statuten van Amsterdam Commodities NV d.d. 28 april 2017.
Evenzo Schut & Anker, Ondernemingsrecht 2003, afl. 13, p. 470-475. Zie ook art. 2:129a/239a lid 1 BW.
Zie art. 16.2 van de statuten van Prosus NV d.d. 16 september 2019.
Zie art. 14.2 van de statuten van OCI NV d.d. 15 september 2016.
Idem Schut & Anker, Ondernemingsrecht 2003, afl. 13, p. 470-475.
Evenzo onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/247; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 43.6, p. 736; Bennaars 2015, p. 118; Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:133/243, aant. 2.4; en Lennarts T&C Ondernemingsrecht, art. 2:133/243 BW, aant. 2.2.
In gelijke zin onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/247; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 43.6, p. 735; Bennaars 2015, p. 118; Handboek 2013/250, p. 538; en Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:133/243, aant. 2.2.
Idem Handboek 2013/250, p. 538. In de praktijk wordt overigens niet over beide kandidaten gestemd. Bevat de voordracht meerdere kandidaten, dan wordt eerst over de kandidaat die als eerste op de lijst staat gestemd. Slechts als deze kandidaat niet voldoende stemmen krijgt, vindt een stemming over de tweede kandidaat plaats. Zie aldus ook Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 43.6, p. 735.
Zie art. 2:133/243 lid 3 BW. Zolang niet ten minste twee derden van de uitgebrachte stemmen, welke twee derden meer dan de helft van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen, tegen de voorgedragen persoon zijn uitgebracht, is de voorgedragen persoon benoemd.
Zie HR 19 maart 1976, NJ 1978, 52 m.nt. Wachter (Smits/Van Rees). Aldus ook onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/248; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 43.6, p. 735; Handboek 2013/250, p. 538; en Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2017, p. 191.
Zie onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/248; Buijn & Storm 2013, p. 244; Handboek 2013/250, p. 540; en Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2017, p. 191. Nowak, WPNR 2014/7014, p. 345, meent dat de afspraak dat voor het ontnemen van het bindende karakter van de voordracht een grotere meerderheid of unanimiteit van alle aandeelhouders is vereist, eveneens rechtsgeldig en afdwingbaar is. Een dergelijke afspraak kan volgens hem zowel in de statuten als in een aandeelhoudersovereenkomst worden vastgelegd. Zijn opvatting staat haaks op die van Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/247; en Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2017, p. 191. Laatstgenoemde auteurs menen dat de statuten geen zwaardere eisen dan de wettelijke eisen mogen bevatten, omdat art. 2:133/243 BW van dwingend recht is. Ik laat deze discussie verder rusten. De reden is dat ik in statuten geen bepalingen ben tegengekomen waarin zwaardere eisen aan het doorbreken van een bindende voordracht werden gesteld.
In de praktijk wordt deze mogelijkheid aangegrepen. Een bepaling conform best practice bepaling 4.3.3 van de Code is onder meer te vinden in de statuten van Amsterdam Commodities NV.
Aldus ook onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/248; Buijn & Storm 2013, p. 244; Handboek 2013/250, p. 540; en Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2017, p. 191.
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 19 (MvT).
Idem Van Olffen 2009, p. 48.
Op grond van deze bepaling kunnen de statuten geen bindend voordrachtsrecht toekennen aan een ander indien de benoeming van de bestuurders geschiedt door de raad van commissarissen. Hanteert de vennootschap het monistische bestuursmodel, dan is er geen raad van commissarissen. Zie art. 2:140/250 lid 1 BW. Deze bepaling vindt dan dus geen toepassing. Dat ook de benoeming van uitvoerende bestuurders niet door enige bindende voordracht kan worden beperkt, volgt uit art. 2:164a lid 2 BW.
Vgl. Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/410; en Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 43.6, p. 764.
Idem Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 43.6, p. 764; en Lennarts & Roest 2016, p. 103. Lennarts en Roest geven aan dat de mogelijkheid een ander het recht te verlenen een bindende voordracht te doen, om die reden wettelijk is uitgesloten. Ik kan deze opmerking niet goed plaatsen. Zoals ik al schreef, is die mogelijkheid juist niet wettelijk uitgesloten.
Aldus ook Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 43.6, p. 764.
Zie art. 2:164a/274a lid 1 jo. 2:158/268 lid 12 BW. Zie hierover § IV.2.1.2.
Tot slot kunnen de statuten de vrijheid van de algemene vergadering aan banden leggen door een ander het recht te verlenen een bindende voordracht te doen voor de benoeming van een of meer niet-uitvoerende bestuurders. Art. 2:133/243 BW biedt daartoe de mogelijkheid.1 Kennen de statuten het bindende voordrachtsrecht aan een ander toe, dan kan de algemene vergadering slechts een van de voorgedragen kandidaten tot niet-uitvoerend bestuurder benoemen.
Bindende voordrachtsrechten komen in de praktijk regelmatig voor. Zo bepalen de statuten van Amsterdam Commodities NV dat de benoeming van een bestuurder op bindende voordracht van het bestuur geschiedt.2
Voor de volledigheid wijs ik erop dat de statuten tevens kunnen bepalen dat de benoeming geschiedt uit een niet-bindende voordracht. Art. 2:133/243 lid 1 BW rept immers slechts van een ‘voordracht’. Het eerste lid van art. 2:133/243 BW laat in het midden of die voordracht bindend dan wel niet-bindend van aard is.3 In de praktijk komen ook niet-bindende voordrachten voor. Het bestuur van Prosus NV bijvoorbeeld, heeft een niet-bindend voordrachtsrecht voor de benoeming van een bestuurder.4 Het bestuur van OCI NV komt hetzelfde recht toe.5 Aangezien het de algemene vergadering vrij staat een niet-voorgedragen persoon tot bestuurder te benoemen, beperkt de niet-bindende voordracht de benoemingsvrijheid niet.6 Ik laat de niet-bindende voordracht dan ook rusten.
Wordt een persoon tot niet-uitvoerend bestuurder benoemd zonder dat het bindende voordrachtsrecht is nageleefd, dan is die benoeming nietig ex art. 2:14 lid 1 BW. Deze nietigheid kan aan de ‘benoemde’ niet-uitvoerende bestuurder worden tegengeworpen.7 Degene die bevoegd was de voordracht op te maken, kan de benoeming bekrachtigen. Dit volgt uit het tweede lid van art. 2:14 BW.8
Het is interessant te bezien aan wie het bindende voordrachtsrecht kan worden toegekend. Kan dat enkel aan een orgaan van de vennootschap? Of aan eenieder? De tekst van art. 2:133/243 BW bevat geen restricties. Ik leid hieruit af dat het recht een bindende voordracht voor de benoeming van de niet-uitvoerende bestuurder te doen, aan eenieder kan worden toegekend.9 Dus ook aan een grootaandeelhouder, de zittende bestuurders en buiten de vennootschap staande derden. Er is slechts één uitzondering. Het bindende voordrachtsrecht kan op grond van art. 2:129a/239a lid 1 BW niet aan een uitvoerend bestuurder worden toebedeeld. Ik ga hier in § V.5.2.4 nader op in.
Bevat de voordracht meerdere kandidaten, dan is degene die de meeste stemmen krijgt tot niet-uitvoerend bestuurder benoemd.10 De voordracht kan daarentegen ook één kandidaat bevatten. De kandidaat is in dat geval benoemd, tenzij de voordracht wordt doorbroken.11 Blijft een voordracht (binnen de gestelde termijn) uit, dan staat het de algemene vergadering vrij om zonder voordracht tot benoeming over te gaan.12
Volledig gebonden aan de voordracht is de algemene vergadering niet. Zij kan het bindende karakter aan de voordracht ontnemen. Daarvoor is ingevolge het tweede lid van art. 2:133/243 BW vereist dat het besluit wordt genomen met twee derde meerderheid van de uitgebrachte stemmen die meer dan de helft van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen. In de statuten kunnen de grenzen die de wet aan het doorbreken van de voordracht stelt overigens worden verlaagd.13 De statuten kunnen bijvoorbeeld conform best practice bepaling 4.3.3 van de Code bepalen dat een bindende voordracht wordt doorbroken bij een besluit genomen met een volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen die een derde (of minder) van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen.14
Wordt het bindende karakter aan de voordracht ontnomen, dan is de algemene vergadering vrij in haar benoeming.15 De wetsgeschiedenis leert dat de statuten in een andersluidende regeling kunnen voorzien.16 Zo zou bijvoorbeeld in de statuten kunnen worden opgenomen dat het voordrachtsrecht herleeft wanneer de algemene vergadering het bindende karakter aan de (eerste) voordracht heeft ontnomen.17
De optie om de keuzevrijheid van het tot benoeming bevoegde orgaan krachtens een statutair bindend voordrachtsrecht aan banden te leggen, bestaat niet indien het structuurregime van toepassing is. Dit volgt voor NV’s expliciet uit art. 2:142 lid 2 BW, de bepaling die de benoeming van commissarissen regelt. Omdat de niet-uitvoerende bestuurder geen commissaris maar bestuurder is, had het mijns inziens meer voor de hand gelegen dit vast te leggen in art. 2:133 lid 4 BW. Laatstgenoemde bepaling bevat thans slechts een uitzondering voor structuurvennootschappen met een two tier board.18
De regeling voor structuur-BV’s is dienovereenkomstig met één noemenswaardig verschil: uit art. 2:252 lid 2 BW noch uit art. 2:243 lid 4 BW volgt dat de benoeming van de niet-uitvoerende bestuurder niet door enige voordracht kan worden beperkt.19 Betekent dit dat het bindende voordrachtsrecht ook aan een ander dan aan de gezamenlijke niet-uitvoerende bestuurders ex art. 2:274a lid 1 jo. 2:268 lid 4 BW kan toekomen? Mijn antwoord luidt neen. Dat verdraagt zich niet met de wettelijke benoemingsregeling van art. 2:274a lid 1 jo. 2:268 BW.20 Ingevolge art. 2:274a lid 1 jo. 2:268 lid 4 BW ligt het voordrachtsrecht steeds bij de gezamenlijke niet-uitvoerende bestuurders.21 De door de niet-uitvoerende bestuurders opgemaakte voordracht is bindend. De algemene vergadering kan derhalve slechts een door de gezamenlijke niet-uitvoerende bestuurders voorgedragen persoon tot niet-uitvoerend bestuurder benoemen. Wijst zij de voordracht af, dan maken de gezamenlijke niet-uitvoerende bestuurders een nieuwe voordracht op.22 Deze regeling staat mijns inziens aan het toekennen van het bindende voordrachtsrecht aan een ander dan de gezamenlijke niet-uitvoerende bestuurders in de weg.23 Het heeft niettemin mijn voorkeur zulks uitdrukkelijk vast te leggen in art. 2:243 lid 4 BW.
Kortom, de benoeming van de niet-uitvoerende bestuurder kan bij structuurvennootschappen in beginsel niet door enige voordracht – anders dan door een voordracht van de gezamenlijke niet-uitvoerende bestuurders ex art. 2:164a/274a lid 1 jo. 2:158/268 lid 4 BW – worden beperkt. In beginsel, want art. 2:164a/274a lid 1 jo. 2:158/268 lid 12 BW biedt de mogelijkheid in de statuten van de wettelijke benoemingsregeling af te wijken. Voor de volledigheid wijs ik erop dat voor een dergelijke statutenwijziging voorafgaande goedkeuring van de niet-uitvoerende bestuurders en toestemming van de ondernemingsraad vereist is.24