Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/2.2.2
2.2.2 Forum internum en forum externum
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS454019:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 18 februari 1999, nr. 24645/94 (Buscarini and Others v San Marino).
Taylor 2005, p. 115.
Ze zijn opgenomen na consultatie van de ‘Commission of the Churches on International Affairs van de Wereldraad van Kerken’. Zie Van Boven 1967, p. 125.
Zie noot 5.
Van Boven 1967, p. 126.
Van Ooijen 2012, p. 122.
EHRM (GK) 7 juli 2011, nr. 23459/03 (Bayatyan v Armenië). Het EHRM gaat in dit arrest ‘om’. Voorheen werd geen enkel ‘gewetensbezwaar’ tegen militaire dienst beschermd onder de reikwijdte van art. 9 lid 1 EHRM. De lijn die de commissie trok in EHRM 12 december 1966, nr. 2299/64 (Grandrath v Germany) werd gevolgd, die inhield dat aangezien art. 4 lid 3 EVRM expliciet betrekking heeft op het reilen en zeilen van de dienstplicht ook voor gewetensbezwaren, art. 9 EVRM niet van toepassing kan worden geacht. Dit uitgangspunt is later steeds bevestigd.
M.D. Evans 2012, p. 9.
Van der Pot/Donner 1983, p. 255.
HR 30 maart 1984, AB 1984, 366 r.o. 3.3, m.nt. F.H. van der Burg.
Van Bijsterveld & Vermeulen 2013.
Belijden suggereert immers iets externs, iets bekendmaken, uitdragen, etc.
Van der Pot/Donner 1983, p. 255.
Kamerstukken II 1975-76, 13872, nr. 6 (Voorlopig Verslag), p. 6, 7.
Zie hierover: Vermeulen 1989.
Het grondrechtsobject van artikel 9 EVRM wordt in de literatuur in het algemeen onderverdeeld in de bescherming van de onaantastbaarheid van het forum internum, de geestelijke vrijheid en de bescherming van het forum externum, de manifestatievrijheid. Het forum internum betreft dan het geweten en het wel of niet1 hebben van een godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging. Artikel 9 EVRM beschermt het individu tegen vervolging, dwang of indoctrinatie door de overheid of andere burgers wegens het hebben van bepaalde denkbeelden, gedachten en opvattingen die al dan niet zijn geïnspireerd door religie, levensbeschouwing of moraal. De kern van de bescherming van de onaantastbaarheid van het forum internum ligt in de keuzevrijheid om zelf het object van geloof (of ongeloof) en denken te bepalen.2 De bescherming van de uitwendige godsdienst, het forum externum, is aan de orde wanneer bepaalde innerlijke (geloofs-)overtuigingen resulteren in uitingen of gedragingen. Uit de bewoordingen van artikel 9 EVRM kunnen we opmaken dat deze uitingen en gedragingen de vorm hebben van belijden of in het geval van levensovertuiging ‘het tot uitdrukking brengen’. In artikel 9 EVRM staan hiervan een aantal concrete vormen opgenomen. Er wordt gesproken over erediensten, onderricht, praktische toepassing (van het belijden van een godsdienst) en het onderhouden van geboden en voorschriften. Met deze opsomming worden vier categorieën van belijden beschermd: het vereren, het onderwijzen, het praktiseren en het onderhouden (worship, teaching, practice and observance). Deze vier vormen van belijden zijn destijds opgenomen3 in artikel 18 UVRM (waaraan artikel 9 lid 1 EVRM is ontleend)4 zonder een limitatieve opsomming te beogen.5 Zoals uit de bewoordingen van deze vormen van belijden blijkt, kunnen ze een heel scala aan uitingen en gedragingen omvatten. Dit geldt dan met name voor wat betreft de categorie het ‘praktiseren en het onderhouden’. Het EHRM gaat dan ook uit van een zeer brede interpretatie van deze categorieën.6 Zo vallen onder het belijden of manifesteren van godsdienst of levensovertuiging ook bepaalde ‘negatieve’ uitingen of gedragingen in de vorm van weigeringen, zoals de weigering van militaire dienst.7 De vrijheid van het forum internum is absoluut, de vrijheid van het forum externum is onderhevig aan de wettelijke beperkingen opgenomen in artikel 9 lid 2 EVRM.8
Het grondrechtsobject van artikel 6 Grondwet kan eenvoudig worden omschreven als ‘de vrijheid om een godsdienst te belijden’, dat wil zeggen in woord en daad uitdrukking geven aan een godsdienst. Belijden houdt niet slechts in het hebben van een godsdienst, maar ook het zich daarnaar gedragen, alleen of in groepsverband. De terminologie ‘belijden van godsdienst’ is terug te leiden tot Thorbecke die naar aanleiding van de totstandkoming van artikel 184 Grondwet oud, voor het eerst in juridisch verband de woorden ‘het belijden van godsdienstige meningen’ bezigde. Sindsdien is de term belijden verbonden aan het grondrecht van de vrijheid van godsdienst.9 Als voorbeelden van belijden noemt de grondwetgever ‘het uiten in de huiselijke en openbare godsdienstoefening, het uitdragen in onderwijs, opvoeding en verkondiging, het oprichten van organisaties en het zich overigens naar deze overtuiging gedragen voor zover dat rechtstreeks uitdrukking geeft aan die overtuiging’.10 Het belijden van een godsdienst kan ook geschieden in de vorm van weigeringen om bepaalde handelingen of uitingen te verrichten. Bijvoorbeeld het weigeren om op een religieuze feestdag te werken.11 De grondwetgever heeft net als de opstellers van het EVRM niet aangegeven welke vormen van belijden betrekking hebben op levensovertuiging, maar enkel gesteld dat het fenomeen levensovertuiging moet worden begrepen vanuit het fenomeen godsdienst.12 Dit lijkt te impliceren dat het belijden van levensovertuiging op soortgelijke wijze plaatsvindt als godsdienst. Toch blijven er dan nog veel vragen over voor wat betreft de concrete vormen van dit belijden.13 De bewoordingen van artikel 6 Grondwet (met name het werkwoord belijden14) richten zich niet op de innerlijke overtuiging van een justitiabele maar op de uiterlijke gevolgen daarvan. Uit de wetsgeschiedenis blijkt echter dat ook het ‘hebben’ (of juist niet hebben) van een godsdienst of levensovertuiging beschermd is.15 Artikel 6 Grondwet beschermt dus net als artikel 9 lid 1 EVRM tevens het forum internum.
Uit de rechtsgeschiedenis blijkt dat de wil van de wetgever om het individu te beschermen tegen vervolging op grond van innerlijke overtuigingen (forum internum) al heel oud is. Reeds in artikel XIII van de Unie van Utrecht (1579) was een zogenaamd inquisitieverbod opgenomen: ‘… dat een yder particulier in sijn religie vrij sal moegen blijven ende dat men nyemant ter cause van de religie sal moegen achterhaelen ofte ondersoucken’.16 Men heeft naar aanleiding van de grondwetswijziging van 1983 in het parlement de nodige discussies gevoerd over de noodzaak van opneming van een grondrecht dat expliciet de gewetensvrijheid beschermt. Men hanteerde daarbij een opvatting van de gewetensvrijheid die verder ging dan enkel de bescherming tegen religieuze of levensbeschouwelijk indoctrinatie of dwang en vervolging op grond van de innerlijke overtuiging (bescherming van het forum internum), zoals die wordt gegarandeerd door artikel 6 Grondwet en artikel 9 lid 1 EVRM. De gewetensvrijheid zou dan ook een externe kant (forum externum) krijgen in de vorm van het recht om handelingen te weigeren die in strijd zijn met het geweten.17 Met andere woorden, men wilde gewetensbezwaarden de mogelijkheid geven om af te zien van het gehoorzamen van de wet indien hun geweten hen daartoe noopte. Nu zijn er wel enkele bepalingen in de wet opgenomen, zoals artikel 7:681 lid 2e BW op grond waarvan een werknemer beschermd wordt tegen ontslag wanneer hij wegens gewetensbezwaren weigert de afgesproken arbeid te verrichten, maar de gewetensvrijheid is nooit als zodanig in algemene zin geconstitutionaliseerd. Hiertoe is men niet overgaan onder andere vanwege de ‘oeverloosheid’ van de term geweten. Het zou onmogelijk zijn om aan deze term een objectieve betekenis te geven. De angst bestond dat een dergelijk recht zou resulteren in wanorde aangezien eenieder zich dan op grond van zijn subjectieve gewetensinhoud zou kunnen onttrekken aan het navolgen van wettelijk regelingen.18