Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/2.5.2.2
2.5.2.2 Kwaliteitseis: juistheid
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661401:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Nicolai 1990, p. 414-415; Volgens de Commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven van 28 (Kamerstukken II 2020/2021, 35586 nr. 6) mag een burger ervan uitgaan dat de informatie op de website van de Belastingdienst klopt, zou een klacht over onjuiste informatievoorziening in het vervolg direct gegrond moeten worden verklaard en mogen dergelijke klachten niet ontstaan.
Van de Sande 2019, p. 93. Zie ook p. 87-88, 322.
Vgl. commentaar Van Arnhem in NTFR 2017/1222: ‘De informatie op de website van de Belastingdienst is in dat opzicht niet volledig en dat hoeft ook niet. De website is bedoeld om algemene informatie te verstrekken, waarbij niet op iedere uitzondering kan worden ingegaan. (…) Die informatie kan immers, ook als deze niet onjuist is, onvolledig zijn en daardoor niet alle mogelijke situaties bestrijken.’ Bijv. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29 november 2019, nr. BRE - 17, 7318, V-N 2020/15.17, r.o. 2.10 waarin de Rechtbank overweegt dat bij voorlichting generalisaties ‘onvermijdelijk’ zijn. Zie ook Van de Sande 2014, p. 187-197; Van de Sande 2019, par. 1.5.
Zie de Behoorlijkheidswijzer van de Nationale ombudsman 2019, p. 3 bij het vereiste van ‘Goede informatieverstrekking’. De behoorlijkheidsnorm van ‘goede organisatie’ houdt onder andere in dat de overheid secuur werkt, slordigheden vermijdt en fouten zo snel mogelijk herstelt. Zie Nationale ombudsman, Rapportbrief van 31 oktober 2017, nr. 201633321, over een onjuistheid in het aangifteprogramma inkomstenbelasting van de Belastingdienst.
Nationale ombudsman, rapport 5 december 1989, nr. 89/R914, AB 1990/592. Zie ook Nationale ombudsman, rapport 14 september 1995, 95/378, V-N 1995/3615, 21.
Nationale ombudsman, rapport 1994/620.
Nationale ombudsman 8 september 2015, nr. 2015/132, AB 2016/28, m.nt. Stolk.
Nationale ombudsman 17 december 2013, Rapport 2013/193.
Nationale ombudsman 17 december 2013, Rapport 2013/193, p. 4. Vgl. conclusie Staatsraad A-G Wattel van 20 maart 2019, nr. 201802496/2/A1, punt 3.18, die in het kader van bevoegdheidsvraagstukken in het algemene bestuursrecht opmerkt dat een justitiabele van ‘zijn overheid mag verwachten dat die haar eigen regels kent en naleeft.’
Zie Nationale ombudsman in zijn brief 2021/098 van 24 juni 2021 met update van 29 september 2021, waarin een substantieel financieel gebaar nodig was.
Vgl. de brief van de staatssecretaris van Financiën Wiebes van 1 juli 2014, kenmerk AFP/2014/590, NTFR 2014/1764, p. 6-7, waarin de staatssecretaris aangeeft dat hij van mening is dat informatie van de Belastingdienst betrouwbaar en volledig moet zijn, ook de website; Kamervragen met antwoorden over de aftrekbaarheid van trapliften als specifieke zorgkosten 2014, kenmerk ah-tk-20132014-1796 ISSN 0921 - 7398, Aanhangsel van de Handelingen 1796, nr. 2, p. 1-3; Brief van de staatssecretaris van Financiën 24 april 2014, reactie Kamervragen 2014Z05986, DGB/2014/2176 U.
Een voorbeeld waarin een positief geformuleerde norm aan bod komt biedt Hof 's-Hertogenbosch 14 september 2001, nr. 98/3322, V-N 2002/10.1.17, waarin het Hof overweegt dat van een bestuursorgaan verlangd mag worden dat het zorg draagt voor ‘een adequate en actieve informatievoorziening’ aan burgers.
Zie de commentaren van Van der Vegt in NTFR 2010/2301, de redactie in V-N 2010/50.9 en Thomas in FED 2010/113. Zie ook BNB 2010/315, r.o. 3.5.2; Hof Arnhem van 18 januari 2005, nr. 02/4102, V-N 2005/35.1, r.o. 13 (heffingsrente achterwege vanwege een omissie in de aangiftediskette); Rechtbank 's-Gravenhage 29 sept 2009, nr. AWB 08/7441, V-N 2010/16.3 (onzorgvuldige invulinstructie leidt tot strijd met in rekening gebrachte heffingsrente).
Zie HR 26 juni 1985, nr. 22 712, BNB 1985/220 (onjuiste mededeling op aangiftebiljet) en het commentaar bij deze zaak in FED 1985/576 en V-N 1985/1803, 3; Hof Den Bosch 12 januari 2010, nr. 08/00516, V-N 2010/30.1.4, r.o. 4.9; Hof Amsterdam 15 april 2003, nr. 02/05486 PV, NTFR 2003/1050, r.o. 6; Hof Den Bosch 23 oktober 2009, nr. 08/00516, NTFR 2010/1385.
Zie Hof Arnhem 30 maart 2006, nr. 03-02435, FutD 2006-0844, r.o. 13.
Bijv. verschoonbaarheid van termijnoverschrijding in Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14 oktober 2021, nr. AWB - 20 _ 5307, V-N 2021/55.27.12, r.o. 4.2. Er was geen verschoonbare termijnoverschrijding in Hof Arnhem-Leeuwarden 29 augustus 2018, nr. 17/00694, V-N 2018/59.20.8; Hof Arnhem-Leeuwarden 24 maart 2015, nr. 14/00425, V-N 2015/32.22.1.
De voorlichtingsjurisprudentie laat zien dat de belastingrechter geen feilloze uitvoering van de voorlichtingstaak verlangt (zie bijv. HR 26 september 1979, nr. 19 250, BNB 1979/311; BNB 1988/148; HR 3 januari 1990, nr. 26 325, BNB 1990/148 en recenter HR 29 januari 2021, nr. 20/01427, BNB 2021/76). Hof Amsterdam 21 mei 1999, nr. 97/21509 oordeelt dat de voorlichtingsplicht van de overheid niet zo ver gaat dat onvoldoende of ontbreken van voorlichting leidt tot vermindering van aanslagen. In Hof Amsterdam 23 mei 2019, nr. 18/00382, V-N 2019/37.30.5, r.o. 5.2-5.3 was sprake van een fout in het aangifteprogramma, maar het Hof zag geen schending van het vertrouwensbeginsel noch het zorgvuldigheidsbeginsel.
Zie bijv. expliciet in Hof Arnhem-Leeuwarden 6 oktober 2015, nr. 1500067, V-N 2015/64.15.10; Hof ’s-Hertogenbosch 9 september 2011, nr. 10/00457, V-N 2012/8.11, r.o. 4.7; Rechtbank Den Haag 8 april 2016, nr. 15_7509 SCHENK, V-N 2016/32.19, r.o. 13.
Bijv. heffingsrentebeschikking bleef in stand in Hof Arnhem-Leeuwarden 6 oktober 2015, nr. 1500067, V-N 2015/64.15.10; Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27 december 2018, nr. 17/1660, V-N 2019/26.19; Hof Leeuwarden 7 februari 2012, nr. BK 10/00338, V-N 2012/21.28.1. Zie ook Hof Amsterdam 30 mei 2008, nr. 07/00495, NTFR 2008/1732 (onjuiste tarieventabel successierecht bij aangiftebiljet).
Vgl. Happé 1996, p. 164 die erop wijst dat de voorlichting van de Belastingdienst burgers het gevoel zal geven dat zij op adequate wijze hun fiscale verplichtingen nakomen wanneer zij zich laten leiden door die voorlichting; Scholten 1971 noemt dat goede voorlichting zowel de overheid als burgers dient; Boer 2013, p. 61; Damen 2018, p. 95 (vuistregels); Nicolai 1990, p. 415; Van de Sande 2019, p. 88, 93 over kwaliteitseisen van juiste, volledige en actuele informatie.
Vgl. Feteris 2007, par. III.2.4; Mertens 2008.
Bijv. Boer 2013, p. 61.
Vgl. Den Boer in BNB 1988/148 merkt op dat aan toelichtingen bij het aangiftebiljet bepaalde eisen van zorgvuldigheid mogen worden gesteld. In het kader van de BelastingTelefoon zie Lalji 1992, par. 4 en par. 5. Over de Website vgl. de conclusie van A-G Van Hilten van 18 juni 2013, nr. 12/01314, V-N 2013/55.16, punt 7.4, die meent dat de Belastingdienst ‘uitermate bedachtzaam dient te zijn op de informatie die hij op zijn website plaatst’.
Veelal wordt daarbij gewezen op de vaste jurisprudentielijn en het karakter van voorlichting waarbij onjuistheden en onvolledigheden kunnen voorkomen.
Vgl. Verheij 1997, p. 82; Vgl. Van de Sande 2014, p. 195, die opmerkt dat het inherent is aan goede voorlichting dat deze geen melding maakt van (te veel) uitzonderingen op en nuanceringen van de hoofdregel. Een en ander hangt volgens hem af van het belang van de niet-opgenomen informatie en het doel van de informatieverstrekking.
Bijv. HR 13 maart 1974, nr. 17 249, BNB 1974/94 aangehaalde oordeel van het Hof, waarin wordt overwogen dat sprake was van HR van een '(...) als gevolg van het streven naar beknoptheid, onvolledige weergave van de wettelijke regeling (…)’.
Bijv. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29 november 2019, nr. BRE - 17, 7318, V-N 2020/15.17.
Conclusie A-G IJzerman 1 april 2010, nr. 08/03539, NTFR 2010/1106, r.o. 4.29. Zie ook Verheij 2018, par. 2.
Bijv. Hof 's-Gravenhage 8 oktober 1996, nr. 95/2428, V-N 1997/2797, r.o. 4, waarin het Hof overweegt dat in de toelichting weliswaar niet staat vermeld dat nog andere eisen worden gesteld ter zake van aftrekbaarheid van kosten, maar dit niet leidt tot een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel. Het Hof overweegt dat gegeven het algemene informatieve karakter en de noodzakelijkerwijs beperkte omvang ervan (wat resulteert in een in het onderhavige geval globaal juiste, maar niet geheel volledige weergave van de wettelijke regeling ter zake) van gerechtvaardigd vertrouwen hier geen sprake kan zijn. In Hof Den Haag 24 mei 2017, nr. BK-16/00303, V-N 2017/39.20 ontbrak een eis in de informatie (zie r.o. 13 van rechtbankuitspraak).
Zie Hof ’s-Hertogenbosch 16 februari 2018, nr. 17/00139, V-N 2018/28.15.29, r.o. 4.4. Zie daarentegen Rechtbank Noord-Nederland 18 oktober 2016, nrs. LEE 15/2531 en LEE 15/3369, V-N 2017/2.16.14, r.o. 4.5.
Happé 1996, p. 164.
Scholten 1971.
Commentaar redactie bij Rechtbank Gelderland 11 april 2019, nr. AWB - 18 _ 6250, V-N 2019/38.15: ‘Het blijft dan ook verstandig om bij belangrijke fiscale vraagstukken niet alleen van die bron gebruik te maken.’
Röben 1992, par. 2.3.
Interessant aanknopingspunt biedt een bijdrage in de Amerikaanse wetenschappelijke fiscale literatuur van Monroe 2017. Zij betoogt dat guidance van de IRS kan worden ingezet als instrument voor vereenvoudiging van belastingwetgeving. Daarbij zet zij uiteen hoe regels in de wet kunnen worden beschouwd in termen van ‘core’ en ‘surrounding details’. Voor zover hier relevant, is voor de kwaliteit van voorlichting van belang dat voorlichting de ‘core’ op eenvoudige en accurate wijze moet overbrengen, de essentiële elementen. Welke dat zijn, zal van geval tot geval moeten worden geanalyseerd door fiscale experts. Zie over Monroe’s voorstel eerder in Cramwinckel 2020, par. 5.2.
Van de Sande 2019, p. 252.
Voorlichting moet voldoen aan de eis van juistheid. Deze eis is, zoals Nicolaï al schreef, ‘evident’.1 Die vanzelfsprekendheid ligt erin dat het onzinnig is om het tegendeel te beweren. Als informatie niet juist is, kunnen de Belastingdienst en de burger hun doel(en) niet kunnen bereiken. Bij onjuiste informatie raakt de burger niet adequaat geïnformeerd, geïnstrueerd, aangespoord en wordt hem geen dienst verleend. Communicatie die zijn doel mist, is niet effectief (paragraaf 5.3).
Juistheid is een rechtsstatelijke kwaliteitseis voor voorlichting. De Belastingdienst heeft een voorlichtende taak op grond van het rechtszekerheidsbeginsel (paragraaf 2.3.2). Van de Sande heeft overtuigend betoogd dat als de overheid uit hoofde van het rechtszekerheidsbeginsel informatie verstrekt aan burgers, vanzelfsprekend is dat de overheid alleen aan die verplichting voldoet indien de informatie juist, volledig en actueel is.
‘Als de verstrekte informatie niet aan deze kwaliteitseisen voldoet, wordt de burger immers nog steeds geen rechtszekerheid geboden. De keuze voor de overheid om informatie te verstrekken gaat dan ook hand in hand met de verplichting om geen onjuiste of onvolledige informatie te verstrekken. Die verplichting kan worden gefundeerd op ongeschreven zorgvuldigheidsnormen. (…) Met het verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie mist de informatieverstrekking (…) zijn doel (het bieden van rechtszekerheid) en daarom dient de overheid zich daarvan te onthouden.’2
Zo bezien, is juistheid een essentiële voorwaarde voor deugdelijke voorlichting.
Juridische juiste, volledige, relevante en/of voldoende informatie?
Wat houdt ‘juistheid’ in? Positief geformuleerd: het gaat erom dat de informatie klopt, juist is, correct is, waarheidsgetrouw en inhoudelijk accuraat (‘juridische juistheid’). Negatief geformuleerd: de informatie mag niet onjuist zijn, fouten bevatten, incorrect of onwaar zijn. Juistheid hangt samen met volledigheid. Informatie die weliswaar juist maar onvolledig is bereikt zijn doel evenmin.
Mijns inziens is het een misvatting om voorlichting in zijn algemeenheid te kwalificeren als ‘onvolledig’.3 Die aanduiding miskent namelijk dat het bij voorlichting niet zozeer gaat om volledigheid ten opzichte van de wet (bijv. uitputtend, alle facetten weergeven uit de wet), maar om volledigheid ten opzichte van het doel van de voorlichting. Het gaat dus om volledigheid in termen van relevantie: regeling moet worden weergeven voor zovervan belang in de gegeven situatie. In dat opzicht kan wellicht beter worden gesproken van de eis van voldoende informatie of relevante informatie. Wat voldoende of relevant is, is contextafhankelijk (denk aan doel, publiek). De burger die wil weten of hij aanspraak kan maken op een faciliteit heeft specifiekere informatie nodig dan de burger die enkel wil weten wat het tarief is onder die faciliteit. De burger die op zoek is naar informatie over de fiscale gevolgen van de afkoop van een lijfrentepremie zal niet alle fiscale facetten van lijfrentepremies nodig hebben om duidelijkheid te krijgen over zijn rechtspositie, maar wel de relevante aspecten bij afkoop. De Belastingdienst zal met diversiteit in situaties rekening moeten houden. De lastigheid is uiteraard dat (on)juistheid en (on)volledigheid kunnen samengaan (paragraaf 1.7.7, 2.6.1). Die begrippen worden in de literatuur en rechtspraak dan ook niet strikt gescheiden gebruikt. Als ik hierna spreek over volledig(heid) bedoel ik daarmee dat de informatie zodanig compleet moet zijn dat het voldoende relevante informatie geeft om het doel van die voorlichting te kunnen bereiken.
Het vereiste van ‘goede informatieverstrekking’ uit de behoorlijkheidsnormen van de Ombudsman houdt in dat de overheid ervoor zorgt ‘dat de burger de juiste informatie krijgt en dat deze informatie klopt en volledig en duidelijk is’.4 Uitspraken van de Ombudsman illustreren wat die norm in concrete gevallen inhoudt. Volgens de Ombudsman zal informatieverstrekking in voorlichting niet zozeer een uitputtend overzicht moeten geven, maar dient het wel de elementen te bevatten die essentieel zijn. Ook dient (digitale) informatie juist te zijn.
Voorbeelden
Reeds in een rapport uit 1989 besliste de Ombudsman dat het aspect van volledigheid en juistheid inhoudt dat een voorlichtingsbrochure (de inhoud van) bepalingen van essentieel belang behoorde te bevatten.5 Belangrijke, essentiële informatie mag dus niet ontbreken. Tegelijkertijd heeft de Ombudsman oog voor beperkingen die – naar zijn aard – aan voorlichtingsmateriaal zijn verbonden. Zo besliste de Ombudsman in zijn Jaarverslag uit 1994 naar aanleiding van een brochure van de Belastingdienst dat het verstrekken van specifiek gerichte informatie door middel van brochures zijn beperkingen kent.6 In een rapport uit 2015 over informatie op de website van de RVO over voordelen van elektrisch rijden oordeelde de Ombudsman dat van een overheidsinstantie niet hoeft te worden verlangd ‘dat de informatie die hij via zijn website geeft uitputtend is. Volstaan kan worden met een korte zakelijke weergave, mits duidelijk is waar die informatie op is gebaseerd.’7 In een rapport uit 2013 oordeelde de Ombudsman over de juistheid van informatie op de website van de RDW.8 In dit rapport overweegt de Ombudsman onder andere ‘dat de overheid in steeds grotere mate gebruik maakt van informatieverstrekking via het internet. Van burgers wordt verwacht dat zij zich via het internet laten informeren over hun rechten en plichten. De Nationale ombudsman vindt daarom dat een burger er op moet kunnen vertrouwen dat de informatieverstrekking door de overheid via internet correct is. Zoals voor de burger geldt "een ieder wordt geacht de wet te kennen" geldt dit te meer voor de overheid die informatie over de wet verstrekt.’9 Onlangs oordeelde de Ombudsman dat als informatie achteraf niet juist blijkt, de overheid het daar niet zomaar bij mag laten.10
De Belastingdienst en de staatssecretaris van Financiën beschouwen juistheid en volledigheid van verstrekte informatie (ook) als uitgangspunt.11 In het communicatiebeleid van de Belastingdienst is een en ander geconcretiseerd (paragraaf 3.3.2).
Fiscale rechtspraak en literatuur
In de fiscale jurisprudentie komt doorgaans niet in positief geformuleerde bewoordingen een norm van juistheid van informatie aan de orde.12 Juiste informatie geldt echter wel degelijk als uitgangspunt, want in voorkomende gevallen oordeelt de belastingrechter dat voorlichting een onjuistheid bevat. In de rechtspraak speelt met name het zorgvuldigheidsbeginsel een rol (paragraaf 2.3.2.6). Een goed voorbeeld biedt het arrest BNB 2010/314, waarin de Hoge Raad oordeelt dat belanghebbende uitsluitend als gevolg van onjuiste voorlichting door de Belastingdienst ten onrechte een voorlopige teruggaaf heeft aangevraagd en gekregen. De Hoge Raad acht de Belastingdienst niet gebonden aan de onjuiste voorlichting, maar acht het zorgvuldigheidsbeginsel wel geschonden en daardoor mag de Belastingdienst geen heffingsrente in rekening brengen.13
De fiscale rechtspraak biedt ook voorbeelden waarin de belastingrechter andere gevolgen verbindt aan onjuistheden in voorlichting, zoals vergoeding van griffierechten,14 proceskosten,15 tegemoetkoming in de procedurele sfeer16 of ten aanzien van een bestuurlijke boete (paragraaf 4.3.7.3).
Echter, het uitgangspunt van juistheid van voorlichting betekent niet dat de belastingrechter steeds consequenties verbindt aan onjuistheid, zo laat de rechtspraak zien.17 Integendeel. Ten eerste valt op dat ook in gevallen waarbij de belastingrechter expliciet oordeelt dat voorlichting onjuist en/of onvolledig is, dat volgens de belastingrechter nog niet betekent dat de Belastingdienst aan zijn informatie is gebonden (hoofdstuk 4).18 Ten tweede valt op dat de belastingrechter aan tekortschietende informatie ook niet steeds andere gevolgen verbindt, bijvoorbeeld ten aanzien van de in rekening gebrachte rente of een proceskostenvergoeding.19
Het bovenstaande roept de vraag op of de kwaliteit (juistheid) van voorlichting wel voldoende en effectief door de belastingrechter kan worden getoetst. De kwaliteitseis van voorlichting brengt mee dat aan onjuistheid of onvolledigheid niet zomaar voorbij mag worden gegaan. De belastingrechter zou daaraan consequenties moeten verbinden.
In de fiscale literatuur wordt veelal als vanzelfsprekend beschouwd dat de Belastingdienst burgers in zijn voorlichting behoort te voorzien van juiste informatie.20 Sommige auteurs leggen daarbij een relatie met de impact van belastingheffing op burgers en de complexiteit van fiscale wet- en regelgeving, waardoor een goede kwaliteit van de informatie van (extra) groot belang is.21 Juistheid wordt ook wel in verband gebracht met betrouwbaarheid van de informatie.22 In de literatuur wordt bij voorlichting bovendien ook gewezen op de van de Belastingdienst te verwachten zorgvuldigheid.23 Dit veronderstelt (in ieder geval) dat de informatie geen onjuistheden hoort te bevatten. Toch gaat men in de literatuur niet zo ver dat aan onjuiste informatie steeds consequenties worden verbonden.24
Dilemma: hoe (on)volledig om (on)juist te zijn?
Goede voorlichting zal geen kopie van de wettekst zijn.25 Voorlichting dient een ander doel dan een wettekst en zal daarom vaak minder en anders gepresenteerde informatie bevatten (zie paragraaf 5.3.3). Het dilemma is uiteraard dat onjuistheid in voorlichting kan worden veroorzaakt door onvolledigheid, terwijl voorlichting juist vaak ten opzichte van de wet onvolledig zal zijn.
In de fiscale rechtspraak wijst de belastingrechter er in voorkomende gevallen op dat voorlichting naar zijn aard geen volledige weergave biedt van fiscale wet- en regelgeving.26 De belastingrechter verwacht van voorlichting geen uitputtende weergave, onder andere omdat bij voorlichting bepaalde generalisaties ‘onvermijdelijk’ zijn.27 A-G IJzerman wees er in zijn conclusie bij BNB 2010/314 op dat voorlichtingsmateriaal ‘om als zodanig te kunnen functioneren veelal onvolledig moet blijven ten opzichte van de wet. Onvolledigheid ten opzichte van de wet bergt fouten in zich. Dat geldt ook voor voorlichting die te kort door de bocht is ten opzichte van de wet.’28In voorkomende gevallen acht de belastingrechter voorlichting niet zozeer onjuist, maar wel onvolledig.29 Het gegeven dat uit onderzoeken van de Consumentenbond blijkt dat vaak foute antwoorden worden gegeven aan de BelastingTelefoon, zegt volgens de belastingrechter niet altijd iets over eventueel aan een concrete belastingplichtige verstrekte informatie.30
Ook in de literatuur wijzen auteurs erop dat voorlichting van de Belastingdienst niet een compleet overzicht van het recht kan (of hoeft te) zijn. Zo maakt Happé duidelijk dat in voorlichting doorgaans niet ‘allerlei specifieke, uitzonderlijke situaties’ aan bod kunnen komen.31 Scholten meent dat ‘het onmogelijk is in een algemene informatie volledig recht te doen aan de 1001 individueel bepaalde bijzonderheden, die zich bij een rechtvaardige toepassing van algemene belastingregels kunnen voordoen.’32 Volgens hem dient de Belastingdienst burgers in voorlichting dan ook zo ruim, juist en volledig mogelijk te informeren – en in die formulering zit volgens Scholten ‘toch ook wel enige beperking’. Volgens de redactie Vakstudie Nieuws moet informatie op de website van de Belastingdienst toegankelijk, kort en bondig zijn en kan het onmogelijk elke juridische nuance bevatten.33 Röben vindt dat voorlichting die bestemd is voor een breed publiek beperkt mag blijven ‘tot grote lijnen’.34 Anderzijds mag die voorlichting volgens hem ‘op belangrijke punten geen manco's vertonen.’
Het dilemma waar de voorlichter dus voor wordt gesteld is welke aspecten van een regeling in ieder geval moeten worden opgenomen in voorlichting. Oftewel, wat zijn essentiële elementen, welke elementen mogen niet achterwege blijven in de informatie om burgers een adequaat inzicht in hun fiscale rechtspositie te geven?35 Dat zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld.
Uit de rechtspraak en literatuur ontstaat het volgende beeld. Voor juistheid is een ondergrens dat voorlichting niet onjuist is in termen van onwaarheden of fouten. De eigenschappen die aan de algemene aard van voorlichting zijn verbonden beperken weliswaar – zoals Van de Sande terecht betoogt36 – de volledigheid van de informatie, maar doen geen afbreuk aan de van voorlichting te vereisen juistheid (paragraaf 2.6.3.2, 7.4.2.2). Voor volledigheid is een ondergrens dat voorlichting niet te weinig informatie mag bevatten om het doel van de voorlichting te bereiken (zowel voor de Belastingdienst als de burger). Voorlichting is geen kopie van de wet en in zoverre onvolledig ten opzichte van de wet, maar dient met het oog op doel van de voorlichting in ieder geval essentiële elementen van een regeling te bevatten.
Tot slot merk ik op dat het uitgangspunt van juistheid en volledigheid complicaties meebrengt. Ten eerste is dat het spanningsveld met begrijpelijkheid (paragraaf 2.5.2.3, 3.3, 6.4, 7.4). Ten tweede veronderstelt de norm van juistheid dat de aan voorlichting ten grondslag liggende belastingwet zelf juist en volledig is, terwijl dit niet altijd het geval is (paragraaf 2.2.2). Dat roept de vraag op hoe de Belastingdienst deugdelijke voorlichting kan geven in situaties waarin de daaraan ten grondslag liggende wet zelf te kort schiet en of de belastingrechter daarmee rekening houdt (paragraaf 4.6.2)