Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.6.4
IV.6.4 Meerwaarde van het rechterlijk bevel in de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460313:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Een voorbeeld uit de jurisprudentie waarin een stichting en omwonenden opkomen tegen geluidshinder, betreft Rb. Utrecht 17 september 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BN7681, NJF 2010/449. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af omdat onvoldoende duidelijk is of en in welke mate, thans daadwerkelijk sprake is van een hoger geluidsniveau dan in het Tracébesluit is omschreven. Oftewel, de vordering tot rechterlijk bevel loopt vast op het onrechtmatigheidsvereiste.
Zie par. IV.5.6.
HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2006, AB 2020/24, m.nt. Backes en Van der Veen; NJ 2020/41, m.nt. Spier (Urgenda). Een andere rechtszaak waarin de naleving van klimaatverplichtingen wordt gevorderd, is het proces dat Milieudefensie heeft aangespannen tegen Shell: Rb. 26 mei 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:5337, M&R 2021/86 m.nt. Arentz (Milieudefensie/Shell).
Uit bestuursrechtelijke jurisprudentie en literatuur blijkt dat de curator (die handelt in hoedanigheid) na het faillissement van de rechtspersoon kan worden aangemerkt als drijver van de inrichting, en als zodanig mede de verplichting heeft om de inrichtinggerelateerde voorschriften na te leven. ABRvS 11 juli 1997, AB 1998/268, m.nt. Jurgens; M&R 1997/130, m.nt. Cup; ABRvS 9 mei 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA4703, AB 2008/132 (Maasdriel); ABRvS 24 november 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK5036; ABRvS 23 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2728, AB 2014/370, m.nt. Van Mil (Bavin); CBb 7 augustus 2018, ECLI:NL:CBB:2018:405, JOR 2018/292, m.nt. Hiemstra (Mestboekhouding); Noordover 2015; Mellenbergh 2005, p. 784-787; Pommer & Van Ingen 2014; Mellenbergh 2009, par. 9.3; en recentelijk: Karapetian & Verstijlen 2020.
De mogelijkheid om dwangmiddelen aan de gebodsactie te verbinden wordt in dit proefschrift verder niet besproken. Zie uitvoerig: Beekhoven van den Boezem, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, Vijfde titel: Van lijfsdwang en de tenuitvoerlegging van lijfsdwang en van dwangsom; Van der Helm 2019, par. 6.3.
De vordering tot rechterlijk bevel op grond van artikel 3:296 BW en de vordering tot schadevergoeding op grond van 6:162 BW hebben verschillende, complementaire functies: de schadevergoedingsactie beoogt de schade te herstellen van een reeds gepleegde onrechtmatige daad, terwijl het rechterlijk bevel strekt tot het voorkomen van een onrechtmatige daad. Juist in het milieuaansprakelijkheidsrecht kan het rechterlijk bevel een belangrijke rol spelen. De verzaking van een milieuverplichting kan leiden tot ernstige, soms onomkeerbare milieuschade. Bijvoorbeeld, het onrechtmatig kappen van een bos kan niet ongedaan worden gemaakt. Bovendien zal het rechtszoekenden in het milieuaansprakelijkheidsrecht, in bepaalde gevallen eerder te doen zijn om rechtsherstel dan om compensatie. Bijvoorbeeld, omwonenden die last hebben van stank- of trillinghinder, zullen eerst en vooral willen dat de onrechtmatige hinder wordt gestaakt.1
Het rechterlijke bevel kan bovendien uitkomst bieden in gevallen waarin geen schadevergoeding mogelijk is. Zo kan bijvoorbeeld geen schadevergoeding worden gevorderd wanneer een normschending (nog) geen schadelijke gevolgen heeft gehad.2 Het kan in zo’n geval wenselijk zijn om voor de toekomst een bevel te vragen. Denk hierbij aan het eerder gebruikte voorbeeld over methaanlekken: wanneer een installatie van een inrichting bijvoorbeeld met enige regelmaat grote hoeveelheden methaan lekt waarbij het telkens (gelukkig) niet tot een ontploffing komt, kunnen omwonenden bij gebrek aan schade de drijver van de inrichting niet aansprakelijk stellen op grond van artikel 6:162 BW. Een rechterlijk bevel kan in dit geval mogelijk bijdragen aan het voorkomen van toekomstige methaanlekken, bijvoorbeeld door op grond van artikel 3:296 BW juncto 611a Rv een rechterlijk bevel te vorderen dat ertoe strekt dat aanvullende maatregelen worden getroffen om het methaanprobleem op te lossen, zoals de aanleg van een lekdetectiesysteem. Als het lekken van methaan in strijd is met een resultaatverplichting, dan zou zelfs een dwangsom kunnen worden verbonden aan toekomstige lekken.
Zo zijn er nog andere rechtsplichten denkbaar die niet goed tot hun recht komen in het schadevergoedingsrecht, maar wel kunnen worden gehandhaafd door middel van een rechterlijk bevel. Het rechterlijk bevel kan bijvoorbeeld strekken tot het doen van onderzoek naar bepaalde risico’s, bijvoorbeeld het in kaart brengen van de schadelijke effecten van de stoffen die het bedrijf (al dan niet vergund) in het oppervlaktewater of bodem brengt. Ook de klimaatverplichting die centraal staat in het Urgenda-proces is een voorbeeld van een rechtsplicht die wel kan worden gehandhaafd middels een rechterlijk bevel, maar in het schadevergoedingsrecht niet tot aansprakelijkheid kan leiden. In dit proces vorderde stichting Urgenda een bevel aan de Staat om de Nederlandse broeikasgasuitstoot per 2020 25% te reduceren ten opzichte van 1990.3
De voorgaande voorbeelden hebben betrekking op de meerwaarde van het rechterlijk bevel voor de handhaving van het milieuprivaatrecht in het algemeen. In het kader van dit proefschrift rijzen ten aanzien van het rechterlijk bevel twee vragen: kan deze remedie worden gebruikt voor de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden, en wat is daarvan de meerwaarde ten opzichte van een gebodsactie tegen de exploiterende rechtspersoon? Wat betreft de eerste vraag: ik zie geen principiële redenen waarom een milieubevel niet geadresseerd zou kunnen worden aan een leidinggevende. Leidinggevenden zijn immers drager van diverse milieuverplichtingen, deze verplichtingen beogen de milieubelangen van derden zoals omwonenden en natuurorganisaties te beschermen en derden zullen dikwijls voldoende belang hebben bij de naleving van deze milieuverplichtingen. Het vervullen van de voorwaarden voor het vestigen van aansprakelijkheid tot de naleving van een rechtsplicht op grond van artikel 3:296 BW lijkt daarmee binnen handbereik.
Wat betreft de tweede vraag: er zijn veel situaties denkbaar waarin het adresseren van een rechterlijk bevel aan een natuurlijke persoon met zeggenschap over de milieurelevante activiteiten binnen een bedrijf in verband met een (dreigende) milieuovertreding, grote meerwaarde heeft ten aanzien van het adresseren van dit bevel aan de rechtspersoon die de inrichting exploiteert. Ik noem enkele situaties. Ten eerste, ook wanneer de exploiterende rechtspersoon failliet is, kunnen zich binnen de inrichting activiteiten voordoen waardoor op onrechtmatige wijze milieuschade wordt aangericht. In zo’n geval blijft het mogelijk om op grond van artikel 3:296 BW een natuurlijke persoon met invloed op de milieubelastende activiteiten maatregelen te bevelen om maatregelen te treffen om de rechtmatige toestand te herstellen en verdere schade te voorkomen, bijvoorbeeld door de naleving van een vergunningsvoorschrift te vorderen.
Omdat de feitelijke (dus niet formele) zeggenschap over (een deel van) de inrichting bepalend is voor drijverschap, heeft het faillissement van de rechtspersoon alleen gevolgen voor de adressering van de normen, als ook de feitelijke zeggenschapsrelaties door het faillissement worden veranderd. De drijver van de inrichting is ook na faillissement van de exploiterende rechtspersoon verplicht om de milieuvoorschriften na te leven. De naleving van die rechtsplicht kan een gerechtigde middels een rechterlijk verbod afdwingen. Verder wordt in de bestuursrechtelijke jurisprudentie en literatuur aangenomen dat na faillissement de curator in zodanige gezagsverhouding staat tot de inrichting, dat deze in beginsel ook kan worden aangemerkt als degene die de inrichting drijft.4
Ten tweede, in het verlengde van het voorgaande: omgekeerd is denkbaar dat bij een milieu-inrichting in oprichting er (nog) geen rechtspersoon is om aan te spreken op eventuele normschendingen, en dan kan de initiatiefnemer worden aangesproken. Ten derde kan het bij ingewikkelde vennootschappelijke kerstbomen soms makkelijker zijn om de verantwoordelijke natuurlijke persoon te adresseren met een rechterlijk bevel. Ten vierde kan het effectief en rechtvaardig zijn om niet de hele organisatie aansprakelijk te stellen voor milieuschendingen, maar slechts een individu die moedwillig milieuvoorschriften aan zijn laars lapt. Wanneer een bepaalde leidinggevende reeds succesvol strafrechtelijk of civielrechtelijk aansprakelijk is gesteld voor een bepaalde milieuovertreding, en er bestaat vrees voor herhaling, ook dan kan een rechterlijk bevel met een daaraan verbonden dwangsom gericht aan deze leidinggevende, de kans vergroten dat hij zijn milieuverplichtingen naleeft.5 Kortom, het adresseren van een rechterlijk bevel aan een leidinggevende in verband met een (dreigende) milieuovertreding kent diverse voordelen.