Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/11.3.2.2:11.3.2.2 Vergelijking met andere disciplines en rechtsgebieden
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/11.3.2.2
11.3.2.2 Vergelijking met andere disciplines en rechtsgebieden
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS604176:1
- Vakgebied(en)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Erfbelasting
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Schenkbelasting
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het verbondenheidsbegrip van art. 10 lid 5 SW 1956 omvat niet alleen gehuwde en geregistreerde partners, maar ook ongehuwde samenwoners. De aansluiting met de sociaal-maatschappelijke werkelijkheid is echter niet perfect, omdat de kinderen van de partner met wie men ongehuwd samenwoont niet als verbonden personen worden beschouwd. Bovendien geldt het fictieve legaat van art. 10 lid 5 SW 1956 niet ten aanzien van ongehuwde samenwoners, indien zij niet voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in art. 24 lid 2 onderdeel a, b of c SW 1956.
In hoofdstuk 5 is beschreven dat aanverwantschap op basis van art. 1:3 lid 3 BW niet eindigt bij beëindiging van het huwelijk. Hierdoor blijven de bloedverwanten van de echtgenoot van de belastingplichtige na een echtscheiding ook zijn aanverwanten, en daarom ook verbonden personen voor de toepassing van art. 10 lid 5 SW 1956. Zoals in hoofdstuk 6 is beschreven, is in art. 4.2 Wet IB 2001 bepaald dat voor de toepassing van de aanmerkelijkbelangregeling in de inkomstenbelasting het aanverwantschap wel eindigt na een echtscheiding. Een dergelijke bepaling ontbreekt ten aanzien van art. 10 lid 5 SW 1956. Van Vijfeijken (2002) wijst hierbij echter op HR 20 februari 1957, nr. 563, BNB 1957/98, waarin de vraag centraal stond of na de ontbinding van een huwelijk ook aanverwantschap bestond tussen de tweede echtgenoot van de overledene en diens kleinkinderen uit een vorig huwelijk. Deze vraag moest volgens de Hoge Raad worden beoordeeld op basis van de redelijkheid en billijkheid. In casu had de tweede echtgenoot schenkingen gedaan aan de betrokken kleinkinderen, zodat het volgens de Hoge Raad redelijk was om toch te spreken van aanverwantschap. In het arrest overwoog de Hoge Raad ook dat het niet strookt met de redelijkheid en billijkheid om in alle gevallen voetstoots aan te nemen dat er ten aanzien van de bloedverwanten van een ex-echtgenoot nog steeds sprake is van aanverwantschap, vooral indien het huwelijk door echtscheiding is ontbonden. Wellicht biedt dit ruimte voor een fiscale fictie dat de bloedverwanten van de ex-echtgenoot van de belastingplichtige na een echtscheiding niet langer aanverwanten zijn.