Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/5.3.2
5.3.2 Kenmerkende aspecten van art. 6:171
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS299218:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Parl. gesch. Boek 6, p. 729-731.
Parl. gesch. Boek 6, p. 730-731. Denk aan het provinciale waterbedrijf, alsmede het gemeentelijk haven-, parkeer- of afvalverwerkingsbedrijf.
Lubach 2005, p. 283-308.
Oldenhuis 2014, p. 90-92. Omdat niet aan het bedrijfsbegrip van art. 6:171 was voldaan, werd aansprakelijkheid bijvoorbeeld afgewezen in Rb. Assen 18 april 2007, ECLI:NL:RBASS:2007:BA3939 (Tandarts). In Rb. Den Haag 23 juli 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:9278 (Tandartsenpraktijk) werd art. 6:171 wel toepasselijk geacht. Zie voor een afwijzing ex art. 6:171 omdat het ging om ‘overheidstaken in het algemeen’ Hof Den Haag 20 mei 1999, NJ 2000/77 (Rijkswaterstaat); Hof Leeuwarden 8 september 2004, JA 2004/15 (Wegonderhoud door provincie); Rb. Leeuwarden 7 oktober 2009, ECLI:NL:RBLEE:2009:BK0228 (Gemeente en bouw schoolgebouw); Rb. Den Haag 7 maart 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BV8717 (Onderhoud brug Staat); Hof Arnhem-Leeuwarden, 13 mei 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:3856 (Gemeente en rioolwerkzaamheden) en Rb. Noord-Nederland 2 juli 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:3240 (Waterschap). In Hof Amsterdam 9 november 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BT6578 (Zuiveringsinstallatie Hoogheemraadschap) werd het Hoogheemraadschap in eerste aanleg als overheidsbedrijf aangemerkt en werd art. 6:171 toepasselijk geacht. Het hof kwam wegens het zijns inziens (ook) eigen onrechtmatig handelen van het Hoogheemraadschap ex art. 6:162 aan de juistheid van die beoordeling niet meer toe.
Lubach 2005, p. p. 163-164.
Zie voor diverse indicatoren voor ondergeschiktheid dan wel zelfstandigheid Lubach 2005, p. 218-220.
Vgl. ook mijn annotatie van Rb Midden-Nederland 12 juni 2013, JA 2013/123 (Allianz/SRO).
Rb Midden-Nederland 12 juni 2013, JA 2013/123, m.nt. Kolder (Allianz/SRO).
Overigens eist art. 6:171 ook een functioneel verband tussen de ‘fout’ van de zelfstandige hulppersoon en de hem opgedragen werkzaamheden. Aangenomen wordt dat terzake dezelfde (ruime) maatstaf moet worden aangelegd zoals voor het functioneel verband van art. 6:170 heeft te gelden. Asser/ Hartkamp 6-IV 2015/200; Oldenhuis 2014/66; Lubach 2005, p. 318. Het belangrijkste functioneel verband van art. 6:171 ziet echter op de samenhang tussen de activiteiten van de hulppersoon en die van diens opdrachtgever. Lubach 2005, p. 319; Hartlief 2002, p. 888.
Het betreft Parl. gesch. Boek 6, p. 719-720, 728-731. Zie ook A-G Spier in zijn conclusie, sub 4.6, over het functioneel verband van art. 6:171: ‘Er kan weinig twijfel over bestaan dat dit begrip eng moet worden uitgelegd.’ Tevens spreekt hij sub 4.17 van duidelijk ‘een terughoudende benadering’, alsmede dat de wetgever ‘onmiskenbaar een beperkt bereik’ voor zijn nieuwe bepaling voor ogen had.
Zie over het arrest Hartlief 2002, p. 886-896; Lubach 2005, p. 255-282; Meijer 2002, p. 53-55.
Illustratief is Rb. Arnhem 28 maart 2007, JA 2007/96 (Ingehuurde portier). Zie verder onder meer Rb. Rotterdam 24 december 2008, ECLI:NL:RBROT:2008:BH1976 (Schade aan waterleiding) en Rb. Arnhem 9 april 2008, ECLI:NL:RBARN:2008:BC9923 (Sloopwerkzaamheden).
Zie ook A-G Spier in zijn conclusie voor het arrest, sub. 4.15: ‘Het bespuiten van het land is nauw – zo al niet wezenlijk – verbonden met het telen van bloembollen, zodat de werkzaamheden van de bespuiter waarbij de fout werd gemaakt binnen de bedrijfsuitoefening van de kweker vallen.’
Oldenhuis 2014/64; Kolder 2010, p. 302-303; Van Doorn en Gulijk 2013, p. 375-383. Zo ook HR 11 maart 2011, NJ 2012/388, m.nt. Verstappen (Van Zundert/Kort).
Vgl. bijv. Hof Den Bosch 26 februari 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ2823 (Woonstichting).
Zie in terughoudende zin ook HR 8 februari 2008, NJ 2008/93 (Lagraauw/Van Schie), waarin de activiteiten van een door een tuinbouwbedrijf ingeschakeld transportbedrijf niet als een werkzaamheid ‘ter uitoefening van’ dit tuinbouwbedrijf werden aangemerkt. Zie over de voor art. 6:171 vereiste ‘eenheid van onderneming’ ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/199, alsmede Hof Leeuwarden 1 december 2009, ECLI:NL:GHLEE:2009:BK5326 (Wegslepen auto); Rb. Rotterdam 16 juli 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:5862 (Sloop theater); Rb. Amsterdam 29 januari 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:491 (Dexia); Rb. Noord-Nederland 2 juli 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:3240 (Waterschap).
Parl. gesch. Boek 6, p. 725, 727, 729.
Lubach 2005, p. 368-369.
Vgl. ter illustratie de casus in HR 23 juni 2017, RvdW 2017/723 (Ennia/Taliesin), waarin het ging om een hoofdaannemer en meerdere onderaannemers.
Lubach 2005, p. 369.
Volgens art. 6:171 gaat het in dit verband erom of de niet-ondergeschikte die werkzaamheden voor een ander verricht jegens een derde ‘aansprakelijk is voor een bij die werkzaamheden begane fout’.
Parl. gesch. Boek 6, p. 729; Oldenhuis 2014/65.
Parl. gesch. Boek 6, p. 727.
Art. 6:171 kent een aansprakelijkheid van de opdrachtgever voor schade door ‘fouten’ begaan bij werkzaamheden van niet-ondergeschikte hulppersonen (ook wel: zelfstandige hulppersonen). Voor wat betreft de hoedanigheid van de door art. 6:171 aangewezen aansprakelijke persoon geldt dat de wettekst enkel spreekt van degene die een ‘bedrijf’ uitoefent. Hieronder vallen beroepsmatige opdrachtgevers en de overheid in beginsel niet.1 Voor het beroep met bedrijfsmatige trekken2 en ook het overheidsbedrijf3 geldt hierop een uitzondering: zij kunnen wel geacht worden een ‘bedrijf’ in de zin van art. 6:171 uit te oefenen. Ondanks kritiek in de literatuur, inhoudende dat een onderscheid tussen ‘beroep’ en ‘bedrijf’ inmiddels is achterhaald en ook de overheid ‘gewoon’ onder art. 6:171 zou moeten vallen wegens een onterechte vrees voor onoverzienbare aansprakelijkheid,4 wordt in de rechtspraak met steevast een terughoudende uitleg van het bedrijfsbegrip nog altijd de bedoeling van de wetgever gevolgd.5
De personen voor wie de opdrachtgever ex art. 6:171 aansprakelijk is, omschrijft art. 6:171 als ‘niet ondergeschikten’. Een zelfstandige hulppersoon is degene die niet in een ondergeschiktheidsverhouding tot zijn opdrachtgever staat, maar zijn werkzaamheden zelfstandig verricht. Ten opzichte van art. 6:170 kunnen de zelfstandige hulppersonen uit art. 6:171 wel worden gezien als een ‘restcategorie’. In deze benadering is art. 6:171 als ‘complement van’ ofwel als ‘aanvulling op’ art. 6:170 vormgegeven.6 Zodoende is pas sprake van een zelfstandige hulppersoon als bedoeld in art. 6:171 indien diegene niet onder (het ruime bereik van) art. 6:170 valt, derhalve niet een ‘ondergeschikte’ van zijn opdrachtgever is. De vraag is dan waar ‘ondergeschiktheid’ ophoudt (art. 6:170) en zelfstandigheid begint (art. 6:171). Telkens zal een ‘totaalbeoordeling’ van alle omstandigheden van het concrete geval uitsluitsel moeten geven,7 waarbij in het bijzonder betekenis toekomt aan de feitelijke verhoudingen tussen partijen, de door hen gemaakte afspraken en de (wijze van) uitvoering daarvan.8 In de kern komt het telkens erop aan of de betreffende hulppersoon in een ten opzichte van zijn opdrachtgever zelfstandige en economisch onafhankelijke positie verkeert, dan wel zijn werkzaamheden in relatie tot zijn opdrachtgever (feitelijk) als onzelfstandige en afhankelijke opdrachtnemer verricht. Ter afbakening van het type hulppersoon uit art. 6:170 (ondergeschikten) en 171 (zelfstandigen) is de enkele (formele) hoedanigheid van degene die het werk verricht dan ook niet beslissend: zo kan degene die formeel als zzp’er handelt, feitelijk een ‘schijnzelfstandige’ zijn die onder het bereik van art. 6:170 valt.9
Het functioneel verband van art. 6:171 ziet op de samenhang tussen de werkzaamheden van de hulppersoon waarbij de ‘fout’ is gemaakt enerzijds en anderzijds de bedrijfsactiviteiten van diens opdrachtgever. De tekst van art. 6:171 spreekt ervan dat de fout van de hulppersoon moet zijn begaan bij werkzaamheden verricht ‘ter uitoefening van’ het bedrijf van zijn opdrachtgever.10 Hier geldt een terughoudende toepassing en derhalve een beperkte risicosfeer van de opdrachtgever. In HR 21 december 2001, NJ 2002/75 (Delfland/Stoeterij) werd aannemingsbedrijf Baas ingeschakeld door energiebedrijf Delfland om door haar geëxploiteerde elektriciteitskabels te vernieuwen. Ten gevolge van een daarbij door Baas tijdens de graafwerkzaamheden gemaakte fout ontstond schade aan de kabels, met als gevolg een stroomstoring waardoor de Stoeterij schade leed. De Hoge Raad stelde bij de beoordeling van de op art. 6:171 gegronde vordering van Stoeterij tegen Delfland, onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis, voorop dat art. 6:171 restrictief moet worden opgevat. Het functioneel verband van art. 6:171 – ‘werkzaamheden ter uitoefening van diens bedrijf’ – houdt volgens de Hoge Raad een belangrijke beperking op de aansprakelijkheid in.11 Zijns inziens kan aansprakelijkheid alleen worden aangenomen indien de hulppersoon en het bedrijf van diens opdrachtgever naar buiten toe als ‘een zekere eenheid’ zijn te beschouwen. In het licht van ‘de beperkte strekking van art. 6:171’ merkte de Hoge Raad de graafwerkzaamheden van Baas niet aan als werkzaamheden ‘ter uitoefening van’ het bedrijf van Delfland.
Deze restrictieve koers van de Hoge Raad werd in de literatuur12 en feitenrechtspraak13 wel in die zin opgevat, dat het bestaan van uiterlijke eenheid tussen het bedrijf van de hulppersoon en dat van diens opdrachtgever een absolute toepassingsvoorwaarde is voor aansprakelijkheid op grond van art. 6:171. In HR 18 juni 2010, NJ 2010/389 (Koeman/Sijm Agro) heeft de Hoge Raad inmiddels duidelijk gemaakt dat art. 6:171 ook toepassing kan vinden in een geval waarin de gescheidenheid van bedrijfsactiviteiten van de hulppersoon en diens opdrachtgever voor de benadeelde naar buiten toe kenbaar is, en hem aldus duidelijk is dat schade is veroorzaakt door een fout van een niet-ondergeschikte van de ex art. 6:171 aangesprokene. De zaak betreft kweker Koeman die firma De Wit inschakelde om haar perceel grond met het oog op bloembollenteelt te bespuiten met bestrijdingsmiddelen. Als gevolg van een bij de bespuitingswerkzaamheden door De Wit gemaakte ‘fout’ ontstond schade aan gewassen op een aangrenzend perceel van Sijm Agro. De Hoge Raad oordeelde dat de bespuitingswerkzaamheden van De Wit, hoewel het voor Sijm Agro heel wel duidelijk was dat Koeman deze werkzaamheden aan De Wit als niet-ondergeschikte had uitbesteed, aangemerkt kunnen worden als werkzaamheden ‘ter uitoefening van’ het bedrijf van Koeman in de zin van art. 6:171. Redengevend was de verwevenheid van de activiteiten van kweker Koeman met die van bespuiter De Wit, aan de hand waarvan beide bedrijven als ‘een zekere eenheid’ beschouwd konden worden.14 Ondanks dat Koeman/Sijm Agro duidelijk maakt dat ‘uiterlijke eenheid’ – in de zin dat niet is te onderkennen of de schade is te wijten aan een fout van een ondergeschikte of van een ander die ter uitoefening van het desbetreffende bedrijf werkzaamheden verricht – geen doorslaggevende factor is, blijft de ‘grondtoon’ van art. 6:171 restrictief.15 Het zwaartepunt van de beoordeling van het functioneel verband van art. 6:171 ligt bij de vraag of het bedrijf van de opdrachtgever en de werkzaamheden van de hulppersoon als ‘een zekere eenheid’ kunnen worden beschouwd. De (aard van de) activiteiten van de hulppersoon zullen niet te ver mogen afstaan van de bedrijfsvoering van zijn opdrachtgever.16 Alleen degene die aan de bedrijfsuitoefening zelf van diens opdrachtgever deelneemt, valt onder de werking van art. 6:171.17
Kenmerkend aan art. 6:171 is voorts dat de aansprakelijkheid van de opdrachtgever is gekoppeld aan ‘aansprakelijkheid’ van zijn hulppersonen, en niet aan hun ‘fouten’. Hiermee is de aansprakelijkheid van art. 6:171 niet afhankelijk van een persoonlijke fout van de ingeschakelde hulppersoon. Aansprakelijkheid van de opdrachtgever voor de zelfstandige hulppersoon kan ook intreden indien de aansprakelijkheid van laatstgenoemde berust op fouten van diens ondergeschikte of niet-ondergeschikte hulppersonen.18 Hiermee heeft de wetgever niet enkel fouten van de zelfstandige hulppersoon zélf binnen het bereik van art. 6:171 willen laten vallen, maar ook een fout ‘ergens in de keten’ bij de uitvoering van de aan deze hulppersoon opgedragen werkzaamheden.19 Meerdere tussenschakels behoeft dus niet te betekenen dat de werkverhoudingen buiten het bereik van art. 6:171 vallen. Lubach acht dit systeem juist, omdat vooral bij de inschakeling van zelfstandige bedrijven en personen zich de omstandigheid zal voordoen dat (een deel van) de uitvoering van de werkzaamheden in een keten plaatsvindt.20 Bij ondergeschikten ex art. 6:170 is verplaatsing van de uitvoering van werkzaamheden naar een volgende in de keten minder goed denkbaar. Lubach wijst erop dat een ondergeschikte niet op zijn beurt werknemers in dienst heeft, terwijl ingeval deze het werk wel door een andere ondergeschikte (bijvoorbeeld ‘lager in rang’) laat uitvoeren de aansprakelijkheid ex art. 6:170 nog altijd berust op een fout van een, zij het een andere, ondergeschikte. En indien door een ondergeschikte werkzaamheden zouden worden uitbesteed aan een zelfstandige hulppersoon, dan zal dat in de regel namens de werkgever geschieden, zodat deze als opdrachtgever ex art. 6:171 zal hebben te gelden.21 Dat art. 6:171 toch de term ‘fout’ bezigt,22 schuilt volgens de toelichting daarin dat een aansprakelijkheid van de hulppersoon voor zaken niet tot toepasselijkheid van art. 6:171 kan leiden: de bedrijfsmatige opdrachtgever is ex art. 6:171 niet aansprakelijk indien de aansprakelijkheid van diens hulppersoon niet op een ‘fout’ berust maar op de art. 6:173, 174 en 179.23 De aansprakelijkheid voor zaken van degene die een bedrijf uitoefent, moet worden beoordeeld aan de hand van art. 6:181.24