Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/19.6.1:19.6.1 Inleiding
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/19.6.1
19.6.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS498328:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
EHRM houdt beperkt rekening met eigen (rechts)gebied belastingen
Bij de verkenning in het vorige onderdeel van de toekomstige invulling van nemo teneturin Nederlandse fiscale boetezaken, ben ik (impliciet) ervan uitgegaan dat art. 6 EVRM daarop onverkort toepasselijk is. Uit de Straatsburgse nemo tenetur-rechtspraak blijkt ook nauwelijks van een verschil in wervingskracht tussen bestuurlijke boetezaken en (klassieke) strafzaken. Uit de (belasting)zaken waarin niet specifiek een klacht over schending van het recht tegen gedwongen zelfbelasting speelt, volgt wel dat belastingen volgens het EHRM een bijzonder (rechts)gebied zijn en daarom nuanceringen van het art. 6 EVRM c.q. het daarin belichaamde recht tegen gedwongen zelfbelasting voor wat betreft fiscaal-bestuurlijke boetes (‘tax surcharges’) zijn toegestaan. Uit de zaak Västberga Taxi Aktiebolag en Vulic volgt dat de gelding in (punitieve) belastingzaken van de (met nemo tenetur verwante) onschuldpresumptie in art. 6, lid 2 EVRM, kan worden beperkt wanneer gestandaardiseerde sancties zijn gesteld op onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door burgers.1 In Jussila aanvaardt het Hof dat belastingverhogingen en ‘echte’ straffen van verschillend gewicht zijn en dat de waarborgen van art. 6 niet steeds op gelijke wijze van toepassing zijn. In hun dissenting opinion bij het arrest gaan enkele rechters verder, wanneer zij betogen dat lichte belastingverhogen van art. 6 EVRM zouden moeten worden uitgezonderd, mede omdat belastingen een bijzonder (rechts)gebied zijn.2 Moeilijk voorstelbaar is dat het Hof vroeg of laat fiscale vergrijpboetes uit de AWR zal uitzonderen van nemo tenetur-bescherming. Deze boetes betreffen maatwerk en zijn vergelijkbaar met strafrechtelijke geldboetes.
Wordt geabstraheerd van het vorenstaande en meer in het algemeen van de huidige uitleg en toepassing van het recht tegen gedwongen zelfbelasting door het EHRM, dan kan gelet op de door het Hof erkende grondslagen van het recht tegen gedwongen zelfbelasting de vraag worden gesteld of de geldingskracht respectievelijk doorwerking van dit recht in Nederlandse fiscale boete- en strafzaken hetzelfde is of zou moeten zijn. Ondanks de bestaande onduidelijkheden over deze grondslagen3 (of juist daarom), zou het debat over nemo tenetur in punitieve belastingzaken (en daarbuiten) naar mijn oordeel meer dan nu het geval is vanuit deze grondslagen kunnen worden gevoerd. Vooral omdat er daardoor meer ruimte is om (verschillen in) de praktijk en de niet-procedurele (feitelijke) werkelijkheid mee te wegen bij de vaststelling of de betrouwbaarheid van het bewijs en/of de procesautonomie daadwerkelijk in het geding zijn.4 De uitkomst hiervan kan (door de rechter) onderwerp van dialoog met het EHRM worden gemaakt, bijvoorbeeld in het kader van een ‘advisory opinion’.5
Zelfstandige betekenis nemo tenetur in Nederlandse fiscale boetezaken is minder groot dan geldt voor fiscale strafzaken
De hierna te benoemen verschillen tussen de Nederlandse fiscale boete- en strafprocedure, zijn aanleiding zijn te vermoeden dat het risico van ‘improper compulsion’ die afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van het bewijs (zie § 19.6.2) en/of de autonome positie van de boeteling (§ 19.6.3), in fiscale boetezaken minder groot is dan geldt voor (fiscale) strafzaken. De betekenis van nemo tenetur voor Nederlandse fiscale boetezaken lijkt, naast de inzage in wilsafhankelijke bescheiden, zich vooral te concentreren rond de weinig voorkomende situaties waarin fiscaal toezichtsambtenaren op ontoelaatbare wijze inbreken op de fysieke of psychische integriteit van de (potentiële) boeteling (§ 19.6.4).