Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/6.3.2
6.3.2 Rechtspraak
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS297971:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
HR 1 april 2011, NJ 2011/405, m.nt. Tjong Tjin Tai (Paard Loretta); Hof Den Bosch 17 mei 2016, JA 2016/106 (Paard Dika); Hof Leeuwarden 28 februari 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BV7349 (Uitladen paard).
Vgl. ook HR 22 november 1989, NJ 1990/674, m.nt. Morzer Bruyns (Muramatsu/Gemeente Amsterdam), waarin de exploitant van een sportschool in het kader van het huurrecht niet als beroeps- maar bedrijfsuitoefenaar werd aangemerkt.
De rechtbank wees aansprakelijkheid uiteindelijk van de hand. In hoger beroep ging het nog om de grondslag van art. 6:162, en werd blijkens Hof Amsterdam 16 juni 2015, ECLI:NL: GHAMS:2015:2306 (X/GVB) in ieder geval nog een deskundigenbericht noodzakelijk geacht.
In het zojuist genoemde Rb. Utrecht 8 augustus 2007, JA 2007/153(X/Regiopolitie Utrecht) werd door partijen niet getwist over de hoedanigheid van de politie in relatie tot art. 6:181 en beschouwde de rechtbank zelf de Regiopolitie als gezegd als een overheidsbedrijf.
Rb. Den Haag 8 december 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:15167 (Stepping stones).
Rb. Oost Brabant 27 maart 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ6844 (Opblaasbare klimtoren).
Hof Den Haag 15 juli 2003, VR 2004/107 (TU Eindhoven/Donders).
Rb. Noord-Nederland 2 november 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:4839 (MoM-heupprothese).
Rb. Haarlem 1 augustus 2000, VR 2002/94 (Basketbaltoren); Rb. Rotterdam 16 juli 2008, ECLI:NL:RBROT:2008:BD7436 (Mobiele kunstijsbaan). Soms is de stichting een onderwijsinstelling, zie Rb. Oost Brabant 27 maart 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ6844 (Opblaasbare klimtoren).
Zie wel HR 15 december 2017, RvdW 2018/30 (Parochie/X), waarin een Aartsbisdom op het terrein van art. 7:658 lid 4 werd geacht een ‘bedrijf’ uit te oefenen.
De jurisprudentie over het bedrijfsbegrip van art. 6:181 laat evenmin een sluitend beeld zien. Uiteraard is er de rechtspraak over art. 6:181 waarin niet ter discussie staat – dan wel niet ter discussie is gesteld – dat sprake is van ‘bedrijfsmatig’ handelen. Het gaat dan veelal om ex art. 6:181 aangesprokenen, waarvan gezegd kan worden dat zij een bedrijf ‘in traditionele zin’ uitoefenen. Het betreft sprekende gevallen van activiteiten op het vlak van bijvoorbeeld handel en nijverheid, de bouw, productie en be- of verwerking, transport en logistiek, alsmede zeer regelmatig ook manegebedrijven.1 In deze categorie ‘bedrijven’ vallen ook de vier ‘art. 6:181-zaken’ waarover de Hoge Raad zich tot nog toe heeft uitgelaten, te weten de DB/Edco-kwestie (opslagbedrijf), de Loretta-zaak (manegebedrijf), het Paard Imagine-arrest (manegebedrijf) en de zaak Schavemaker/Planet c.s. over een brand in een bedrijfsloods (transport- en reparatiebedrijf). Het bedrijfsbegrip van art. 6:181 leverde in deze zaken dan ook geen discussie op. Naast de zojuist genoemde ‘typische’ bedrijven, wordt in de feitenrechtspraak ook het beroep met een bedrijfsmatig karakter onder het bereik van art. 6:181 geschaard.2 Zo werd in Rb. Maastricht 12 november 2003, ECLI:NL:RBMAA:2003:AN8406 (X/MASH) omtrent een ex art. 6:181 aangesproken zelfstandige paardentrainer op illustratieve wijze overwogen ‘dat van een vrij beroep geen sprake is’, alsmede dat ‘beroepsactiviteiten die bedrijfsmatige trekken vertonen’ ook onder het toepassingsbereik van artikel 6:181 BW vallen. Voorts kan worden gewezen op Rb. Middelburg 23 juli 2008, ECLI:NL:RBMID:2008:BE0211 (Ingestorte loods), waarin de termen beroep en bedrijf door elkaar worden gebruikt ter aanduiding van de op grond van art. 6:181 aansprakelijke. Ook het overheidsbedrijf wordt geacht onder de reikwijdte van art. 6:181 te vallen. In Rb. Rotterdam 13 oktober 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BO3418 (Gebrekkige loopplank) werd een gemeentelijk havenbedrijf, hoewel geen bezitter van de betreffende roerende zaak, in de hoedanigheid van bedrijfsmatige gebruiker ex art. 6:181 jo. 173 aansprakelijk geacht voor schade door een gebrekkige loopplank. In Rb. Amsterdam 29 mei 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:CA3780 (X/GVB) ging het om een gemeentelijk openbaar vervoersbedrijf, het GVB te Amsterdam. Een scholier kwam op het perron van een metrostation ten val, belandde op de rails en werd door een vertrekkend metrostel aangereden. Het GVB werd onder meer ex art. 6:181 jo. 6:173 en 174 aangesproken wegens een vermeend gebrek in het perron en/of in het bij het ongeval betrokken metrostel. De rechtbank overwoog dat het GVB weliswaar niet de eigenaar is van de perrons en metrostellen, maar dat zij wel is aan te merken als ‘de beroepsmatig gebruiker’ daarvan en aldus op grond van art. 6:181 jo. 6:173 en 174 aansprakelijk kan zijn.3 Hoewel het hier ging om een overheidsbedrijf, paste de rechtbank art. 6:181 op het GVB toe als beroepsmatige gebruiker. Vermeldenswaard is ook Rb. Utrecht 8 augustus 2007, JA 2007/153 (X/Regiopolitie Utrecht), waarin de rechtbank na een bijtincident met een politiehond oordeelde dat deze hond werd gebruikt in de uitoefening van het ‘politiebedrijf’. Hoewel het mijns inziens niet zozeer een overheidsbedrijf maar een klassieke overheidstaak betrof, werd de Regiopolitie geacht een ‘bedrijf’ in de zin van art. 6:181 uit te oefenen.
Een principiële uitspraak over de positie van het vrije beroep en de klassieke overheid in relatie tot art. 6:181 is – voorzover mij bekend – nog niet gewezen.4 Inmiddels heeft de feitenrechtspraak wel al laten zien dat in die zin een ruime uitleg aan het bedrijfsbegrip van art. 6:181 wordt gegeven, dat ook onderwijsinstellingen zoals een basisschool,5 ROC6 en universiteit7 als ‘bedrijfsmatige’ gebruiker van schadeveroorzakende zaken kunnen kwalificeren. Ook lijkt een ziekenhuis een ‘bedrijf’ in de zin van art. 6:181 te kunnen uitoefenen.8 Eenzelfde geldt voor bepaalde stichtingen.9 Over de rechtspositie van kleinschalige stichtingen/verenigingen en overige georganiseerde verbanden zoals scoutingclubs of kerkgenootschappen, verscheen – voorzover ik kon nagaan – op het gebied van art. 6:181 nog geen richtinggevende rechtspraak.10 De wél over het bedrijfsbegrip van art. 6:181 verschenen rechtspraak is tot nu toe in ieder geval dicht bij de parlementaire geschiedenis gebleven.