Het inzagerecht
Einde inhoudsopgave
Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2010/5.2.0:5.2.0 Introductie
Archief
Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2010/5.2.0
5.2.0 Introductie
Documentgegevens:
Mr. J.R. Sijmonsma, datum 17-05-2010
- Datum
17-05-2010
- Auteur
Mr. J.R. Sijmonsma
- JCDI
JCDI:ADS450402:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De minister van justitie heeft bij brief van 5 februari 2007 het rapport 'Uitgebalanceerd' aan de Tweede Kamer aangeboden. De brief is een reactie van het kabinet op het rapport en telt 31 pagina's.1 De minister merkt op p. 2 op dat het voorstel in het rapport omtrent de verruiming van de disclosure om een nadere uitwerking vraagt voordat het in de wet kan worden opgenomen. De uitwerking die hij dan voor ogen heeft moet bijdragen aan een tijdige (efficiënte) informatie-uitwisseling en aan een verder informatie- en daarmee machtsevenwicht tussen partijen. Uit nummer 44 van zijn brief blijkt dat andere ministers andere kansen en andere prijzen geven. Minister Hirsch Ballin wil namelijk wel een soort disclosure.2 Hij schrijft onder dit nummer het volgende.
`Hoewel art. 843a Rv bij de herziening van het procesrecht in 2002 is uitgebreid om partijen ruimere mogelijkheden te geven om stukken te verkrijgen, blijkt hiervan in de praktijk tot nu toe maar beperkt gebruik te worden gemaakt. Tegelijkertijd acht de rechtspraktijk de informatiemogelijkheden op dit moment te beperkt. In kostbare disclosure of discovery procedures voorafgaand aan of bij het begin van de procedure schuilt een gevaar. Het jaagt partijen op kosten en is lang niet altijd nuttig voor een efficiënt verloop van de verdere procedure (en kan leiden tot fishing expeditions). De uitdaging is om hierin een balans te zoeken. De Adviescommissie voor het burgerlijk procesrecht heeft zich bereid verklaard dit onderwerp op te pakken en nader uit te werken. Ik maak graag gebruik van de expertise en bereidheid van de Adviescommissie op dit punt. De Europese bepalingen over disclosure in de richtlijn handhaving IE-rechten en het wetsvoorstel ter implementatie van die richtlijn (Kamerstukken II, 30392, nr 2) en de voorstellen van de Europese Commissie in het kader van de private handhaving van het mededingingsrecht kunnen een bijdrage vormen aan de gedachtevorming hierover. Anderzijds kunnen de bevindingen van de Adviescommissie voor het burgerlijk procesrecht bijdragen aan een coherente en goed onderbouwde Nederlandse inbreng in Brussel.'
In de geciteerde tekst staat in elk geval één onjuistheid en op één punt doet de wetgever zich wat beter voor dan hij in werkelijkheid is geweest. Waar in de eerste zin wordt vermeld dat in de praktijk maar beperkt gebruik wordt gemaakt van art. 843a Rv is dit echt onjuist en getuigt het van onzorgvuldig onderzoek. Indien op 1 januari 2007 op `rechtspraak.n1' werd gezocht op 'art. 843a Rv' waarbij de zoekopdracht inhield dat alleen gezocht moest worden in de periode 1 januari 2002 tot 1 januari 2007 leverde dat maar liefst 77 uitspraken op. Met zoveel 'hits' kan toch werkelijk niet worden volgehouden dat de praktijk maar beperkt gebruik maakt van de mogelijkheden die art. 843a Rv biedt. Ook de literatuur heeft zich voor 1 januari 2007 niet onbetuigd gelaten over de exhibitie want er waren voor die datum al minstens 10 artikelen verschenen over dit onderwerp, waaruit eveneens blijkt dat het artikel sterk in de belangstelling stond. Opmerking verdient verder het feit dat in een substantieel deel van die 77 net genoemde uitspraken de vordering geheel of gedeeltelijk werd toegewezen. De nodige procedures hadden dus een succesvol eind. Het is mij dan ook een raadsel hoe de minister op 5 februari 2007 kan schrijven dat de praktijk maar beperkt gebruik maakt van de mogelijkheden die art. 843a Rv biedt.
De minister doet zich in die eerste zin wat beter voor dan hij in werkelijkheid is geweest omdat uit de hiervoor in paragraaf 2.2.2 behandelde wetsgeschiedenis niet echt blijkt dat de wetgever toen werkelijk het fundamentele idee heeft gehad om art. 843a Rv serieus zodanig te verruimen dat partijen werkelijk ruimere mogelijkheden kregen om stukken te verkrijgen. Dit lijkt dus een beetje op public relation werk.