Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/4.4.4.1
4.4.4.1 Algemeen
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS396092:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hofmann, Rowe & Tllrk 2011, p. 571; Senden & Hancher 2000, p. 98. In HvJEG 18 juni 1970, 74/69 (Krohn), Jur. 1970, p. 451, r.o. 9 overweegt het Hof bijvoorbeeld dat een informeel besluit van de Commissie met daarin een uitleg van een verordening voor de toepassing van bepaalde verordeningen ongetwijfeld nuttig kan zijn nochtans niet bindend is.
Senden 2004, p. 237 en 238.
GvEA 7 november 2007, T-374/04 (Duitsland/Commissie), Jur. 2007, p. 11-4431, r.o. 110.
Zie hieromtrent Luijendijk & Senden 2011, p. 325; Thomas 2009, p. 428-429; Korkea-Aho 2009, p. 279, voetnoot 27; Stefan 2008, p. 764; Senden 2004, p. 243 e.v. Zie ook Borchardt & Wellens 1987, p. 709. Zie bijvoorbeeld HvJEU 2 december 2010, C-464/09P (Holland Malt BV), Jur. 2010, p. 1-12443, r.o. 47; HvJEG 11 september 2008, gevoegde zaken C-75/05P en C-80/05P (Duitsland e.a./Kronofrance), Jur. 2008, p.1-6619, r.o. 61 en 65; HvJEG 12 januari 2006, C-311/04 (Algemene Scheeps Agentuur Dordrecht BV), Jur. 2006, p. 1-609, r.o. 28; HvJEG 14 april 2005, C-110/03 (België/Commissie), Jur. 2005, p. 1-2801, r.o. 33; HvJEG 29 april 2004, C-91/01 (Italië/Commissie), Jur. 2004, p. 1-4355, r.o. 45; HvJEG 13 februari 2003, C-409/00 (Spanje/Commissie), Jur. 2003, p. 1-1487, r.o. 69 en 95; HvJEG 26 september 2002, C-351/98, (Spanje/Commissie), Jur. 2002, p. 1-8031, r.o. 53; HvJEG 7 maart 2002, C-310/99 (Italië/Commissie), Jur. 2002, p. 1-2289, r.o. 52; HvJEG 5 oktober 2000, C-288/96 (Duitsland/Commissie), Jur. 2000, p. 1-8237, r.o. 62; HvJEG 28 januari 1992, C-266/90 (Soba), Jur. 1992, p. 1-287, r.o. 19; HvJEG 24 februari 1987, 310/85 (Deufil/Commissie), Jur. 1987, p. 901, r.o. 22; HvJEG 28 november 1973, 149/73 (Witt), Jur. 1973, p. 1587, r.o. 3.
Stefan 2008, p. 764; Senden 2004, p. 373.
Voorop staat dat Europese soft law niet uit zichzelf rechten kan creëren en verplichtingen kan opleggen en derhalve niet zelfstandig juridisch verbindend is.1 De verbindende handelingen van instellingen van de EU zijn immers beperkt tot verordeningen, richtlijnen en besluiten.2 De omstandigheid dat in sommige gevallen voor de vaststelling van Europese soft law een grondslag is neergelegd in een Europese verordening, maakt niet dat sprake is van een juridisch bindende regeling.3
De juridische verbindendheid van Europese soft law moet daarom in andere factoren worden gezocht. Deze factoren en meer in het algemeen de juridische betekenis van Europese soft law worden in de onderhavige paragraaf besproken. Een belangrijke pre-conditie is dat soft law alleen juridisch effect kan hebben, als het in overeenstemming is met het Europese recht, dat wil zeggen de verdragen en het secundaire Europese recht.4 Europese soft law mag voorts niet afwijken van rechtspraak van het Hof van Justitie.5 Ten aanzien van de interpretatie van het Europese recht heeft het Hof van Justitie uiteindelijk het laatste woord; dit betekent dat Europese soft law door rechtspraak van het Hof van Justitie opzij kan worden gezet. Hierop wordt later nog teruggekomen.
Bij de bespreking van de juridische betekenis van Europese soft law wordt een onderscheid gemaakt tussen de verschillende voor dit onderzoek relevante actoren, namelijk de Europese Commissie (4.4.4.2), de lidstaten en nationale uitvoeringsorganen (4.4.4.3 en 4.4.4.4), de eindontvangers van de Europese subsidies (4.4.4.5) en de nationale rechter (4.4.4.6). In paragraaf 4.4.4.7 wordt afzonderlijk ingegaan op de vraag in hoeverre Europese soft law in de praktijk terugwerkende kracht heeft.