Einde inhoudsopgave
Verrekening door de fiscus (O&R nr. 62) 2011/2.4.1
2.4.1 Algemeen
Mr. A.J. Tekstra, datum 26-04-2011
- Datum
26-04-2011
- Auteur
Mr. A.J. Tekstra
- JCDI
JCDI:ADS610828:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Invordering / Verrekening
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Niessen-Cobben 2008, p. 91-92.
Met dit eerste verschil ('het oog op de vorderingen') doelt zij kennelijk op de afwijking die volgt uit de eerste volzin van art. 24 lid 1 Iw 1990, in verband met andere belastingen en heffingen voor zover de invordering daarvan aan de ontvanger is opgedragen. Met dit tweede verschil ('op de persoon van de belastingschuldige') doelt zij blijkbaar op de verrekening bij een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Het onderscheid tussen (het oog op) de vorderingen enerzijds en (het oog op) de persoon van de belastingschuldige anderzijds, is rechtens niet relevant. Het gaat er om dat het de ontvanger in beide gevallen is toegestaan verrekening toe te passen in een situatie waarin niet is voldaan aan het vereiste van wederkerig schuldenaarschap.
Zie verder § 1.3.
Zie eveneens Boer 2009, p. 227, die dit een logische bepaling vindt. Hij constateert dat de aansprakelijkheidsschuld weliswaar geen zuivere belastingschuld is, maar dat de aansprakelijkstelling wel kan worden aangemerkt als een schuld die voortvloeit uit een (rijks)belastingwet. Deze redenering lijkt mij, in het systeem van art. 241w 1990, juist.
Zie over art. 24 lid 21w 1990 § 2.4.6.4.
Na de voorgaande behandeling van de verrekeningsregels uit het BW en de Fw, worden thans de verrekeningsregels van artikel 241w 1990 besproken voor zover zij van de civielrechtelijke regels afwijken. Daarbij wordt in beginsel dezelfde volgorde aangehouden als bij de behandeling van de BW-verrekeningsregels.
Niessen-Cobben gaat als volgt in op de afwijkingen in artikel 24 Iw 1990 ten opzichte van de civielrechtelijke verrekeningsregels:1
"Ten aanzien van de fiscale verrekening is in art. 24 IW 1990 een aparte regeling opgenomen. Hierbij wordt afgeweken van de regels van Titel I, afdeling 12, boek 6 BW en art. 4:93, lid 4, Awb. Het uitgangspunt van de fiscale verrekening is hetzelfde als bij verrekening op de voet van het BW, namelijk dat door verrekening verbintenissen teniet gaan. Belangrijk daarbij is dat de ontvanger zo min mogelijk wordt belemmerd bij het invorderen van belastingen en heffingen.
De eerste afwijking betreft de wederkerigheid van de schuldeiser/ schuldenaar-positie. Deze afwijking heeft niet alleen het oog op de vorderingen, maar ook op de persoon van de belastingschuldige .2
Vervolgens staat art. 24, lid 2, IW 1990 toe dat ook voordat de vordering opeisbaar is, kan worden verrekend.
Indien de ontvanger heeft ingestemd met de overdracht onder bijzondere titel of verpanding van de belastingteruggaaf kan niet tot verrekening worden overgegaan. Deze afwijkingen hebben tot doel te voorkomen dat de invordering door het handelen van kwaadwillige belastingschuldigen wordt gefrustreerd."
Op zichzelf worden hier in een notendop de belangrijkste afwijkingen aan de orde gesteld. Het motief dat door Niessen-Cobben wordt gegeven voor deze afwijkingen springt in het oog. De ontvanger moet zo min mogelijk worden belemmerd bij invordering van belastingen en heffingen en voorkomen moet worden dat de invordering door kwaadwillige belastingschuldigen wordt gefrustreerd. Hier wordt uit het oog verloren dat verrekening in de kern geen maatregel van invordering betreft. De fiscus dient een teruggaaf te doen aan een belastingplichtige en constateert dat er sprake is van een tegenvordering op die partij. In die situatie wenst de fiscus te kunnen verrekenen. Wanneer aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, kan de fiscus daartoe overgaan en kan hij aldus gebruik maken van de feitelijke preferentie die verrekening oplevert. Waarom het in dat kader noodzakelijk zou zijn motieven in stelling te brengen als het voorkomen van belemmering of frustratie van de invordering, is onduidelijk. Dergelijke gronden zijn door de wetgever ook niet naar voren gebracht ter onderbouwing van de afwijkingen in artikel 24 Iw 1990. De wetgever gaf slechts aan dat de afwijkingen de efficiency zouden bevorderen en dat het vereiste van wederkerig schuldenaarschap als te knellend zou worden ervaren door de ontvanger. Kortom, hier worden gronden genoemd, die geenszins volgen uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling.3
Vermelding verdient nog dat op grond van artikel 53 lid 1 Iw 1990 de verrekeningsregels van artikel 24 Iw 1990 van overeenkomstige toepassing zijn ten aanzien van een op grond van de Iw 1990 aansprakelijk gestelde4 Een aansprakelijkheidsschuld kan dus door de ontvanger worden verrekend met een door de fiscus aan de aansprakelijk gestelde uit te betalen bedrag in de zin van artikel 24 lid 1, eerste volzin, Iw 1990. Het tweede lid van artikel 24 Iw 1990 is echter op deze verrekening niet van toepassing verklaard, zodat het voor de ontvanger niet mogelijk is te verrekenen voordat de betalingstermijn van de aanslag, waarvoor de derde hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld, is verstreken.5